Dat maakt het verschil, als je aandachtig luistert
en hoort hoe de donderwolken breken op het
aanbeeld van de zon en haar gouden haren in
belofte tot je spreken en de oorsprong dwingt je de
mooiste details niet te vergeten en opnieuw te baren.
Het raakt de harten van een innerlijke wetenschap
zonder dat je nooit alles zal kunnen meten,
beheersing van de twijfel in een vrije geest, de
intuïtie dat er alles toe doet, wat niet lijkt te zijn,
altijd is geweest, dat maakt de verlossende stap.
Kerend zonlicht,
Zo maar gelaten, als in een
een ongemeubileerde kamer,
met de gordijnen dicht,
even leeg als vol met
kerend zonlicht in een
evenbeeld van ongeboren
motieven die in het stof
verbleken als bloemen op het
behang waarop de tijd de
bloeiwaarden liet stelen
en zich losrukt als vrucht
bevroren in een metafoor.
Stilleven van onaangepaste
patronen die met een kale kwast
- het verleden naar de toekomst en
naar zichzelf modelleert - en
daarmee naar binnen is gekeerd,
maar aan de ketting van de
waarheid als last verdraagt.
Dit gemakshalve maar vermeden
in een tijdsbeeld van gespeelde
schijn, als harlekijn laverend
tussen de obstakels van z’n dicht
en op z’n tamboerijn een verbond
aangaat met de onschuld van papier.
Vandaag,
Vandaag is meer dan een ding
elke dag is meer dan zomaar
een dag, de handeling in de
kern voor hem die haar
schoonheid ziet, een beweging
van wie bemint, van mij en maar
ook van jouw,de trouw aan onze
dromen, een universele gedachte,
geloof me, iets anders bestaat niet.
“Today is the first day of the rest of my live”
Door omstandigheden zal ik voorlopig
even niet publiceren op deze site.
Ik wens allen een plezierige tijd en
mogen de “de Muzen” jullie daarin
barmhartig zijn.
Geleende tijd,
Avond zwart, sterren helder.
Plotsklaps vormt zich de muur,
gegil van staal op staal, brekend
glas dat naar binnen is gedrukt,
in een flits staat de wereld stil,
mijn blik opzij, zij ( god zij dank )
heeft niets, ze roept je bloedt, ik
voel het lopen van het hoofd
en wangen over mijn gezicht.
Een wit gelaat meldt dat
de hulpdiensten zijn gebeld,
de rest gaat in een trage droom,
gezaagd uit het karkas wat eerst
een auto was, ambulance
met de rustige stem, we zijn
gevangen in een film van
ongeloof, verbaasd dat de dood
ons nu nog niet wilde hebben .
We lopen door het korenveld
naar de evenaar, beide handen
aan de zijden strelen de halmen
en de linten van het geurend
haar, bewustzijn en besef dat de
zon met zwarte stralen ons laat
dwalen tussen schaduw van het
donker en het licht, gewogen in
de aan ons geleende tijd waarin
de jaren nog niet zijn geteld .
Willoos water,
Uit de cocon en vaak
verpoppen vlinders zich
in verwijzing naar het doel
als intrede van de winterslaap.
Ik waak in een berg
van witte watten, waar
de zon door straalt en de
frisse wind binnenhaalt.
Als een klimmer, die zwemt naar
de top, in de zoete weelde
bovenkomt, ik ontwaak, verstomd
die de diepe nacht met mij deelde.
Uit een pastellen melodie
is iets wezenlijks verschoven
het lijf is verwaaid als geheim,
ik dein open als een symfonie
Uit geborgenheid, tevreden
ik laat me vloeien, willoos water
langs de beschoeiing van de tijd,
vraag me niet meer waarheen.
De ware blues,
De tijd kon niet lang genoeg
duren, toen we zwegen en
je uit de mantel van de
zomer stapte. In de vroege
uren van de late oogst
omhulde je me met nerfdunne
zinnen, weinig afscheid om je
naargelang te minnen. Je
rilde door mijn vraag te blijven,
het laatste wat ik las was
mijn illusie in een frons.
Waar elke boom z’n wortels
nestelt in de rijpe grond, dringt
het mos zich op, gestaag sluipt
de herfst op lome voeten rond,
de wingerd dwingt het rossig blad
te vallen waar ik dacht te rusten
onder de humus van beloften en in
het eikenbrons van je woordenschat,
gevat in een tot ziens, een laatste groet.
Maar in de boezem van de winter
sluimert stil een naam die ik in de lente
laat ontwaken, waar ik in een overvloed
aan bloesem, de ware blues voor je bezing.
Telraam
Het kind in de keuken, eet
niet uit mijn hand, zelfs het
mooiste speelgoed heeft
het moeiteloos laten staan.
Ze telt de fantasieën
met de houten kralen,
op de eerste regel is het
leven slechts begonnen,
de volgende regels hebben
nog geen naam, de optelsom
van jaren zal zeker komen.
Ik ben het telraam wat ik het
bied, waaruit de vrije vormen
zijn verdwenen, het telt de
normen waaraan het zich wil
te hechten, herschrijft z’n
vondsten in een daverend lied,
die uitkomst heeft zijn eigen
kleuren, iets anders wil het niet.
Het is mij nog niet ontkomen,
misschien zal dat gebeuren, het
blijft vluchten voor verdriet,
zonder om te kijken dromen aan
de beide zijden van de toekomst,
zichzelf in spiegels bespiedt.
“Couveuse? “
Aanschouw een nieuw idee, misschien
wel te vroeg geboren onder kunstmatig
licht, nog niet vrij te ademen ligt het
in de couveuse van gedichten.
En ik moet buiten blijven staan, de keuze
alleen maar kijken naar dat kleine wicht
achter plastic ruiten, het lijkt er nu al
op dat het zelfstandig verder wil gaan.
Ik word met zachte hand weggeleid;
‘ komt U morgen maar kijken op de zelfde tijd
het is kerngezond, heeft alle zintuigen open,
het heeft uw trekken om de schaterende mond.’
Het zwaait me uit voordat ik weg kan lopen,
in deze broeikas is ze nog wel even, dus rest
me nog wat tijd het een naam te geven.
Osmose ?
Ik heb je bij de levensbron
gezien, duizendschoon in het
gras, oceanen vol klaprozen
en ontluikend groen, fragiel
misschien, maar transparant
als glas,daarin verdronken
zoveel dat kon in haar satijnen
spiegelplas, nog zonder kleur,
verdroogd, verzonken in
woestijnen en in het kristal
van licht verloren.
Totdat je die weg verlaten moest,
dauw gedempt op aangeboren spiegels
van de ziel, het was een nieuw gezicht
te zien, een schoonheid die geen twijfel
overliet van kwetsbaarheid, de
beeltenis van een aarzelende osmose,
wat stromen ging in een gedicht, een
vrij gebied onttrokken aan de strijd,
ongeremd waarmee je uiteindelijk
schaduwen met je vlinders overgiet.
"Amore vitrea est: tum cum splendet frangitur."
Liefde is kristal, uit een diepere invalshoek
krijgt het een diepere betekenis, maar kwetsbaar.
Virgilius
Sharia?
Mijn vrienden van de hoek, gezichten
in een gloed en waas van kaarslicht,
in bedachte stemmen vervliegt de
wierook, weeft het gesprek tot weinig
wat mij raken kan om voor niemand
bang te zijn, op die ene gedachte na
die ik niet kan remmen en door de
ongetemde lente, de wilde bloesem
kiest van hoopvolle gedachten..
Daarbuiten in een dal van straten
tussen zwarte gevels en spitse daken,
steken minaret en kerk de vingers
gezamenlijk op, om als hun God het wil,
als enige, ( maar mijn God toch ook? )
in de hemel te geraken. Ze schrijven de
toekomst in een stil gebed, maar blijven
uit het licht van een ongeboren horizon..
Het koperen haantje op het kruis beleeft
zijn zonde in de weerschijn van de gouden
halve maan, het lijkt of zij beiden hun zinnen
claimen om de aardse pijn te keren in de
waarheid van het handelen naar een zinnelijk
leven in het dogma van mijn eigen sharia ?
Ligtuin ?
Het lijkt een laatste zomerdag,
waarin ik het weinig zoek, het
niets uit een botanisch boek,
waaruit ik met beide handen
had willen plukken, lanterfantend
geurend door het Heem, in mijn
ligtuin waar ik in mijzelf
kan liggen elke houding die ik
was, zoals je sprankelend water
schenkt in een horizontaal glas.
Ik heb niet veel om vol te zijn, het
noodzakelijke lijkt gelukkig weinig.
Er is zoveel te weinig, de tolerantie
van het niets waarin ik, als ik niets
zou zijn moeiteloos zou passen.
Mijn lucht is blauw, vergevings-
gezindheid, het blauwsel waarmee
de wolken zijn doortrokken om nog
witter te zijn, waarmee ik het
weinig van mijn ligtuin mee omhul.
De fontein ben jij
Een fontein ben jij,
vrijheid tintelt op mijn huid,
dorstig naar haar wijn.
Na de openheid,
ongenaakbaar in de regen,
jij naakt, ik verlegen.
De hel breekt los
of gaat de hemel open ?
Wat maakt ons dat uit.
Mis gegrepen,
strohalmen naar de toekomst,
weegschaal naar geluk ?
Uiterste balans,
wat je kiest is om het even,
eind brengt evenwicht.
Onvoldoende water,
om rivieren te blussen,
machteloosheid in mij.
Gedachten zijn klei,
uit het niets geschapen,
het model blijft vrij.
Hinderlaag?
´Je projecteert je angst, wat
gebeuren moet gebeurt,‘denk je
hiervoor vluchten, dat vermijdt?’
je wilt niet geloven wat ik je
zeg te snappen, ben je daarmee
de dreiging kwijt?´
´Een muur rondom, is dat een
reden om ommuurd te blijven?,
ik heb de specie van je pijn tot
de laatste genen geïnspecteerd ,
het blijft een muur met stenen
en verder niets meer.´
´Je hebt de voegen bijgewerkt,
laag voor laag geredigeerd naar
eigen werk, je hebt geleerd het
masker van het ongeloof te laten
zakken om deze hinderlaag te
ontmaskeren en de angsten
op heterdaad te betrappen.
"De angst en de dood zijn
tweelingbroers, de eerste kun
je vermijden, de andere niet. "
Homerus.
Toonzetting
Je bewoont waarin je het
beschrijft, een bos kan niet
donkerder of lichter zijn, je
stelt je in op dingen, die je
drijft met wisselend diafragma
vast, de scherpte bepaald
de essentie van je domein,
de kern verbleekt in een
tegengesteld contrast.
Elk detail wordt in kritiek
of waarde getoetst, wisselend
gesprek of ontwerp die ‘dichters
last ' in schijn verdiept, verwerpt
de buitengrens in de diaspora
van de sluimerende waarheid,
de verbijsterende ontdekking
van de werkelijkheid,verscherpt
de toonzetting van de dag.
Cauté, (Wees waakzaam)
B. de Spinoza
" Het "
Hét is het gulzig water
dat me dorstig maakt,
schuimende beken
waarin ik weerloos
ten onder ga, hét
fluistert tonen die
de wind laat spreken
en waaraan ik nooit
mocht denken.
Hét is het brood die
de honger steelt, een
wuivend bos wat mijn
aandacht streelt, een
tomeloze slaap in hét
wakend dromen tussen
zwart licht en hét
verlichte kwaad wat hét
in nachten met me deelt.
Hét is een schrander
dier dat mijn bloed
besluipt, hét is de
kus van een vruchtbaar
lichaam wat willig
openstaat, hét kruipt
door hét oog van
tederheid, hét stuit
me op mijn vlucht,
hét noemt zijn naam
in de dageraad en
laat ‘hét syndroom’
me tijdloos zijn.
"Benedenloop",
Buiten meandert de rivier ver
gebleven van de stad, laat z’n
stem tot mij klinken, neemt
geruisloos het slib van de
gedachten mee als libellen
geruisloos op een berkenblad
in de waan en ongestilde hoop
naar de benedenloop zonder
ervan te drinken.
De wereld die ik bij name noem,
slapend in onbekende wildernissen,
de ziel niet groter dan een waterbloem
spiegeling in de kleur van gele lissen.
De grond, naamloos wat naar uitzicht
streeft,wat aan een verbeelding
kleeft,zich verwant voelt aan de
ruimte van het woelig water en een
altijd vragende wind, wat alles
overweldigd maar in andere zetting leeft.
Het kan het hart en kind niet dwingen,
te hunkeren naar een tijd die warm en
zwanger was van geuren van seringen
maar door onzekerheid verging tot as.
Schemeruur,
Veulens bij een hek terwijl de
schemer valt, koppen dichter
bij elkaar, de ogen diep zwart
getint, waarin blikken strelend
om warmte smeken, te beminnen
met de hals met volle manen
over een brede borst die op de
wereld rust en , het ranke lichaam
torst als goddelijk stilleven, waarmee
het web van schoonheid is geweven,
een laatste zonnestraal zich meester
maakt van een geluk vol tranen.
De avond keert terug naar oude
waarden, de kikkers blaten in
hun glorieuze vuur, geen tijd
voor vroege nachtegalen, waarin
de hazen ruimer ademhalen, het
schemeruur verzamelt de uilen
en geluiden op de zachte treden
van de nacht, de wind verlegt
z’n schreden in de vertrouwde
zomen van z’n rijke vacht.
Nog niet geschoren…,
De aarde was nog niet geploegd,
er was nog niet gezaaid, toen er
nog dauw lag op de schaduw van
de heuvels, ging in lichaamstaal
onwetend op, de morgen was de
lente van vorige seizoenen, haar
zomer strijdbaar als hooi op volle
wagens, mijn vinger strijkt langs
de sporen van het voorhoofd,het
zweet van al het koren dat in
de wondere wereld is geboren,
is het feest van de schoonheid.
Het gras van verwachting voelt
vochtig aan beide lichamen, de
monden zijn twee helften van de
zoete appel waarin we elkaar
ontmoeten, wortels uit een boom,
vertakkingen geschetst in witte
wolken van de toekomst, de
maan is een geschoren schaap, zon
en zomer twee autonome herders,
jij en ik, de een scheert de dromen
van de tijd, de ander wikkelt ze
in wollen dekens van de liefde, nog
nooit is de nacht zo warm geweest.
Zonder tussenkomst (2)
Zee spoelt mensen aan
bruine mannen uit het zuiden,
meisjes van het oosten.
Branding vergelijkt
woorden uit de moedertalen,
accent uit kleur te halen.
Tussen eb en vloed,
geen onderscheid inwendig ,
de huiskleur is bepaald.
Instinctief gevecht
de groene overkant te halen,
ontheemding als geschenk.
Cultuur luider slaat,
z'n zinnen te herhalen,
smeltkroes van de macht.
Waar hoop nog huilen mag,
schoonheid naar ontvreemding,
brak de lente uit.
Ongeschreven taal,
zonder de bewoordingen
klinkt stilte magistraal.
Zonder tussenkomst, ( 1 )
Vleugels gevangen tijd
herschrijven geschiedenis,
op dichterspallet.
Penselen met verf,
erkenning van z’n streken
laat de schilder koud.
Gerijpte vruchten,
strelen kindertongen op de
elfenbank en druivenrank
Rimpelende meren,
spiegels van luchtkastelen,
zonder bewoording.
Zonder tussenkomst,
in het harmonisch duister
branden lichtjes vel.
Aarde wacht heel stil
omsluit mijn moede lichaam
in zachte plooien.
Nooit die daad gedaan,
nooit ontvreemd mans eigendom, toch
kleeft bloed aan mijn handen.
Levend water,
Steeds weer als je mij
met ziel en ogen raakt,
ik onder de deken uit de
nachtelijke nevel ontwaak,
word ik licht en doorzichtig
als druppels dauw uit
de mediterranen in de
palmen van je handen.
Voorzichtig als het levende
water stroomt waarmee je
mij hebt gemodelleerd,
nu aarzelen je lippen nog,
waarmee je eens van mij
zult nippen, mij te zien en
begrijpen als je dat gedurfd
had, anders mag ik alleen
maar hopen dat de heldere
stille bron blijft lopen.
Boodschap uit glas?
Zuivere lucht wil hij vreten
zich te nestelen in de
zonnecellen - zonder de ogen
te kwellen - die branden op
het etiket van het netvlies,
helder bloed te stuwen
uit de illusie van het lot, de
wijzers van het leven gelijk
te zetten in elk kwartier, in
ontdekking van de polsslag,
verwekking van de tranen in
een sluimerend verlies,
intuïtiviteit gemeten als vrije
kinderen aan een dorstige rivier.
Op het hoogtepunt van
het dorstgelag, verstijft
hij bij menselijk geblaf,
peilt het opvangcentrum
onder de hemelse straf van
de stadse laatste vrijplaats
waar hij het licht laat doven ,
zich geruisloos strekken kan,
uurtjes zonder pijn, diepweg
gedoken onder z’n waarheid ,
de gemorste dag mag loven,
zonder te hebben geweten.
"Zaaier of maaier"?
Schaduw strooi onnavolgzame
twijfels over het zwervende
gedachtegoed, broze jaren
verschijnen in beloftevolle
schetsen op de smetteloze
muren van gedroomde kastelen
hangend in luchtledige steigers.
Mijn zaaier was zorgeloos
vertrokken, met ongebonden
handen, haren wuivend aan
weerszijden van de akkers,
strelend de goudgele aren,
verwaait het stuifmeel van
kleine rusteloze zielen
tot waar de wereld reikt,
en lijken te kiemen.
Ik vertrouw de boodschap en de
richting niet, alleen de liefde
blijft toegankelijk en echt, al
zijn haar velden veel gemaaid,
de dood zaait sterren die doven
aan al wat aan de hemel hecht,die
van mij blijkt te zijn gelogen.
In nevelen ?
Wie bij daglicht de
gordijnen van de
wereld sluit en de
kaars zal doven,
verhult de toekomst
zich in nevelen, een
vermetel gebaar om de
tijd te willen ophouden.
Verwijzing naar vroeger
eeuwen, zo de mythe wil
geloven om in elkaars
armen en gedachten te
verstenen als lot, dat het
geluk niet zal benijden.
De dagen te beitelen in
contouren van de morgen
vloeit samen tot een droom,
tussen licht en duisternis
verborgen, te kiezen en te
wenen, het hoofd af te wenden
naar alles wat ik heb lief
gehad en mogelijk zelfs
meer om me te bevrijden.
Zuring
Een versleten tijd ligt achter ons,
in angst baren we het leven,
tussen geboorte en de eindigheid, we
zijn schepen van de hemel en op de zee,
we zijn het ontgonnen land, borelingen
uit de eierstokken van de zon en maan,
schepen worden kleiner, zeilen bollen
minder , wolken minder wit, hét
ontbrekende in volheid moet nog komen,
als in boezem van de toekomst en z’n
longen de zuivere lucht blijft stromen.
Verwachting stort gaten in het gewelf,
verschiet het licht uit de bronnen van de
wijsheden, omarmt het in eb en vloed,
schede en de roede tegelijk, we zijn de
barenden en de wedergeboorte in een hand,
als de tong op zilte lippen een bijsmaak
proeft van zelfbevruchting met onderscheid ,
verleidt door werelds vuur, ervaart als
in de adem van het “zelf”, overwintert in
de stilte van de tegenstand, als het blad
van de zuring in mijn mond verdort.
Onrust
Tergend langzaam wordt de horizon
begaanbaar, verbleekt de zwaluw
van de tijd, zwemmen deeltjes van
de regenbogen in een kortstondige
toevalligheid, zo die bestaat en smeekt
boven de graven van de herbezinning.
Kwinkslagen schieten flarden
in sluw geschapen luchtkastelen,
woorden ontlokken herinneringen
zomaar uit het niets, het blozen
van de aarde verbreekt in het
stille zwijgen van de maan, kan mijn
schaduw zo onrustbarend zijn?
Remedie?
Zinnen, geef mij je woorden
terug, huid van perkament
een lege slaapzak op de rug,
om inzichtelijk te worden
blindheid op het papier, het
wordt me aangepraat misschien,
geblinddoekt naar een einde
streven naar gelijke strofen,
waarvan ik de inhoud nog niet zie .
Ik me op de private tekst verlaat,
het ene dicht de ander toe in de
maat- en meetlint van de poëzie,
fluitend riet waar de wind van
de me toegemeten tijd in blaast,
steeds hoger en altijd gehaast,
reikt naar de toonhoogte van
mijn verdriet, een odyssee naar
een remedie tegen dyslexie.
Wieren en blauwe algen,
De noorden wind orakelt in
voordurende en duistere vlagen,
het getij is haar zekerheden
kwijt, vergeten de bekende weg
naar het strand te vragen. Er was
een tijd dat ik de zee verstond,
dat de golven wisten waar ze voor
stonden, ze redetwisten konden rij
naar rij, die oude tijd is voorbij,
het stuifwater roept nieuwe vragen
op uit het diepe van de gedachten.
Gevangen uit de wieren en de
blauwe algen, bollen tranen op
het zand van beide wangen, ze
verbleken als de zon verrijst
uit een lege schoot. Verlangens
versmelten in de nachten tot
echolood en waar enig houvast
nog te vinden is wordt minder
toegankelijk voor mij, wat achter
bleef wat ik op de vloedlijn vond.
Dromenmaker
De hoogste piek van berusting
zal ik niet bestijgen, ik blijf
steken op de klippen van
herinneringen, daar doemen de
schimmen op van het verleden,
peinzend tuur ik naar boven,
om te ontwaken - op de door
de tijd - versleten treden en
op een onbewuste regendag.
Ik verlaat me op de dromenmaker
die ik op de helling zag, galoppeer
langs alle versteende harten, om
uiteindelijk in de harde kern en langs
de doolhoven van de mijmeringen
te verdwalen. Ik scheer langs de diepe
dalen van goede bedoelingen, die aan
de voortvarende moed voorafgingen,
het euvel vermomd door het lange
zwijgen achter de vele maskers van de
dromen in een kleiner wordende paradijs.
Het mooiste voor een mens is,
“ te dromen met de ogen open”.
Shakespeare
Handgeschreven?
Als gedichten niet speelt met
akkoorden , als het niet tot
woordspel valt, waardoor de
spier in de harttaal samenbalt,
Als de dichter niet de toon verspreidt
als hij slaapt met vrouw, praat met
vrienden en eet met z’n kinderen
en zo de eenzaamheid vermijdt.
Als de dichter niet de aarde erkent
als duizendkoppige moeder, die al haar
kinderen overleeft,de wereld aanvaardt
die haar onevenwichtigheid geneest .
Als een gedicht niet schept de schramschap
te bedwingen van eigen onvermogen,
zolang de dichter schrijft, de lezer
leest en met hem de martelingen deelt.
Als wat -met hand en hart- geschreven werd
de ware kern niet raakt om het verleden
te hechten, weer laat verschijnen in een
beeld van stilte of steelt een ander geluid
uit alles wat toekomst heeft en dicht.
“ Pessimisten leven in het verleden, het zijn
de optimisten die de toekomst delen ”.
Voltaire
Vuurvliegen
Worden de zintuigen dood geboren,
licht verzonken in lege ogen, ontstaat
geen beeld om het leven aan te leren,
zijn de sterren uit de nacht genomen.
Geen benen om te dragen, het lichaam schiet geen
wortel uit de knieën om de wereld op te beuren,
er volgen geen zachte stapjes om de doodsweg
van de manen - in hun stilstand - te betreuren.
Een vuurvliegje dat haar stem niet kan laten horen,
de schelpen en de gangen van de oren blijven
verschoond van stilte en geluid, de vleugeltjes
dicht gevouwen, mondje zichtbaar zonder klank.
Geen handjes tastend uit te steken, geen glimlach
doet de harten troosten en waar de lichte adem
breekt, te rouwen in een ademloosheid en terugkeert
in de geborgenheid van een eindeloze regenboog.
Afdronk
Plotsklaps gebeurt het,
in een hand gebaar zijn
woorden geboren, je
verwacht ze niet, ze
komen daar waar je ze
heb verloren en waar de
maan gerijpt uit vloeit,
sprongsgewijs vallen ze
in het beproefde glas.
Zoals ik het drink , zoals
ik adem, later proef ik de
nasmaak wat ik geschreven
moet hebben. In een
vlaag van bewustzijn
valt de keuze in een vat
vol tekens die de stilte
verbreiden, keren in
een woordspeling tot
zichzelf terug in de
afdronk van de taal.
“ In elke taal ligt de beproeving
van haar betekenis ”
Stiltegebied?
Zullen we alles vergeten,
wat tussen werd verzwegen
in sprakeloze zinnen, zelfs
als we elkaar beminden.
Het licht van je ogen glijdt
langs de stiltegebieden van
schouders en de boezem
waarin we zijn verdwenen.
Laten we toch zwijgen, blij met het
eiland van de spraakgebreken, maakt
onze ruimte ruim en leerde ons te
spreken, te proeven en te ruiken.
En ieder fluisterend woord te kweken,
In elkaar te sluiten tot een betekenis
dat elke taaloefening zich baart in
stilte naar een nog hogere omhelzing.
"De stilte in de liefde is een
vriend die je nooit verraad "
Confucius
Tegen welke prijs?
Wie zoekt niet, met groots
allure, de mystiek van z’n
avonturen, uit ervaring van
verdriet en schijn?
Noortje zoekt het kleine,
verdiept zich in de echtheid
van de mensen, richt zich op
hun onontdekte schreden,
intuïtieve treden naar niet
bestaanbare mogelijkheden.
Ze betovert de aardse waarheid
met haar hemelse penselen
tot flonkerende stenen in haar
innerlijke kroonjuwelen,die
in schoonheid zijn veroverd.
Ze kleurt de weg van het hart
naar de ziel,langs het tijdswiel
van de wieg naar gene zijde en
creëert voor ons het paradijs,
een ongeschreven handleiding van
een levensreis, wie gaat er met
haar mee en tegen welke prijs?
Sluimerend ?
Het diepe ademen in
zo vele nachten, wat
naakt en ontspannen
in haar droom de mijne
onderzoekt, genezend
in een zucht en liefkoost
het avontuur van ziel,
en zaligheid, af te lezen
van haar rug tot aan het
voeteneinde en terug.
Ik voel me bevoorrecht,
angstwekkend kwetsbaar,
en wonderbaarlijk sterk
tegelijk , maar niet de
zwaartekracht maar een
zwaarmoedigheid verhindert
het vrije vliegen dan wel
het sluimerend gevaar van
angst, ik hoop die vleugels
te verliezen, voordat ik
zal worden afgewezen.
"Aureooltjes"
Klasjes kinderen rennen uit
school,parapluutjes werpen
schaduwen over zon en regen
en in het aureool van het
verleden, door met hun praatjes
de hemelen te bewegen wordt alles
gewist, boort hun schaterlach
miljoenen kleine gaatjes in de
plassen die aan het asfalt kleven.
Ver van de moraal van schaamte
in een boetelicht over werelds
arsenaal, steeds gelijk maar dan
wel in een andere taal, kleeft
verontwaardiging als stroop aan
een langdradige verhaal,de prijs
is vaak te hoog, het nieuwe
hoofdstuk van hun waarheid is
voor later tijd, maar is minder
zwaar in een nieuw gedicht.
‘ Kinderen zijn geen eigendom maar
aureooltjes van licht, waarin een
oneindige wijsheid brandt ’
Verteer de tijd
Verlamd door denken aan het leven,
kan ik de harde kern van dat gewicht
niet breken, een weg te vinden in stralen
van de zon, de maan schiet vol, het gevoel
lijkt hol, verwijdert zich uit de blikken
trommels van tegenstrijdigheid, de tong is
eenzaam als bagage in mijn droge mond.
Toch leef ik dicht bij het geheim, elke zet
die ik maak is een ontdekking in het
kleine die ik raak, in ieder woord leeft het
beginsel om zich uit te willen drukken in
een dubbelslachtigheid als leegte en gewelf,
Heel de wil en gedachten zijn ervan doortrokken, het
bloed ijlt door de longen om de laatste vezel zelf te
bevruchten van de levenshonger waaruit ik werd geboren,
verteer de ongedeelde tijd van de eeuwigheid.
Stroom door je longen
Bekers aan de overkant
gevuld met liefdeswater
tot de offer randen.
Door gouden regen
in jouw spoor gekomen,
geen tegenliggers.
Het paradijs is niet af
als er een mens is die lijdt,
ontdaan van angsten.
Vleugels van zilver
beelden ontwaken, eeuwenoud,
volg ik plichtgeraakt.
Gebroken kristal,
puzzel herschikt haar scherven,
uit beide ogen.
Getroost door winden
wanneer zij hun woorden wegen,
als vondelingen.
Maak geen woorden vuil,
reinig snaren van je adem,
trommels van stilte.
In mijn vissenkom
van zondvloed met z’n grenzen,
zonder ademnood.
Stroom door je longen,
naar de kamers van het hart,
wees toegankelijk.
De mythe van de muzen?
De allerhoogste graad in
een zin of regel, die geen
twijfel laat bestaan, van
wat ik zeggen wilde,
daarin zou nog menig
onversneden boodschap
moeten staan om al wat
mee - of tegenzat, uit
losse ziel geschreven,
uit ervaring of uit leed
of uit opperste geluk
bedreven, weer met
tol en taal betaald.
Verhaalt tot op het heden
braaf vanuit het gekuiste
dicht, blijf ik slaaf van literaire
daad, wars van moraal en
plagiaat, zich op het hele
scala van de negen muzen
verlaat, de mythe van de
eenvoud in de overdaad,
waarin ik hopeloos verdwaal,
meer was niet te geven, ik
vond het gewoon op straat
maar daar is mee te leven.
“Als de wereld begrijpelijk was,
zou er geen kunst bestaan."
Camus
Vondeling?
Ik werd door tijd en dicht te
vondeling gelegd, boreling
van stilte en gedachten die aan
mijn papieren kraambed hebben
gestaan, kon al begrijpen wat
de omgeving wilde verzwijgen,
zonder iets te willen missen,
zal verder niets ontstaan, wordt
er niets gedeeld uit oprechte
vragen die zich tot onbegrepen
antwoorden laten rijgen, dief
van alles wat ik geschreven heb.
Op eigen vlucht te gaan, voor
talent van achter tralies van
een gouden kooi, misplaatste
eigenheid, wat eerst lelijk leek,
werd ook weer schoon en lief.
Er is maar één leven te slijten,
waarop de toetsen zijn geplakt,
wat ik eigen wijze bespeel anders
raak ik de draad en de essentie kwijt,
waaruit ik de levenszin bewoon ,
vertel de strekking uit een ander
perspectief, zonder de tong en
draak te steken met de taal die ik
omarm, deel en die ik ademhaal.
Morgendeken,
Blouses in de warme wind
gevuld als bollend zeil,
bezeilt de zon , haar naam
tussen huid en hemel,de
eclips van het bestaan
ontstaat de blozing van een
omhelzing, kom in de armen
van het windekind wat tussen
witte donzen en naar naakte
wolken voert zich tot een speelse
lichtval om de monden spreidt,
de bron van oorsprong tot een
brede glimlach heeft geleid en
naar de vlinders in mijn buik, die
paren onder de morgendeken, hun
vleugels verleiden en ontvouwen
tot een zwanenzang met elkaar,
jarenlang tot op een gekozen dag.
“Uit het niets”
Uit twee ongelijke
stenen vonken van
vuur, ontstaat de
pijn en warmte waar
jij op mijn huid ontdooit,
al spelend plooit een
naam zich tussen navel
en je haar,proef het
vlees en bloed, daar
waar ik de onzichtbare
tintelingen vermoed.
Overloop het water op het
late uur of in zeven sloten
tegelijk, waarvan waarachtige
rivieren blijven stromen,
verwachting uit het niets,
dan te dromen dat die
ene dag nog moet komen.
Mildheid?
In de klimmende jaren moet
veel worden losgelaten in de
verwachting dat verlangen en
geluk, zorgeloos en duurzaam
zijn, een zonnig mild klimaat,
een omhelzing als warme deken, de
lauwerkrans na elke ontdekking
Het voert langs de verzilting van
mentale aanslagen, die naar gelang
de ervaring duurt, vaker de
levenslang onbeantwoorde vragen
bij zich dragen en littekens
achterlaten in de ziel met haar
wonderlijke inblazingen.
Het is slechts een uitstel, het raakt,
maakt alles en iedereen relatief
gelijk, waarin een rusteloze
heimwee broedt, een symboliek
in de betekenis van de zoektocht
naar de bron van het vruchtwater
waaruit ik vertrok en later met de
ballast van mijn wetenschap in het
ransel, wat steeds zwaarder woog,
- gemeten naar de geestelijk afstand -
zich naar het einde spoed, de mildheid
te ontdekken van de schoonheid in
“ het thuis komen “ zoals het gisteren
was en morgen had moeten zijn.
Woordsporen
Gedicht in balans,
staan zinnen open om zich
verplicht te dopen.
Paspoort van poëzie
voelt zich een verstekeling,
met of zonder gezicht.
Na de woordsporen
kwamen de maskers tot leven,
weer doorgegeven.
Muze is lijden,
schaduw zien aan gene zijde,
nooit ziet men het geheel.
Ontdooide teksten,
ontplooit zich in de breedte,
oneindig even.
Dwaler?
Over toppen van de
duinenrij, stampt ze de
schelpen fijn tot nieuwe
paden, de wind borstelt
de helm en het golvend haar,
gebleekt door zilte zon
en het natte zand, waaruit de
meeuwen van haar dromen
zijn voorbestemd, zij stijgen
met elkaar naar hogere
regionen, verre uithoeken
van de ‘zielezeeën’, zich
van geen kwaad bewust.
Zonder aanstoot ‘des persoons’
vliegt al wat lief en toekomst heeft
met haar mee, het zout stolt de
sproeten op de wangen van die
kleine dwaler aan de kust, ze klapt
het kristallen gruis van jurk en handen,
de parels van een groot verlangen, zij gaat
verder in weer en wind, door menigeen
bemind, langs wegen waar ik haar niet
kan volgen en waar geen mens haar vindt.
Ze heeft het overwogen in mijn
gedachten te verblijven, toch niet
gezwicht of heb ik mij dat slechts
verbeeld of voorgelogen, mijn leugen
is verdwaald in het eerste morgenlicht.
"Als het ijs is gebroken"....
Vergeefs begeerde zekerheden,
beroofd van een duurzaamheid als
er slechts één gezichtspunt is,
heeft dit geen gewicht, van de brug af
gezien als die is opgehaald,heeft dat
een rede, het herkent zich in vele
vormen, soms argeloos en naïef, het
stroomt als troebel water, het heeft geen
heden, maar ook geen toekomst meer.
Een oneindig spel verbindt de tijd en
maakt zich meester van eentonigheid,
of het naar links of rechts is, het
blijft gevangen, verwezenlijking naar
het verlangen de middenweg te kiezen
wat onontbeerlijk scheen, lost zich
op in een panorama van het gevoel,
soms wild, soms sereen,een doel zo
aards, wat bij tijde weer verdween,
spiegelt een stukje geluk in op -
lettendheid gevangen, een magisch
licht die de tederheid omspoelt en
lopen we over de dunne vliezen van
deze wereld, als het ijs gebroken is.
Bruidsbed,
Het stenen bruidsbed
in haar erker werd
overwoekerd door de
wildste verwachtingen,
de heemtuin aan haar
voeten spint de draden
van emoties in verlies
van het frêle wezen, ze
zag hoe het kroos de vijver
sloot in de kleine ruimte die
haar groene kerker bood,hoe
het water de toekomst ving,het
niet ververste, erin bevroor.
Uit de penselen van de tijd
vloeide ganzenveren, daarmee
probeert het tij te keren, op
het kussen schildert ze de
idealen, het emaillen ijzer van
de bioklok toont de barsten,
worden wijzer,de haren grijzer,
verliezen hun betekenis, uit
de poriën van herinneringen
drupt een milde beek, de bron
verheven tot een ware kunst,
waaraan een traan bleef kleven.
Dagelijks brood?
In het beloofde land tasten
de eenvoudigen van ziel in het
duister, ze zijn de daklozen
onder de purperen zon en zijn
allang de goddeloze beloften
moe, papieren regels rotten
in het hout, een leger wormen
splijt de houten wereld open,
bedekt het labyrint van de aarde
met hun koele maskers toe.
In de vlijt van alle gestorvenen
treft alleen de hoop geen verwijt,
de nachten woelen twijfels bloot,
er lekken onrijpe vruchten uit de
hemel en door de gaten van het
firmament om door de ‘onkreukbaren‘
- met integere woorden - te worden
bijgezet als hongerige wolven.
In het holst van alle dromen valt
de wijn en het dagelijks brood
in de mond van de morgenschoot.
Herinnering aan morgen….
Vergeet je heemtuin niet,
onderga de vergankelijkheid
in alles wat er is, versta de
schoonheid in elk segment
van wat je vergeten bent,
verteer de wisselwerking
die een omhelzing biedt,
eet uit de hand van de
betrekkelijkheid in het licht
van rozengeur en maneschijn.
Verdrink in het zoet van de
vergeten wijn wat door je
aderen stroomt en in alles
wat je vergeten was, maar
uit je hart en poriën bloeit,
herkenning wie je werkelijk
bent, onbot je fluitenkruid,
laat mij dan om een windvlaag
wensen over het neerbuigend riet,
die op de tonen van herinneringen
in de toekomst speelt, met je
deel in elke vraag.…
Noorderzon ?
Ik wil niet lijden aan
een verwachting, die
de geest verwart,
vermijd de pijn,
schenk je zuurstof
uit de beide boezem -
kamers van het hart,
de ene kamer net gewit,
de ander zwart, die de
nachtrust tart, over de
rouw maar te zwijgen.
Streel je wakker in het
morgenlicht ,onderzoek
wat je hebt beslist,ik
vervloek de gisting tussen
de engel en de sater,waarin
je z’n makker werd.
Ik verdoof die met een
duivelse list, die deze
stalker bewaart in eigen hoofd.
Ik zal de Satan te grazen
nemen, met wie jij op moet
trekken, schep genoegen in
die daad, om die grauwe
sluiers in je hoofd te wekken,
ik laat hem met de noorderzon
de benen nemen,
zonder traan te wenen.
Kluwen?
Haar wereld geprojecteerd in
het prisma van een druppel dauw,
balancerend aan een wilgentak,
trouw bleef aan een voorbestemde
sprong die ze afwoog tot haar horizon.
Een vlinder die ik wilde vangen in
een gesponnen web van woorden
en verlangens, die ze begreep maar
ontweek, voordat ik sprak.
Een kleine vlieger, rustend op de
frêle schouder van de vrijheid, tegen
het contrast van het firmament verkend,
ontrolde ze het ragfijne touw van haar
dromen, waarna zij - voor mijn oog als
toeschouwer - de "gedachten kluwen"
ontrafelde en de binding verbrak.
Onvoorspelbaar ?
Lichtfontein is zij,
tinteling op koele huid,
dorstig mijn lippen.
Schoonheid overal,
drinkt van de eeuwige bron,
naakt en verwonderd.
Stemmen in het bloed,
schrijven namen in vonken vuur,
nu, morgen, voorgoed.
In huid, ziel en hart
werd alles me ontnomen,
geproefd haar vrije uur.
Lopen op water,
het maakt de dag weer open,
speel met lopend vuur.
Jaren zonder gewicht,
beschouwing van verlichting,
onvoorspelbaar dicht.
“ zinnen overstegen “ ( 2)
Jutters aan het zand,
hun netten worden mager,
wie de vis, wie de jager?
Ververst z’n branding,
springvloed bruist in lege mok,
de getijden vol.
Uit een vergezicht
laden wolken hun gewicht
in waterkruiken.
Golven schuim vergruisd
als wolven achter schapen,
slapen onbevreesd.
Beeldspraak van zwijgen,
meeuwen bestijgen winden,
als pioenrozen.
Golven dringen aan,
miljoen druppels in de oceaan,
verdelen water.
Zeeën als muze, te
weinig tijd het te bevaren,
zeilboot zonder kiel.
Acryl blauw water,
zijn huid is transparant,
ziet zijn bodem niet.
" Zinnen overstegen " (1)
Onbedoeld verzand,
ebt de zee langs mijn voeten,
vol zomersproeten.
Scheidslijn van de zee,
kleur op canvas getekend,
teer onder schoenen.
Vandaag weer gevoeld
of heb ik me dat verbeeld?
Door zout gewassen?
Groene maatjes,
schubben van volkomenheid,
zilte herinneringen.
Krab trekt zijn vloedlijn
zolang zijn scharen schrijven
tot aan mijn horizon.
Hemel ademt licht
laat de stilte stromen,laat
haar zinnen wegen.
Waslijn ?
Geschreven op de zelfkant en
het valse plat der aarde, vallen
teksten over de krommingen van
de snaren van een denkbeeldige
regenboog , worden de kleuren van
de toekomst gerangschikt en geboren
naar de toonaard van de beeldspraak
in een wisselende moraal .
Geketend aan het prisma van
voortschrijdend inzicht,uit de
plooien van het bewustzijn stromen
tranen naar de horizon, worden
residuen van eigenwaarde uit het
duistere slib gezeefd, gebleekte
schuim van de blauwe oceanen en
de dartele dolfijnen van de dromen.
Tegen het licht van ontelbare zielen
die de fluwelen kosmos tot een vrij
gebied hebben verklaard, draaien
landen om hun eigen as om een
nieuwe taal te kiezen die ik hun ogen
las om zo de geschiedenis te herschrijven ,
ofschoon die al begonnen was, om
alle stof van verwachtingen te malen,
tot vruchtbare inkt, die zal drogen aan
de waslijnen van de hoop, wachter van
een onuitwisbaar - en resistent geloof.
Wortels
Het bos vergroeit
door inspanning,
daarin zweet het
mos, groeit dicht,
het blijft bestaan,
de adempauze heeft
het uitgeput, het
bloeit en verdort,
het past zich aan,
het licht wil niet
dat z’n takken breken
in de wind, hoor
hem smeken met
de droge lippen.
Een poging om zich
uit te spreken in een
zon beladen droom,
wordt het begraven ,
in de zoom van het
getij, waar het z’n
voeten heeft geplant,
proeft het van de
natte klei, waarop
de groene zoden
waken, gevormd door
de wortels van de
tijd, die het zoeken
naar de doden
heeft gestaakt.
Verveloos?
Muren als krantenpapier, verdroogd
en blootgesteld aan noorder winden,
het kind gespeend van een tastbaar
evenwicht, vergroeid met het grint
en de vrije distels op het speelkwartier
taant de toekomst in zijn overlevering .
Het daglicht in de duisternis maant
tot willekeur en schemering,de schaduw
valt over het ontmantelde huis, waarvan
alleen de trap nog over is, de laatste
stap te wagen over de verveloze treden van
de wereld, het verleden is getekend in een
voetafdruk van gebladderde vernis,alleen
de herinneringen en pijn blijven vers.
Jongensstrip
Uit haar schoot weerklonken
sirenen, gezang zonder
woorden, stapte ze uit
haar ziel, wenkte met de
ogen en haar lippen - vast
besloten, alsof ze mij haar
zegen gaf, “ Wacht met
wikken niet te lang, er ligt
een niet ontdekte vrucht te
rijpen met een honingzoete pit."
Die kunnen rotten als je het
juiste woord niet vindt, maar
zullen botten, als de meditirrane
wind mijn kust zal geselen in het
decor van wijze cipressen in
het verlangende zomerlicht.
Nog zijn de ranke baaien half
gesloten, ongeschonden,de juiste
sleutel ligt waar je ankert, de
lust te lessen in een gedicht,
ver voorbij een denkbeeldige
voorstelling, geknipt uit een
beduimelde jongens strip en
gevonden op een boekenmarkt.
Profielets,
De dood is een omhelzing
van de wind, ook voor een
pad op zijn tocht,waarvan
de vleugels zijn vergaan
tot plant, geëtst in steen,
een zwart altaar waarvan
in ‘natura‘ niets in
onbruik is geraakt.
Zijn aard en meesterschap
door tijd de perfectie heeft
vervolmaakt, blijft hij dichter
bij de aarde, profiel van een
ziel die ongezien liet weten
waaraan het is doodgegaan,
vergankelijk, los en wars van
alle wetten, boodschap
die blijft voortbestaan.
Stille wijsheid (2)
Verstild hoofd, zo stil,
ondanks ik altijd
wat denk te horen,
onwetende geluiden
kwetsen dovemans
oren en de blinde
vlekken op mijn
geestesoog, worden
helder als de woorden
gestorven zijn op de lippen,
geketend door de muilkorf
van verwachtingen.
Berusting, wat ik zoek,
verlamd en overmand
door de beeldspraak
van de kleine ruimte,
als een willekeurig
opengeslagen boek
laat ik dingen maar
die om een antwoord
vragen, die komen niet,
lichaam in het ongewisse
zover het zwijgen reikt,
stille wijsheid laat niet
zich in een illusie dragen.
Heemroos,
Hier ligt het voorwerp,
lijdend van een lang
bezinnen, koos het gezegde,
geen deelwoord onvoltooid.
Nog voor de stem in zich
wilde verheffen,werd hij door
on - en overmacht gekooid,
verwoei op eigen kracht een
frisse wind die hij had gesticht.
Een lichte welving in het aards gazon,
schildert teksten in het heem die ik
in elk seizoen beween, pluk het als een
heemboeket, waarin hij geleidelijk verdween
daar ruist zijn rust in een oneindig gedicht.
"Denkend aan een (h)echte vriendschap "
Foto: Roos.
Broedplaats ?
Berusting zucht
uit de geur van
verse grond,
houdt het
verstilde blad
omhoog,
onophoudelijk
stroomt bloed
door de navelstreng
van tijd, niet
vergeten het verdriet
dat ik als
kinderbrand ontstak,
blijft vonken in
wind en regen,
een broedplaats vind,
lang verzwegen.
Gerecycled?
Vandaag zag ik mijn
jeugd terug en de
achterkant van een
defilé in een
herkenbare zetting.
Ik bekeek mijzelf
als een stapel oude
kranten, waarop de
smid met zijn hamer
en de zegen rust en
de tijd verslaat op het
hete aanbeeld van de
waan, daar gloeit in de
nachten de blaasbalg
van het nieuws weer aan.
Die mijn wereld verpakt
in cellofaanpapier en
in gerecyclede dromen
die nog ter perse moeten
gaan, waarvan de inkt
maar niet wil drogen.
Beknotte vrienden?
De beknotte wilgen, zij
hebben alleen de sloot ,
geen tint die meer verkleurd ,
geen kroon om mee te pronken,
geen blad zal nog vallen, geen open
armen om te verheffen, speling van
het lot om te beseffen dat het houten
hart werd weggeschonken, de vermolde
geest is verscheurd, rest een treurige
verveling tot aan de dood.
Mistflarden besluipen ze en sloopt
ze tot aan de magere tenen in het
griend,in een andere vingerzetting
komt de botte bast tot groei en
opeens staan ze er weer als een
oude vriend, naast de statige
kurassen van de slome beuk en
de drukke eik, beneveling snelt
door hun trotse tooien en komen
de stille graven weer tot bloei.
Synergie,
Wespen larven wentelen
zich in de palm van een
espenblad, de synthese
laaft zich uit de palmen
van het hart, tonen van
een groene synergie van
stilte.
Van niets te leven dan
van de lucht en van de
zwijgzame schoonheid uit
de aarde om weer tot
humus te vergaan, waaruit
een purperen zon hem baarde,
de vlucht te vinden in het
ruisen van ontelbaar blad,
energie geladen in de lichte
nerven van hun dromen.
Stuifzand
Ruist de mottige regen langs de schaapskooi
van mijn wollige verwachtingen, het priemend
daglicht is schreiend heengegaan,uit de sikkel
van de maan welt zijn allerlaatste traan.
Daaronder op de grote stille heide kuisen kuddes
schapen de braakliggende taal , ontsnapt en aan de
herders van de ledigheid, ten prooi gevallen aan de
zwarte wolven en getapt uit het vat van deemoedigheid.
De trotse dag loopt op z’n laatste halmen en begraaft de
aardse vuilnis achter zich, laaft zich aan de transcendentie
van de nacht, breekt in duizend splinters, verwaaid
tot sterrenstof en stuifzand in de ziel van mijn gedicht.
Globaal of alleen verbaal?
Globalisering?
grenzen op een kier, wie laat
de tolbrug zakken?
Papieren humaniteit,
mozaïek wordt nooit transparant.
barsten in haar voegen.
Oude wereld haalt
de bruggen op, ademen
mussen dan vrijer?
Zinloos geweld perst
verwachting en schrale hoop
tot bittere sappen.
Vrouwen, kinderen
weven dromen, waarover
de wereld struikelt.
Religie wentelt zich
in ethiek, haalt haar vangst op,
oogst is ondermaats.
Geur van pijn
Wat vrij leven is voor mensen,
en lucht en ruimte laat voor vogels
bestaat zich daarin vrij te wensen,
wat de oceaan is voor de scholen vissen,
vergaat in onuitgesproken woorden,
resoneert in kristallen stemmen die
voorgoed gebroken werden, naast
al het bloed dat werd verspild.
Blijft het hangen in een geur van schijn ,
houdt dat de deksel op de wensput van
het verlangen op een kier of valt hij dicht,
zonder dat te noemen is het de grootste
pijn of straf, of lopen we voor beide weg al
horen die eenduidig bij elkaar, worden we dan
bestempeld als moedig of een beetje laf?
“ Geen grotere bedreiging
dan monddood zijn ”
Sophocles
Waarachtig?
Wanneer ik morgen sterven zal
mijn zoon, word ik dat kleine kind,
die allerkleinste jongen die je in je
armen neemt, vervreemd me niet van
een innige wens te sterven in mijn
eigen huis, als ware een waarachtig mens.
Ontkleed me van angsten als menselijk
wezen en leg mij in het oude ledikant ,
waarin ook jij geboren werd, vertel me
je verhalen als ik eens weer wakker word,
zodat ik weer kan waken en zo het tijdstip
van de dood wordt opgeschort.
Laat me varen in jouw dromen, totdat die
dag aanbreekt, te denken aan de bloesem is
haar zien en ruiken, letterlijk te proeven van
de geleerde vruchten in hun rijpere betekenis.
Waaraan jij nu moet wennen, vertrouw op je gevoel
als zachte vlinders de verloren adem van mijn
ogen sluit, dan voelt mijn lichaam de hinder van
de werkelijkheid niet meer, die we kennen als
de waarheid en samen hebben ontmoet.
Deels vertaald uit : Fernando Pessoa´s,
`Quando eu morrer, filhinho`
Solidair ? ( naar aanleiding van de ziekte van Fanny)
Er komt weer een klein beetje geluid uit, nog
niet voldoende om het hele verhaal te vertellen,
dus dan maar even via dit gedicht, verder moet
je mij niets vragen, ik zal het maar eenzijdig
beschrijven, de update van de afgelopen dagen.
Onwerkelijk als je lange dagen je stem moet missen,
het valt me nu pas op hoe vaak ik eigenlijk iets wil
zeggen,wil reageren, wil delen met de mensen, dat gaat
dan niet, want de juiste toon is weg. De gesprekken in
de gangen gaan langs mij door, door de beperking,
sta ik buiten en er even alleen voor en loop ongemakkelijk
in hun verbale spoor, het enige wat mij nog rest is het
te laten gaan, misschien - voor mij - de ultieme test.
Hoe meer men helpen wil, hoe meer raak ik gefrustreerd,
in woord en zinnen val ik stil, verlengstuk van mijn
levende gedachten, men moet stoppen met de
verwachting anders wordt ik gek, naast het fenomeen
dat mensen fluisteren of zeggen helemaal niets alsof
ik een overdraagbare ziekte heb.
Mijn houding resulteert in consequenties, nu vraagt
niemand vraagt mij meer wat, men wordt onzeker en
ik word een toeschouwer van - mij eigen komisch -
en werelds onvermogen. Ik heb het masker opgezet met
de oneindige glimlach van de Boeddha in de hoop alle
overtollige vragen te verdoezelen.
Ik val stil bij de stilte vanzelfsprekendheid die mij
bekruipt, een vorm van angst die binnensluipt dat deze
stilte blijvend is en bij het idee dat mensen permanent
niet meer worden gehoord en definitief buitengesloten
zijn, om in vrijheid hun gedachten te openbaren - en
van buitenaf - in de kiem worden gesmoord.
Het maakt mij - vanuit mijn tijdelijke ongemak – solidair
met iedereen die niet openlijk spreken kan of mag.
Broze schaal?
De zon bebroedt de klei en aarde,
stileert de broze schaal van eigenwaarde,
op haar wolk speelt een ongedwongen kind,
wordt geraakt door het gevederd licht,
als duizend lampionnen in het duister.
Tijd verschuift het zachte dons, bepaalt het
gewicht uit de ruïnes van het verleden en
steelt voedsel uit de harten van de hemelkar,
waar starre blikken worden versluiert, breken
vonken door, geheeld door bloesemgolven
uit een veilige kudde lammeren, die het land en
zee bezetten, een witte meeuw vangt de zilte
boodschappen als broedsel uit een vorige eeuw.
Slechts een silhouet ?
Ze is slechts een silhouet,
duivels spel in avontuur,
hierin werd ik overklast,
recht door mij en puur
in mijn gevoel gekrast,
haar schaduw kleurt de
graven wit, komt helder
dichterbij, ik schilder mijn
ruimte op het broze pallet
van onstuimige eerbaarheid.
Ik strijk mijn streken met
een droge kwast, lees de
verlichte tred in de ravenzwarte
ogen en word onder een steelse
blik van meewarigheid begraven,
ze steelt papavers uit de sterren
van haar figuur, tomeloze last van
weelde in een aansprekelijke natuur,
die ze eerst met me deelde en ik
vrijliet door haar persoonlijkheid .
Betekenissen van tijd
Zichtbare lente heeft
de kussen geschud, herboren,
sneeuw in morgengloren.
Merkstenen van leven,
bottende knoppen, schoonheid
in versteende kruiken.
Rijp in de toekomst,
streling van betekenissen,
bekleedt met woorden.
Met alles of niets
vergelijkbaar in beweging,
er is niets dan tijd.
Rand van het getij,
vrijheid in zeeën van azuur,
uit flarden nevel.
Foto : Pama, Paniche (PT)
Klein erfenis,
Ik heb voor mijn beminden het
laatste en het mooiste bewaard,de
geur van regenbloesems uit de linden,
of uit de krakende kruinen van een
populier, boven de onverstoorbare
stemmen uit de vlier, ontstaan uit
de hachelijke momenten van twijfel,
het verraad gelost door spits-
vondigheid, door lief en leed in
onderscheid, het evenwicht bewaard.
Aan de zoom van bos en akkerrand,
ongelijkheid rug aan rug op de mentale
barricaden gestreden in de vele zinnen
van een enkele oogopslag, uiteindelijk met
lege handen de dotters tellen aan de waterkant,
waar dove netels, uniek in hun soort,
zich naar nieuwe wet en zin vertalen en
zittend op de blaren zijn achterhaald,
ergens tussen de geboorte en de dood,
wat zich in de geschiedenis herhaald.
Het levenslicht als een broos geheel,
waarin de essentie werd uitgevouwen,
verval gekozen uit diepe pijn zonder
daarover lang te moeten rouwen, maakt
een einde aan jarenlange sleet, is mijn
tijdperk gedoemd tot verder snoeien?
Omweg en ik viel stil,
Het pad in de heemtuin liep dood,
heb het zelf zo willen kiezen,
om uit alle omwegen niets te
verliezen, er is geen voldoende
tijd meer om te belopen, we
komen elkaar wel ergens tegen,
een kringloop niet van willekeurige
gevaar ontbloot, ik tors het kruid
van marmeren zerken, deemoedig
mors ik de verweerde letters waar
de levens bewijzering voor staat.
In het voorspelde rood der rozen, wat
knellend werkt in het spel van minnekozen,
vervloek de dreiging van de overmaat
waarvoor de tijd ons liet bloeden, om
naar een bodemloze schat te graven, of uit
de rusteloze ziel en of daar nog wat uit te
winnen viel, wil ik in mijn denken zwijgen,
ontdek hoe weelderig gras zich opnieuw tot
dwaze dromen rijgen, pas daarna viel ik stil.
Bij het krieken…,
Kan nog steeds niet zwemmen, eb
en vloed vloeien mij te vluchtig,
vermijd dat ik staar naar de navel
van de onvoltooide tijden, waaruit
mensen hun kansen haakten uit de
lentezon, schaduwen getooid met
gekleurde linten, geschetst in
aquarellen van hun vragen, waarin
schade en schande ballancerend werd
gedragen op een zilver blad, in het
glinster van de ochtenddauw en feeën
op glazen spitzen, medeleven stelen
uit een hemels – en manshoog gras.
Delen speelsheid met libellen naar
believen op het aardse heem, op de
tere vleugels van verdriet, intiemste
verhalen aan de modderige oevers van
de realiteit en de waterplas, waarmee de
zijden kousen van eerbaarheid werden
betast, kleine mensjes vol met gaatjes en
schrammen door de doornen van tijd.
Gehouden tegen het van het licht van
hun weerbaarheid als zure morellen die
te vroeg werden geoogst, had ik het maar bij
de prille bloei gelaten zoals het was,waren
zoveel zouten tranen niet vermorst, opnieuw
te kiemen als ik eerder was getroost.
Foto: Pama ( ontluikende citrus - Od/Pt )
Boezemkamer.
IJl spinnenrag vangt stemmen op,
uit de nissen van de boezemkamers,
levend stof opgerakeld door mijn
adem,al hoewel ik lang vertrokken
was, blijven er vage afdrukken achter
op een leeg matras en in alle vragen
die je in de spiegels van mijn ogen las.
Op die dag hoef je mij niet meer
te zoeken, op de beslagen ruiten
verdwijnen contouren, de wasem
van gebeurtenissen één voor één,
een goede beurt maakt de ruimte
vrij van stof en opgelopen averij
waarin mijn blik voor het eerst
in jouw schaduw verscheen.
Een tocht door de verveloze
vensters van mijn wereld, ik ging
op stap door een duistere nacht,
jouw schaduw ontsnapte op z’n lemen
voeten, was ik benieuwd voor welke
dwangmatig macht ik moest boeten,
in welk nieuw gesponnen web ik strand.
Om een hart met uitzicht te bewonen,
waarin zuurstofrijk bloed de kamers geneest
en blijven vullen, het meest naar eigen bestwil
te luchten met een onbezwaard geweten,
onbevreesd me van het juk te ontdoen
van spiegelbeelden die niet smelten
wilden, daarvan geniet ik nog het meest.
Identiteit ?
Vanuit een trage schoep
van tijd en lentewinden
reiken bomen slapend
naar elkaar, gras groeit
alleen op zonnedagen,
emotie rent als kippenvel
over vlakten van de aarde tot
aan grenzen waarin mensen
zich herkennen.
Tekent de passie uit het bloed
van oude eeuwen, mozaïek over de
grond gezaaid als duizend sterren,
gekleurde lampionnen waarin de
horizon voor liefde gloort, waarvoor
de kampioenen streden, bijgezet in de
adem van het verleden, gebalsemd
in een lange zucht van zwijgen.
In de prikkels van “ het zijn” waar de
dood zijn daad al klaar heeft staan,
soms onbedoeld, verlangens voor de
onvoltooide wijze, een niemandsland,
in angst om niets te willen missen van de
onvolledigheid, tegelijk begerig naar
het leven wat zich misschien ten goede
heeft gekeerd, maar altijd in beweging,
en nooit ‘af ‘ gemaakt en weer verleerd,
waarin zich ‘ het zelf ’ met een ruimer
inzicht heeft geïdentificeerd.
Uit “Sein und Zeit” (Heidegger)
Foto: Pama
Franciscaner klooster
Mourão (PT)
Ben ik resistent?
Vanuit verloren stilten,
boren miljoenen vragen
zovele gaten in gordijnen
van het paradijs, steeds meer
licht priemt door onwrikbare
schaduwen, waarin onmacht
wordt beleefd, wanneer het
verloren bloed door de mazen
van de schijn is weggevloeid.
Er kleeft smart van het geweten
aan ieders handen, geronnen in
de harten van rechtvaardigheid,
geketend in peilloze plooien van
het boetekleed, om het brood en
spelen aan mijn vrienden te uit
te delen, soms aan één, maar soms
aan velen, het frêle lichaam van de
berooide aarde door latere ideeën
te zijn getroost en nagestreefd, wordt
mijn kiemgoed dan wijs en resistent ?
Korzelig ?
De luie dag is weer gekomen,
mijn blik op de tijd is weids, ik
peddel fietsend huiswaarts om
verder uit te dromen, neem afscheid
van het korzelig zand, het duin en
horizon zijn beknopt, de lucht gefopt
door wolken bijeen gedreven schapen.
Ze gloeien en worden rossig wollig
vanuit het oosten, een brutale
meeuw die mijn teksten overstijgt,
roept mij na wat ik heb verzwegen,
de morgen zwijgt, in alles wat ik heb
geschreven, haalt z’n lege netten
op waarvan de mazen zijn verstopt.
Wieken van de stilte.
Talloos het geluid
waar mens en macht de degens kruist,
ruist de kleinste twijg.
Veulens van de morgen,
emoties van de leegte,
hoefslag in de wind.
Kinderen uit sagen,
verstillen dictaturen,
model van hun gelijk.
Molens malen meel
verrijkt het goud uit aarde
in een ongelijk deel.
Fossiel gelaagd steen
zover de stem kan dragen.
over eeuwen heen.
Tijd vertraagt de dag
op wieken van de stilte,
zonder vooroordeel.
Echoput?
Zo maar gelaten, een
ongemeubileerde kamer
met de gordijnen dicht,
kieren zonlicht in de
leegte waar het evenbeeld
van achterhaalde motieven
op verbleken, bloemenop
het behang waarvan de wind
de waarden heeft losgerukt.
In een laatste groteske snik,
de neuzen tegen de beslagen
ramen drukt, zich naar binnen
keert en aan de halsband van de
onuitgesproken waarheid rukt,
gemakshalve maar vermeden
in de echoput van pijn, is
derhalve nog zwak uitgedrukt.
“Jouw omhelzing,”
Stromen Fados en brakke
tranen glijden langs haar
wangen, vloeiend goud
van de Taag, druppels
gloeiend klaaggezang
verheffen zich in het hart,
laat het sneller kloppen
aan de oevers van mijn
zwanenzang en in de snaren
van de ziel, door de magie
van klanken van alledag
tot elkaar verbonden.
Het heeft mij verslonden,
veroverd met huid en haar,
geketend sleep je mij naar de
spelonken van meedogenloze
melodieën, waaraan niet te
ontsnappen is, laat me branden
in je vlammen, die dansen op
akkoorden en waar ik niet vanaf
wil vallen, behalve als deze
breken, dat is uitgesloten, ik
blijf met jou verbonden, de tijd
was kort, die me was gegund, ik
ruk mij los van jouw omhelzing,
als ik dat had gekund.
“De avond van vertrek om
nooit te vertrekken.”
Pama
Saudade 5 ( Adios Lissabon)
“Bacaljau"
Ik moest wennen aan de zon,
aan de smaak van bacaljau,
volksvoedsel in alle geuren
van de ‘coleur locale’, en aan
de moderate stijfsel van de altijd
aanwezige was in de nauwe
stegen, die als grauwe voile aan
een schaarse hemel, ontstegen aan
de mediterane rouw en tijd.
Caroteen zich clustert in bladders,
naast het blauw op oude gevels
en in de felheid van ‘gitane
blikken‘, die ik in ieders ogen las,
pathetisch spel, in het ontembare
passionele tempo van het bestaan,
in de strikte danspassen van een
geliefde, flamboyante beweging van
haar eigenheid, gefundeerd in stemmen.
Het ongeremde staccato van de
onverzadigbare, doch rijk geaarde
snaren, overstemt een onderliggend
religieuze gevoel als zondeval, de
tragiek - naast een verheerlijkt,
maar vaker een gelouterd leven,
dé toonaard vanaf de geboorte
tot aan het reeds geopend graf, een
immateriële heimwee die zich in de
zielen hecht, theatraal geopenbaard
misschien,eentje met een echte waarheid,
onafhankelijk welke religie je belijdt.
“ Ik hoop, dat je eenzaamheid je mag
aansporen om uit een eigenheid voor te
leven en voldoende blijkt om voor te sterven.”
Fernando Pessoa
Mijn pleit beslecht?
Zinnen, geef mij zinnen als
het gulden vlies om mij heen,
onzichtbare deken van een al
betreden toekomst lijkt eerder
dan voorheen, valt te hopen
dat de nachten sneller vallen.
Vooruitlopen op de toekomst
zonder kwetsbaarheid, word ik
hoge priester in de schreden van
de lente, snoer ik onuitgesproken
woorden om mijn lijf tot een
midddel, waarmee ik het vege
leven rek tot in eigen vooroordeel.
Te kiezen, te delen om mijzelf
weer te verliezen, maar wat geeft
het, want ik lijk – in de verte –
niet op de mensen die ik kende,
waait het stof op van alle dagen
en slaat de tijd terug, zonder
dat ik weet waarheen.
Ben ik het groene gras dat door
de wereld wordt begraasd met een
brok van onverteerde waarheid in de
keel ? Het licht wordt stil omdat het
woord zwijgt, zal ik opstaan als het
duister stijgt en zal ik spoedig opgaan
tot mijn pleit is beslecht ?
Saudade 3 ( de heimwee van de ziel )
Schrander dier?
Verlaten dier, treedt
uit je schaduuwen,
wat zit je nog
te mijmeren hier,
er is brood, er zijn spelen,
loop niet in dood in je
levensspoor je lot achterna,
je verlangen versleten
tot schrander dier.
Het is om even hoe je
mag heten, toch
zal ik je strelen, om
zovele dromen met je te
delen, de zwakheid
van je kracht, tot mij zal
blijven spreken, tot je
droeve ogen zullen breken,
in een morgen of in de pels
van een nieuwe nacht.
( Saudade 2, groet uit Lissabon )
“Saudade” ( Heimwee van de ziel)
De dichter wendt het slechts voor,
hij veinst zichzelf door en door
dat hij voorwendt zelf de pijn te
zijn, een gewortelde gevoelde pijn.
En zij die lazen wat hij bedoelde,
zich invoelt in de gelezen pijn niet
de twee waarvoor hij geleden had
daarin ook de hare niet kon zijn.
Hij rijdt op zijn rails in 't rond,tot
groot vermaak van de bourgeoise rede,
een speelgoedtrein uit de volkse mond
naar het " dichtershart" gemeten, de
smart verweten aan zijn brandende liefde,
een levensveer die brak en hem verslond.
“ Vertolkt en vertaald uit de
volksmond van Lissabon”
Conflict?
Evenwicht in het extreme
de wereld uitgesneden,
langs sjablonen van het
gedoceerd geweld (?) gevoegd
uit de specie van ongelijke bouw -
stenen,ingelegd met zweet van
het zwoegen,waar geronnen
bloed niet meer uit kan treden.
Daar groeit geen tierig mos, zelfs
geen onkruid welt in gave grond,
het dode licht erboven heeft een
eigen plicht, mens verwondt,uit
evenwicht geraakt, hemel en aarde
van elkaar losgemaakt,claimen
duistere schaduwen hun status
achter de tralies van de tijd,soms
ligt de toekomst in het extreme.
“Gelijkheid baart geen geweld”
Erasmus
Uit alle poriën,
Door je poriën parfumeer
je mij, van beider willekeur
zijn we vrij, handen smelten
op zachte dijen en in donkere
plooien van de nachten, na het
waken van de ochtenden kan
alleen die ene geur mij raken.
Je lachte om de verwondering,
ik moest wachten tot onze tijd in
as zou vergaan, en die verging,
jij bleef om een naam te dopen
in herinnering, geschreven als
volwassen vrouw, ik huiverde
toen ik je oprechte kleuren las.
Voldoening met het juiste
accent, koestering uit een
vroege levensbron, druppels
dauw uit het blauw en uit de
hemelen van de oceaan, herkent
in een golvend ritueel, afwisselend,
zacht als fluweel, lijkt 't of ik niet
anders heb gekend, of krijgt
intimiteit een andere naam. Gewoon ?
Misschien, toch altijd weer verwend.
“Wat kun je met liefde anders
doen dan liefhebben.”
Shakespeare
Galerij van wensen,
Vreemde gedachten verlopen
in een goede orde en in hun
gemeten pas en tempo die
niet zinloos zijn, slechts
herinneringen die voorbij
gaan in hun intrinsieke schijn
in een vervallen aards gerief,
wanneer het oude stierf nooit
meer in z’n originele lijst te
zijn gehangen in de galerij
van onvervulde wensen.
Wat smeekt naar nieuw leven,
naar een onbezonnenheid wat naar
nieuwe kleuren leidt en in de
duidelijkheid van ‘meesters hand‘
herkenbaar blijft, als creatief niet
te ontkennen valt, herkent talent
zich in tweespalt in de spelonken
van de ziel, komt hoorbaar boven
drijven, rechts of linksom is om
het even, zichtbaar en gescherpt
op de drive van “slijpers wiel”.
Het laatste woord,
Zonnen als behang, onbeweeglijk
boven werelden als medaillons
waar de toekomst ligt geschoren,
in het onkruid van de golven, draag
het tij en ontij in gelijke maten met
me mee, om de nek van de tijd geborgen,
een doolhof van de aardse stee en
in de boezemkamers van de hartslag
in het ongezouten leven, gedolven
uit het ritme van seizoenen en uit
het schuim op de lippen van de zee.
Ik zoek toegang tot mijn nieuwe
dromen, waar de maan zijn witte
hand op legt, stromen zilveren wolken
door het duister, in een plas van zuiver
licht op geluidloze vlindervleugels in
een gewichtloos gedicht.
De dood smeedt een smalle streep
aan de Godse ginder en mijn horizon
en in de morgen verbreekt de dag
zijn zwijgen om de schoonheid te
begeren en wordt levensecht en
krijgen de nederigen het laatste
woord, waarheid is niet te keren,
wordt een levensrecht.
“Tart de toekomst niet, onderga
hem in nederigheid “
Aurelius
Te wijde mazen?
Iedere spartelende letter
als vis vaak gevangen in
vertroebeld water, het
wijze net met wijde mazen
bleek te groot, om daarmee
nieuwe alinea's in te blazen,
ketter tot in de schoot.
Iedere verwachting
teruggevallen als
afgeschoten pijl,
bedoeld om doel te
raken, gegrepen door
de zwaartekracht van
het cynisme, terug te
vallen op de aarde,
zo zwaar als lood.
Begrijpend luisteren zonder
iets te doen als dat eens kon,
om simpel lief te hebben in
de woordenzon, in wat stilstaat
verandert niets, sterfelijkheid
vergaat, wordt toegankelijk in
alle verzonnen namen van de
dood, naar letter en geest.
Ik mag hopen dat zinnen
zichzelf blijven schrijven
om ze naar behoefte in te
lijven in geletterde dingen
die ik lief heb en in vrije verzen
waarin ieder hart geneest.
Vastgeroest?
Het einde, mijn voorgeplande dood,
vermaan mij als je tot mij spreekt,
ik stond aan je deur te luisteren, wat
voor boodschap je brengen zou, berooft
mijn zinnen van elk schaduwwoord wat
mij opbeurt en weer breekt, de rust
predikt in mijn overladen hoofd.
Gelijk een zwaan, die schuchter de veren
strijkt, zich dompelt in het koele meer om
de lange slaap te vinden in een donzen bed,
gebonden aan het strikte heden, in de
brekende golfslag van de tijd, schuddend aan
mijn levensboom, waarvan de vruchten maar niet
willen vallen, in het stof van opgewaaide verzen is
het moeilijk keren in een vastgeroest syndroom.
“ Het “einde” dient vooral te blijven waar het
nu is, ik zal hem toch wel eens ontmoeten “
Boudewijn Buch
De maat van herinneringen
Zijn het oude vriendinnen of
schaduwen van ongrijpbare
schimmen die mij de rust niet
gunnen om de raven van
de nacht te weerstreven?
Verzuurde woorden stijgen
uit hun duistere graven
die zich aan het gemoed
van de ochtenden laven.
Een glimp, waarin het
eerste licht als stille traan
geboren wordt, gedachten
verleggen schaduwen over
mijn verweerd gezicht,
geleefde wraakgodinnen
hangen zich aan gouden
ringen, alles is al gewogen,
blijft zonder gewicht, in de
krappe ruime en in de maat van
alle kwetsbare herinneringen.
“De nacht is een reiziger, die
zijn mantel over de aarde sleept
om zijn sporen uit te wissen “
Cicero
Bedwelmend ?
Oh die liefde, als kind te spelen
dat ik onder het hart zal dragen,
we zullen er samen van eten om
aan ieder te verdelen, ook als zon
en maan hun baan zullen vertragen,
tot in de diepste kleuren van Eros
fluit, door de zoete dood getroffen.
Spreekt hij de mythische voorspelling
uit, steekt al zijn geuren in het verlangen
van een bedwelmende wijs, te ontwaken
in de schemer van symbolen, zwervend
door het minnespel van drank en spijs aan
de tafel van het paradijs aangeschoven
tot hij mij de lust en blinde ogen sluit.
“Reizen door de liefde is een
onmetelijke Odyssee.”
Homeros
Kwetsbaar?
Het kind slaapt naast de
schelp, nóg ongebonden,
nóg ongeschonden, voor
haar als winnaar is een
lauwerkrans geraapt.
Stil verschijnt licht in haar
verhaal uit een versje op
een kaartje, uit het hart
verzonden, een ongeschreven
taal, opent het inzicht dat
een vers iets levends raakt in
de schoot van het ongewisse.
Wat dat kind niet weten kan,
waar de bron van dat versje
ligt, daarvan zeker drinken
zal, zag de aarde roze rijpen,
zag de lente bloesems dromen,
overzag werelds wensen die ze
niet begrijpen kan, liet het
maar bij tranen stromen in de
rivier van aardse onwetendheid,
heb het bij de hand genomen.
Zandlopertje,
De zandkorrels
ruisen door de
vingers van haar
kleine hand, hier
heeft zij gespeeld,
hier is zij gestrand.
In een oorschelp
ruist de echo van
het eeuwig leven
wat zij ontdekte
in een beweging
met haar hand,
fluistert de zee
wind haar naam
in ieders oren, ze
bereed een eigenwijs
dolfijntje over de
golven van plezier,
maar kon daarmee
het tij niet keren.
Door de zandloper viel
de stilte, een laatste
korrel liefde, om die ons
te schenken, daaruit valt
alles nog te leren, meer
kon ze ons niet geven.
- Opgedragen aan vrienden voor een groot
verlies en alle kinderen van de wereld.-
Bloemend hart,
Vaak komen mijn trouwe
dieren, dichterbij de haag,
veulens treden uit de stilte,
wachtend in ongeduld
op fourage, breken uit
de beklemming, smeken
naar het groene klaver naast
het simpele haver, uit de
smekende emoties stroomt
de ‘courage’, dromen zij het
knellend bit te mogen vieren.
Ik berijd hun vuur als bagage,
ongezadeld op hun ruggen over
de onbeperkte weiden van een
ongebreideldheid, in een laatste
sprong over hindernissen van het
leven, de ruimte die ik hen gaf,
een vrijheid zonder barrage met
bloemend hart en nieren, in dartel
bloed vervult het avonduur de gloed
van mijn slaafse erfgenamen, misschien
wel nooit, misschien maar even.
“ De dromer berijdt onbeperkte
vrijheden en gedachten zonder bit “
Camu
De laatste act,
Ik zit begraven in deze eeuw, ik
teken mijn gebreken in de tijd,
op witte grond met het zwarte krijt
van hoogmoed, niet moedwillig want
morgen valt de eerste voorjaarsregen en
worden schetsen van mijn zonden grillig.
Vroeg bloesemtapijt sneeuwt de bühne
onder, sneller wat ik had verwacht,
bewonder ik het schrale vuur al was die
wat kwijt, las de liederen van de blind -
gedoekte jaren, schreef de teksten in as,
die weer te vegen, onthul de zinnen
dieper achter elk woord, souffleur
en acteur in een laatste act, voor het
doek zal vallen om samen op te
trekken in deze merkwaardige klucht.
De aarde vertakt zich,
De nacht vertakt zich door de dag, er schieten
nieuwe loten uit exotische vruchten en instabiele
grond - misschien nog wat onrijp - maar mensen
delen brood en bezit zonder elkaar te duchten.
Zij dansen op de oude zerken, van rood geaderd
marmer, waar eerst nog bloed en staal moest stromen,
spitte vloeibaar goud uit de schoot der weelde,
gefolterd en humaan gespleten, deelde hebzucht de
aarde in tweeën, een lege triomf zonder geweten.
Na lange jaren zal de regen van de hoop de woestijnen
kleuren, vol getooid met bloesems aangezet uit eigen
lijf, de “ Djins” hebben hun fata morgana’s gewogen,
wortelen droge stromen tot één welige oasis, weerschijn
van een nieuwe loop gevat in een gezamenlijk gebed.
Veegt een niet te stuiten wind het lange zwijgen weg,
bundelen duiven hun witte lelies tot een eindeloze
droom, de verdeling van gestolen buit, heersers wagen
te blijven zitten, leveren zich niet uit in hun moraal, maar
een springtij is niet te stoppen, vertakt de aarde zich in
ons aller mededogen, groene weiden worden autonoom.
” De aardse vrucht kent slechts een grote smaak,
die proeft naar vrijheid en zelfbeschikking “
Ghandi
Weer (spiegeling)
Weer verbleekt de herinnering
van een gezicht, weer worden
straten leger, intens bevolkt
met schimmen, weer verdween
de ziel van de betekenis in
de onbeantwoorde vragen,
Weer minder bleef je de stappen
trouw wat zo lichtend terugviel in
het stof, opgewaaid in berouw.
Weer te snel begraven, gaf je het
af met beide handen, ontpop je
van de rag, zo kan je niet berusten,
je zocht het op elke dag, alleen.
“Ontberingen laten zich makkelijker
dragen wanneer de ziel beter wordt
bejegend dan het lichaam “
Rousseau
Houvast?
Afgeworpen in de tijd
in een doel wat heiligt,
door innerlijke strijd
decennias gepijnigd en
gestenigd, oneindig
rollen stenen af en
aan om in het volle
uur van de waarheid
tegen elkaar te slaan.
Vonken reinigen de loop van
mijn fossiele natuur als ik doelloos
rondzwierf om keien naar de top
te sjouwen, kan ik op mijn dromen
bouwen zonder mij te laten boeten ?
Blijft de horizon gelijk, zonder
haar stappen te tellen?
Ik vond steentjes voor
mijn voeten, ik schopte
ze niet weg, wachtte tot
ze bergen werden en de
juiste houvast vond om
omhoog te klimmen.
Ontvolkt ?
Gevlucht, zomaar een mens,
die opnieuw zijn grenzen trekt
waarvan hij is verdreven, z’n
heil en haard over hem zijn
uitgestort, de ideologie vermijdt
die hem reeds de rug heeft
toegekeerd, niet te staken
waarna hij heeft gestreefd.
Dat leven van ver gezien maar
er nooit kon binnengaan, verbergt
het gelaat in beloften en schreit,
hij vocht zonder om te zien, bepakt
en verblindt door schrale hoop.
Staten en steden vervallen tot
ruïnes, lopen leeg, wat in de
straten achterblijft zijn slechts
ontgoochelde soldaten die de
grens van hun ontvolkt gebied
bewaken, zandstorm van macht
versluiert hun aanwezigheid.
“ In geweld is de waarheid het
eerste slachtoffer, gelijkheid
de tweede, etc. “
Erasmus
Mijn buurmeisje
Wie zoekt niet, met groots allure,
het mystieke in zijn avonturen ?
Ervaring in verdriet en zonneschijn,
Sibylle zoekt het in het kleine,
verdiept zich in de echtheid van
de mensen, richt zich op onontdekt
gebied, treden naar onmogelijkheden,
loket tussen hemel en de aarde.
Schildert een liefelijke waarheid
in de schijn van haar penselen tot
heldere stenen die ze uit de sterren
steelt, een energiebron die zij met
haar vlinders deelt, verovert de
stralende zon, de weg van het hart
naar het hoofd, van de groene weide
naar de gene zijde betovert zij het
paradijs,handleiding van haar
levensreis, tegen welke prijs?
“ Een lente per jaar en in het leven
slechts één jeugd is te kostbaar
om zomaar te vergeten. “
Simone de Bauvoir
Deken van herinneringen
Weer zovele getelde dagen
strijkt het lentelicht zacht
over het purperen land en
door het zwarte raven haar,
het is alweer een jaar, het
is niet waar dat zij daar nog
steeds in ruste ligt, de
grond met eigen woorden koos
als een onvoltooid gedicht.
Ik slijp haar gratie in mijn
hart van steen, ik ween haar
naam in hout en de taal om die
in haar geest voort te laten
gaan tegen mijn beter weten in,
ik spreek haar aan in een
teloorgang, een plek waar
hoop en in haar beeld volmaakt
gedijt, zich als warme deken
over ziel en aarde spreidt.
Tekens aan de evenaar
In het voorjaar schuilt haar
vrouwelijkheid, winters lonken
alleen vermoeide oude mannen,
zomers spelen kinderen onbevangen,
dan ben ik in het najaar tot alles bereid,
dan bestaat er geen verlies aan tijd.
En komen we elkaar vervangen,
wordt de hengst van passie als
overwinnaar bereden, beteugeld,
gevleugeld van verlangen en
verschuiven tekens aan de evenaar.
Dolend op de wieken van de molenaar,
schrijft de wind z’n intieme taal, beleeft
de liefde in de schaduw van een korenschoof,
ongebonden in een wolk van zuiver
haar aan het eind van elke regenboog.
Zaai– en oogstgoed in één oogopslag van
schoonheid onderschept, silhouet van de liefde
blijft ongerept, wat op onze horizon kan bogen,
raken we in onze muze meer en meer bevlogen.
Mijn lief, daarin is nog zoveel meer te geven.
“Door de wetenschap bereiken we veel,
alleen de liefde neigt naar perfectie.“
Een adem, een hartslag,
Gedacht, verbeeld en
zo helder raakt de nacht
ons waar wij liggen, tussen
grote Beer en Stier en alle
sterren in het hemelse gewelf,
belichaming van verbeelding,
wat we in elkaar en de aarde
zien, verlichte huid en ziel
uit het stof van alledag, niet
door de tijd te zijn versleten.
De dromen worden wakker
naast zichzelf, wachtend op
een teken, als tweeling uit een
schoot, telen we de eigenwaarde,
gezaaid, geoogst in avondrood.
We maken de eeuwen samen
door, vanaf begin der tijden, het
licht waarin we sliepen, in één
hartslag voor ons beiden, in één
adem zonder geluid, brak de dag
open in waaiers van perspectief
die voortvloeiden uit het ‘zelf.’
“ De liefde lijkt een paradox,
waarin twee gelieven versmelten,
maar toch autonoom blijven.”
Harde lijnen ?
Emoties glijden door sloten de
akkers in, in lekke boten vol
hoorngeschal, stuift zand in
rauwe stemmen, lichamen te
groot voor peddels waar zij
mee roeiden en werden zij
intieme vrienden in de woelige
wateren van de nood, een reis op
beider deugd waarop zij roeiden,
voor jeugd en waterland.
Verpakte littekens gaan van
hand tot hand, geschreven op
een bevlogen krant van gisteren,
waait ritselend op in een gestorven
zucht om de tijd te ontmoeten
buiten mijn medeweten om.
Op mijn schouders wacht een
verlangend kind dat lacht, mij
toedekt en haar handen strekt
en worden harde lijnen zacht,
in een meetloos mededogen
tot aan de sluimerende dood,
die ergens op mij wacht.
“ Schoonheid en jeugd
kunnen niet lang genoeg duren “
J.Vondel
Waterzon,
De stad meldt zich als ik
de balkondeur open, het
straatgewoel zwelt aan door
jengelend logistiek, scherp
geluid van tramrails snelt
door geest en ijle lucht.
De linden werpen met een
hoofse neiging in hun kale
kruinen elkaar de zwarte
jassen van de kraaien toe,
boven de daken en in deze
verbale dramatiek schildert
een onhoorbaar voertuig zijn
helwitte strepen op de blauwe
zijde van de februarihorizon.
De waterzon speelt met mijn blote
voeten in een uitnodigend spel als
een tevreden kind en ik voel de
donzen stem van de lentewind,
beleef de zot – en zoetheid van
kleine dingen die mij omringen.
“We leven, om naast de zotheid,
de schoonheid te zien, verder
blijft het afwachten”
Kahlil Gibran
Het vege lijf ?
Als de dag z’n zegeningen telt
en zijn blik laat lopen over mens en
dier waarin het licht zich in de
schaduw versnelt, vermaak ik mij met
spellingen, speling van herinneringen
op een onafgemaakte tocht, het hart en
hoofd op papier te hebben opgeslagen.
In een strak regime uitgevoerd,
waarin ik menig dagboek heb
verbrand, verhoedt de werkelijkheid
in de waarheid te verdwalen, om
gelijk herhaald te worden, het verband
tussen antwoord en de vraag.
Vervreemd van oorsprong, als ik
schrijf vervalt het snel tot leuren,
getroost met aangereikt gereedschap,
waarmee ik het vege lijf wil redden,
een niemandsland waarin ik mij waag,
een handgemeen met taal en tijd om
die in geordendheid te plaatsen, winst
of verlies maakt weinig onderscheid om
direct te handelen, anders ben ik het kwijt..
“De taal is een huis, het verdient
wel enig onderhoud. “
Pama
Kunst van het weglaten
Een lentevroege morgen
nog zonder breuk of smet
ik heb met mijn penseel en
pen een breuklijn ingezet,
de gedachten als aambeeld
op de werkbank van de dag.
Door klanken licht door de ruit,
strekt zich een chaos uit, het
snijpunt van veelvoud, levend
wit en zwart, gevulde caleidoscoop
van een wisselende mozaïek
met een prozaïsche verwachting.
Weg naar vrije wil, proeven van het
bitterzoet in stilte, de gedroomde
daden maar te laten, als ik dat had
gewild, maar niet anders gekund,
laat me schuilgaan in volledig
zwijgen, als mij dat wordt gegund.
Om in dit labyrint te falen, voor
zover de muze mij dit toestaat,
ben beducht voor eigen ademhalen,
slaat mijn gedrevenheid op hol
strooi ik slechts de fijnste zaden,
stof voor nieuwe ongerepte paden.
Zaagselsporen …. (3)
Zwaan bezingt zijn kroost,
zang van zwaluwen vangt aan,
de band te breken.
Ritsels in gebint,
sprookjesboek wat openspringt,
oneindig verhaal.
Portret zoekgeraakt,
jongen met een oud gezicht,
gebleekt morgenlicht
Achter prikkeldraad,
wordt willekeur versneden
tot lappenpoppen.
“ Ieder is het kind van de
rekening zijner daden.”
S.Freud
Zaagselsporen… (2)
Ongeschonden droom,
kasteel aan de hemelzoom,
zonder in – of uitgang ?
Laat kinderen lezen,
dat zij hun naam en oorsprong zien,
gebeiteld in marmer.
Hoever moet ik gaan,
blikken uit ogen te vergeten,
wat kinderen is aangedaan.
Oud en vertrokken,
vanaf die tijd gedoofd in mij,
haar zwavelstokken.
Houten speelratels
kleppen kinderdromen
tot madeliefjes.
“ Wie een kind door het duister stuurt
staat in eigen schaduw “
G.B.Shaw
Zaagselsporen…(1)
Zaagselsporen uit
oude beren van de tijd,
doodgeknuffeld.
Kind ziet grootogig,
haar eigen schoonheid aan, in
spiegels van geluk,
Jongen met schooltas,
droomde dat hij kroonprins was,
toen hij Shakespeare las.
Meisje stelt haar vraag,
briefje opwaarts langs een draad,
vlieger die het verstaat.
“ Liefde is het mooiste kind
van de wijsheid “
Victor Hugo
Zwarte zwanen,
Wie nog tranen over heeft
of daar tegen moet weren,
zal opgaan in een wereldzee,
waar zwarte zwanen leren zich
te spiegelen met de sterren mee.
Als beleven kijken is, wijkt
alles voor het nietig menselijk
stof, géén pakkende gelijkenis en
worden ideeën snel geschiedenis.
Verleer mezelf niet te overschatten,
verwen dan maar liefst een eenzaam
kind, is het moeilijk in te schatten
waar je de oprechtste tranen vindt.
Eerst misgunde ik mij die waarheid, er
bestaat geen wereld in gelijkheid, nooit
een schoonheid zonder broosheid naast
de dood, verspeel de tijd met zijn energie
niet want alles blijft in wezen onvoltooid.
Wallenkant
Waar is de loopplank om als
dichter bij je aan te leggen,
helpt de tijdsbrokken te verleggen
in het onvoltooide droomlied van
vroeger, als dwaas te dromen
van reizen om dan te zeggen ik
ging vrij in jouw wereld rond,
werd die valreep mij ontnomen.
Gehechte waarde aan onze stappen
herinneringen aan het onuitgesproken
woord, leg het dove oor te luisteren
aan de zeeën van gevleugeldheid, zo
leg ik avontuur vast in mijn verhaal,in
de tussentijd een laatste sprong te wagen
naar de wallenkant, het oeverland van
woorden die nu niet kunnen spreken, omdat
de bijpassende oren nog niet zijn geboren.
” Woorden zijn bedoeld om achteruit
te beluisteren en vooruit te zien”.
Remco Campert
Geboortegrond ( haiku’s)
Zal de kosmos zijn,
verbindt haar geboortewond,
zonder lidtekens.
Lach op stembanden
lied vastgelegd als zangtekst,
trilt in lendenen.
Etalage pop
haar wereldbeelden beziet,
met lede ogen.
Tastbaar op de huid.
één hartslag voor ons beiden,
geluid uitgediept.
Vertaald in woorden,
een ware levenscodicil,
schelpdier van liefde.
Tweeling uit één schoot,
verkent de geboortegrond, tussen
leven en de dood.
Woordmolens.
Vermijd de woordenschat op
lange duur waarin ik onderga,
machteloze strijd tegen taal en tijd,
vaak niet te begrijpen wat te doen,
vertil me aan een lege letterkast,
streep de barcodes van gisteren.
Denk ik de waarheid te benaderen,
er zijn zo velen, mogen die bestaan
om tegen wil en hoon, de vlinders
van de Muzen aan te mogen raken,
strooit de zinnen in de goot, die
verder drijven zonder vlagvertoon.
Laverend langs de echo’s van wat al
reeds geschreven werd, projectie op
een blanco scherm, de eindeloze blik
gericht op sluimerend talent, het hoofd
getand met lauweren, geloof gevuld
met klatergoud, die waarheid is met
ongeduld te denken aan rottend loof en
meterslange losse einden, blazen nederige
woordmolens nieuw stof in mijn gezicht.
Bladwijzer,
Woordenzon in mij, poëzie
waarin de kleur veranderd,
verankerd lief en leed
tot een homogeen verhaal,
verslaat vergetelheid tot
over de grenzen van moraal
of een ander woord gebruikt
als de toekomst zich ontsluit,
geweven melodie, compositie
van de stilte, boreling van het
zwijgen waarin ik zoveel meer
te zeggen had.
Tot in het beeldend schrijven
van de rollende golven in de
dag en tot in het holst van elk
gedicht, ben er letterlijk voor
gezwicht, word er door bedolven,
vergrijp mij aan de bladwijzer
van het tanend licht, daarin is het
beste nog niet geschreven, het
ligt ergens verborgen in de taal.
“ Poëzie is het enige wapen dat
het woord kan verslaan door
middel van de taal zelf.”
Bertrand Russell
Van boom tot as ?
Krakend ben ik gevallen, te
vroeg, mijn stammen in de lente,
een droom droeg mij weg op
vlotten, op een bed van kale takken,
waarop ik het avonduur op schreef
langs steile oevers waarlangs ik dreef
langs wolkenloze nachten,
langs de schroom van liefde
naar de droogten van de zomer.
Zal ik mijn hout met mededogen,
tot vuurvonken hakken, tot
op een winteravond, zal ik
gloeien in jouw warme haard,
hartverwarmend zul je nestelen,
tevreden in mijn diepe stoel, je
voeten warmen aan mijn
onverteerde as, waarin je mijn
visioenen las, is het heerlijk niets
te hebben en niets te willen, samen
te verwaaien in osmose van licht, die
vreugde is het doel waarvoor ik voel.
Boven de taalgrens
Tergend langzaam worden
gedachten weer begaanbaar,
verbleken metaforen in de tijd,
zwerven purper deeltjes taal
in kortstondige regenbogen,
gekastijd door toevalligheid,
kwinkslagen schieten droom –
kastelen aan flarden, associaties
van herinneringen uit het niets en
uit wollige kluwens van overtal
en hernieuwde nalatigheid.
Toch weer dezelfde clichés te
vinden en de woorden goed te
praten om vergankelijke gedichten
te vullen die kennelijk zijn zoek
geraakt, boven de taalgrens waar alles
ijl is, vrij te ademen soms in oeverloze
regels die geen twijfel overlaten.
“Soms dicht een vers zichzelf en
soms slaat de dichter dicht ”
Pama
Begraasd ?
Zinnen, geef mij een mantel
als een gulden vlies om mij
heen, onzichtbare huid uit
het verleden, de morgen lijkt
eerder dan voorheen, zal
hopen dat de nacht sneller valt.
Vooruit te lopen op de toekomst
zonder kwetsbaarheid, word ik
hoge priester op de schreden van
de lente, snoer ik onuitgesproken
woorden om mijn middel tot een
levensgordel, waarmee ik leven
moet in eigen vooroordeel.
Te kiezen, te delen om mijzelf
weer te verliezen, maar wat geeft
het, want ik lijk – in de verte –
niet op die iemand die ik ken,
waait het stof op van alle dagen
en slaat de tijd mij terug, zonder
dat ik weet waarheen.
Het licht wordt stil omdat het woord
zwijgt, zal ik opstaan als het duister
stijgt en zal ik moedig zijn en vooropgaan
in een innerlijke strijd tot het pleit is
beslecht ? Ben ik het groene gras dat
door de wereld wordt begraasd met een brok
van een onverteerde waarheid in de keel ?
“Er zijn mythen en de werkelijkheid,
wie houdt ze uit elkaar ? “
Orson Welles.
Diafragma
In het licht van de leeg
gewaaide januarilucht, de
ijsblauwe zon net onder,
de sterren lui en nog niet op,
het doet er weinig toe hoe ik
mij voel, met wie of wanneer
ik de dag zal delen of dat ik
er morgen nog zal zijn, of ik
de ontnuchterende morgen kan
velen, ben ik een makkelijk
te verwijderen beeld op de
hemelse camera, waarmee
met een kritisch diafragma,
mijn zekerheid wordt gewist,
ben bang dat ik, als eerste,
zal worden afgewezen.
"Waar je ook gaat, je neemt
hemel en aarde met je mee".
Plato
Duizend en één,
Gelegen, naast je in het bed,
zag ik het uurwerk lopen op je slapen,
bewijs van het kloppen van je bloed,
een oceaan van gloed, waar getijden
tot elkaar komen, om de hemel
op te rapen in een bonte stoet.
Samen vloeien in één adem, in een
moment van tijd die even niet bestaat,
op zachte kousenvoeten verder gaat,
vermomd achter de uitgeworpen kleren
op de plankenvloer, onderworpen aan
de glimlach rond je mond, jou zo uit
duizend en één nacht te herkennen.
De morgen kleedt zich in velours van
stilte, de zon drapeert z’n stralen in
de bedstede, tekent ornamenten op
een vergeeld plafond, vluchtig contrast
van vlinderachtige licht, de nieuwe dag
heeft zich met open armen opgericht,
om ons z’n beste uur te gunnen.
Onverslijtbaar, onbreekbaar.( Haiku's)
Scherp als de zinnen
verwoestend als de bliksem,
zachtheid in een woord.
Verstild in ruimte
leegte zonder verdriet,
gewogen door beweging.
Leven dwaalt te ver
vertaal mijn oude angsten
in een nieuw akkoord.
Verlicht ijskristal
als reisgezel van een nacht,
dan vloeibaar verder.
Eierschaal gevuld
met zongekweekte tranen,
gedroogd in eigenheid.
Vroege herinnering
onverslijtbaar, onbreekbaar,
toetssteen van wijsheid.
Naam van kinderen
vergeten in onwetendheid,
verlicht de notendop.
Dezelfde passen ?
Te gewillig liet ik mij verleiden,
in een bekoorlijk, tevens gevaarlijk
spel, ik was te gretig, te roekeloos,
ook al wist ik dat wel, ben daarom
de zwakste schakel van ons beiden.
Het besprong me onverhoeds en snel,
geen tijd de aanval te vermijden, soms
kan en wil ik niet meer bevrijden, de
pijl trof doel, onbewust en onstuitbaar fel.
Te laat, er valt weinig meer te kiezen,
voel de doodstrijd in mijn hart, laat het
bloed eerst bruisen om dan te bevriezen,
een pijn die tot stikken toe benauwd.
Gisteren nog te vroeg en morgen te laat, er
komen ogenblikken dat een van beide de
competitie lijkt te verliezen door te wijken
voor een andere dans, om daarin te bezwijken
met berouw vervuld.
Toch in de rol te schikken, met herhaling
van de passen, kennelijk zijn we in dat ritme
het beste en daarmee het meest vertrouwd.
“Gewoonte is de leider van de tweede natuur, zoek
naar een derde en wissel eens van danspartner”
Een woord ?
Ik weet niet of er
zinnen bestaan die de
geur van je huid kunnen
vangen, de bewegelijke
spirit in je ogen, een bron
die wordt verwend als
de prille knoppen botten,
het fluisterstille gebaar van
mijn vingertoppen in je
rulle haar, de koelte in de
schaduw van je oogleden,
die altijd te beminnen.
Als ik daar een klank
voor vond, als bede uit te
preken op een zonnetrede
van de lentestond, die te
beschrijven op lelieblank
perkament voor alle uren
als je mij niet kent, als ik
dat woord mocht vinden,
vraag ik jou dit verlangen
te verwoorden, wat eerst
niet over de lippen kwam,
te spreken uit jouw mond.
Liefst nog vandaag
Onheilspellend laag
hangt de humane zon
boven de graven aan een
getergde en verre horizon,
regeltjes tooien hun scherpe
doornen over mensen die de hoop
al hebben verloren, het lijkt een
kleine daad, misschien wel een
druppel op de aardse gloeiende
plaat, geboren uit de wanhoop
van verwachting in het licht van
een uitgestoken hand mag gloren.
En uit te vloeien tot een ware
vloedgolf, die bijdraagt tot een
aardverschuiving om onze ethiek
te verzwelgen, dit onveilig signaal
het tij zal moeten keren, voordat we
ingeslapen zijn, daaruit is nog veel
te leren, misschien in een andere wereld
als dat kan, liefst uiterlijk nog vandaag.
Naar aanleiding van de mogelijke
uitzetting van de zieke Abiram ,
8 jaar oud uit Sri Lanka.
Adempauzes ( Haiku’s)
Bodemloze put
te verdrinken in je ogen,
wel zo makkelijk
Overtollig woord
ingepakt en uitgekleed
tot naakte waarheid.
Winterzon tekent
mist op een bladloze tak,
schildert zonder kwast
Mijzelf verloren,
kwam de dood tegemoet, ook
hij scheen de weg kwijt.
Gaf haar twee rozen,
dankbaar gaf zij mij één zoen
houd nog wat tegoed.
Stilte tussen woorden
in brede zin, daar put ik
de adempauzes uit.
Meesterhand
Ze kneedt haar klei, in de ogen
van verwondering, omlijst door
een ranke schoonheid, polijst
door ranke handen.
Geroerd door water uit de schaal
van broosheid, het aanzweet gestileerd
tussen schuld en goedgelovigheid,
in de creatieve verwachting te zwerven
door haar onschendbaarheid.
Het licht laat dolen door de toekomst
van de kosmos, ze ontleedt de eenvoud
aan de betrekkelijkheid en los van
zelfgenoegzaamheid,.
Ze steelt het vuur uit vruchtbare grond
voorbij de norm en middelmaat, heelt
de aarde in onbewerkt gebied, waarmee
met meesterhand de liefde is geijkt.
Ze reikt de kunst met uitgestoken hand,
oneindig verder dan men ziet, ze baart de
vrijheid uit de simpele klei, een nieuwe vorm
ontstijgt haar ziel, iets anders kent ze niet.
Ballonnen vol confetti,
Bewoon het klimaat waar ik in
schrijf, in de kleuren waaraan
ik ben gehecht, geloof in feiten
en non-fictie, met een eigen
dictie van de realiteit betaald
maar evenzo onecht, perforatie
van papier met de pen en gevonnist
tot de prullenbak, mijn schrijvers
loep stelt elk detail in een scherper
diafragma vast, versnippert de
verheven kunsten, dingt naar de
gunsten van de muze, gefilterd uit
de letters van de moraal, verknipt tot
confetti en gestrooid over de hoofden
van een beeldverhaal op mijn levenspad,
in elke stap verstrooit de geletterde
wind alles wat ik reeds geschreven had
na wat ik koos, maar net niet schrijven
kon, opgeblazen ballonnen vol confetti,
uiteengespat en gezaaid in mijn woorden –
schat, herschikt naar beeldspraak van de
tijd om de juiste taal te vormen, wat er
overblijft is voeding voor de wormen.
Zielekruimels
Zij heeft haar rondingen bloot
in een horizonloze verwachting,
ze nam de blanke sneeuw uit haar
boezem, verdeeld tussen zon en
maan in de levende en de naakte
nachten, zekerheden ver van haar
vandaan, geketende geheimen
door anderen verteld, ze streelde in
gedachten de mildheid van de dromen,
nipt met de lippen van het bloed uit
de tijd om niets te willen missen,
geborgd in eenzaamheid, zij verzorgt
het komen en het gaan van de passies
ze draagt in blikken trommels haar
vermoedens om de hals, waarmee zij
de zielekruimels van het lot aan de
vogels voert. Buiten bloedt de winter
leeg, in de uitgestoken hand van de
vroege lente verkleurt haar droefenis
tot bottend groen, kornoelje geurt naar
haar en naar de dauw, ze blijft de
gekozen aarde getrouw tot de dood.
“Schoonheid is een ander woord
voor de vrije fantasie van gedachten.”
Dualiteit (Koans)
Bladstil, ik zie niets
alleen de zwijger zwijgt,
ik kan hem horen.
Ogen van mensen
zien de blinddoek van hun god,
van eigen schoonheid.
Liefde streeft ernaar
al het eerdere streven,
achterwege te laten.
Een vroege vlinder
accentueert tijd met beweging
sculptuur van het licht.
Gericht op eigenwaarde
ben de sterren vergeten,
maar herken het licht.
Al vervalt tot een,
dat ene keert tot alles,
voordat het verscheen.
Zicht op dualiteit
bespreekt de moeizame weg
tot individualiteit.
Parelmoer.
Steeds als je mij met je ogen raakt
wordt ik als kristal en doorzichtig,
transparant, waarin regens licht
door alle bloedbanen stromen, om
uit te uitmonden in de delta van mijn
amazone en in de druppels van haar
regenwoud, overleeft ze voorzichtig
in de parelmoeren palm van mijn hand.
Kijk, het water ademen waarvan we
zijn gemaakt, nog aarzelen onze lippen,
eens zullen we elkaar drinken, maar
misschien zijn we morgen al te oud. Jaren later, een beetje ouder
op een klinkende dag, vol met
een herkenbaar geluid en de
geuren van je aanwezigheid
in de boezem van ons huis,
drong je helderheid in het diepste
van mijn bron, lispelend zacht
werden je ogen, waar vloeibaar
parelmoer aan ontsprong, verscheen
je even ten voeten uit, verwachting
ingelost te dromen van omzwervingen
die nog zullen komen, in de peilloze
schaduwen van je ogen, mij verzoenen
even bij je stil te staan, voor je me
verlaat, beloften na te komen, in de
schaarse tijd die de dood mij nog toestaat,
waarin ik mijzelf niet kan vertrouwen.
Schuchter bewoon ik de
verlaten vlakten, er is niet
meer te verlangen, ook niets
meer te verwachten, dit
niemandsland kan ik niet ruilen,
voetstappen hangen als gedempte
geluiden in de mist, onbekende
stemmen van vroeger vrienden
dringen tot mij door, waarom
zou ik antwoorden om met hen
weer te huilen of te vrezen boven
houten kisten, daar ontbindt het
verleden zich in de toekomst.
Blindelings levend, in het verlengde
van hen die voor mij gingen tot hun
dood, verwijder mij stilzwijgend
van de vragen in mijn hoofd en
van alle graven neem ik afstand van
wat ik moest beloven, onmerkbaar
de weg van het mijne, toch blijf ik
ademen, lach ik uit gewoonte, dat is
misschien nog het ergste van alles.
Appeltje schillen ?
Uit de chaos van het vuurwerk
de flappen en de bollen,
met een voorgevoel opgestaan,
zintuigen en gordijnen open om
het wereldnieuws weer op te slaan,
filterend licht breekt door om de
geluiden te verstommen, met een
helder doel de eerste dag te verslaan,
gister bleek de toekomst zich achter
voornemens te vermommen, vandaag
komt het erop aan, vallen maskers,
zoals het is geworden, nu wordt het
anders en valt de peuzel op z’n plaats,
zal gebeuren zoals we voorspelden
en willen, met het verleden hadden we
nog een appeltje te schillen, nietwaar?
Zonbeschenen, (Haiku’s)
Zee kun je horen
handen voor beide oren
in kokkels bij zee.
Hond, die onzin blaft
tegen ontvreemde manen,
gingen hem voorbij.
Zonbeschenen steen,
heet zonder af te koelen,
zijn wij, in het nu.
Boot, die het land verlaat,
zon die op de toppen schijnt,
gevlucht zonder doel.
IJverige mier
die met dode vliegen sjouwt
wordt een centaur.
Naast mijn schouder loopt
een vriend die niet meer bestaat,
straks word ik ouder.
Ganzen in vijvers,
wat kunnen ze foeteren,
bemoederen kroos.
jaarspiegel,
De stoutste dromen die ik droomde
bleken fundamenten van een oud verhaal,
in de beleving opgeklopt tot Kathedraal, die
oprijst uit de schimmen van vergetelheid en
van de tijd, dié onverzadigbare gastronoom,
met zijn meedogenloze paukenslagen van
herinneringen aan chocolademelk, wat
uitsterft in een troebele tempel van mijn
horizon, in contouren zie ik steeds beelden
verrijzen, een wederkerende droom, een
drempel die onherroepelijk mij is geërfd,
bewijzen dat de laatste tonen mij verraden,
verlangend naar een voorbestemd gemis, sla
ik mijn hunkering gade in de jaarspiegel,
wend het gezicht af van dezelfde gelijkenis.
Verveling?
De hoogste piek van berusting
zal ik niet bestijgen, ik blijf
steken onder de toppen van
herinneringen, doemen de
schimmen op van het verleden,
peinzend tuur ik naar boven,
om te ontwaken - op de door
de tijd - versleten treden en op
een mistige winterdag, verlaat
ik mij op de dromenmaker die
ik op de helling zag, ‘zeil ik ab ‘
langs versteende gletsjers, om
uiteindelijk op het gladde ijs en
door het doolhof van mijmeringen
te dwalen, scheer ik langs de diepe
dalen van goede bedoelingen die aan
mijn moed voorafgingen, verstomd in
eeuwig zwijgen van een stille wereld
en in de verveling van mijn paradijs.
Natuur is in gebed,
Als de vorst z’n kroon afzet,
voor een schaduw van wie
daar gaat, ingepakt in stijve
kleren voorzichtig over
straat, het hoofd in livrei
verbonden, stram als een
lakei, onder witte mutsen
door de sneeuw gehaakt over
de tuin en schutting allebei,
laten zich verdwijnen over
glibberige paden heeft ook
zijn stil verlies gekend tussen
vervallen muren, strijdt de dag
in de hengsels van de tijd,
gefixeerd in bevroren regen
want als de vorst z’n kroon afzet,
bevriest de dood slechts een
ogenblik, verkiest alleen zijn
duistere wegen, natuur is in gebed.
Boodschap?
De boodschap trof haar als een dolk,
een pijl die trillend in de roos blijft steken,
soms gaat zij varen op een grijze winterwolk
gehuld in sneeuw, langs witte hemelbeken,
koos zij voor het zonlicht in haar hand, die
haar een helder en fonkelend uitzicht bood,
door liefde overmand een altijd brandende
diamant, die zich liet ontvallen uit haar
schoot, eten de mensen uit haar hand.
De witte zwanen zweven om haar heen,
die de halzen en de vleugels strekken,
zweeft zij mee omhoog naar niet ontdekte
streken, er is iets - in haar - wat naar de
wereld trekt. Wat later staat ze onbewogen,
vol verwachting aan haar raam, op de
lippen fluister ze een naam, er welt een
traan in haar blauwe ogen, een Messias
wordt niet voor de tweede keer geboren .
Voetafdruk
Seconden gaan te rap om
de uren te vergaren, wat ons
bindt is tijd, gesponnen op
spinnewiel van het oude, - en
het nieuw jaar, als we ons in
vluchtigheid ontmoeten dan
zwaaien we misschien wel
naar elkaar en terug, al
moeten we bekennen dat we
elkaar nog steeds niet leren
kennen, wat mensen scheidt is
gezaaid door onbekendheid en
angstige gedachten om samen
door die ene poort te gaan, die
alleen door moed opengaat, één
universele habijt om te slaan om
niet in het bloed van eeuwen te
verdrinken, dan vervagen angstige
gedachten in beider voetafdruk in
de stuifsneeuw om als fijn kristal
te laten klinken. Was dat niet de
boodschap uit een herderstal ?
Uit mijn bundel:
'Is mijn oude jas wel versleten?'
Doornen van de roos, ( Haiku’s)
Doorn van rozenstruik
aureool van eeuwen strijd
hoop in druppels bloed.
Onuitgesproken
zoals de decemberwind,
woord op de lippen.
Het ‘zelf’ zonder vorm
niet de dood te verzwijgen,
in ongeborenen.
Gedreven wolken
biedt vredebewonderaars
hun rustpauzes aan.
Moeizaam beklom ik
steile heuvelen, bewonder
braamstruiken in bloei.
Sneeuwjachten plukken
van witte bloesem hun kleur,
schoonheid blijft bestaan.
Niemandsland ?
Steeds sneller en pijnlijker
dan ooit, onderwerp ik mij
aan terugkomende vragen,
zinvol of zinloos, beide dragen
bij tot de aard waarvoor ik koos,
tot het lijden is verjaard blijft
de gekozen vorm van schijn
onvoltooid, knelt het geweten
en de tijd haar ongenoegen telt,
het hoofd ten ruste legt op mijn
levensloop en ik de knopen draai
om niet te vergeten, zal ik blijven
zoeken en is het de moeite waard
in het onbekende door te dringen,
gemaskerd in de schaduw, achter
de dagelijkse dingen, al zijn ze
klein in schoonheid, zal ik dromen
over grenzen heen, een geluidloos
gevecht tussen verwachting en
wanhoop,waaraan ik ben gehecht,
een niemandsland ver weg van
mij vandaan waar het woord
"hoop" opnieuw wordt gespeld.
Zonder schroom,
Vluchtige, schuwe schaduwen
waarvoor de nacht de ogen sloot,
glinstert kristal van aardse
sneeuw op zerken van hen die
wakker leefden en zij er boven,
wier gemoed in aarde slaapt,
licht hernieuwt zich in z’n baan,
de tijd waait de nieuwe dromen
schoon, op hun hoofden rust de
luchter van een keizerkroon, het
zicht op de kortste dag is dood,
het heeft zich uitgeput en laten
kussen in de langste nacht en
verlaat ons zonder schroom.
Kruiend ijs
Noordenwinden gieren zoals ze
meestal waaien en zaaien twijfel
in het hoofd, spoken sluipen door
de kieren, magere lijven gekluisterd
aan ketting van de tijd, glippen
langs de gekozen paden om de
daadkracht in te lijven, slierten
wierrook waart langs vagevuur
en blinde hellegaard, dooft de gulle
lach om al té vastberaden lippen,
maakt dat ik dit niet kan verklaren,
waarom ik in de nog te tellen uren
niet mag blijven zwijgen, ongezien,
en ongehoord is niet beluisterd,
hete as wordt grijs en het eens zo
stuwend bloed stolt tot kruiend ijs,
bewijzen in mijzelf ontluisterd.
Ondeelbare gedachten
Het lijkt allemaal vreemd,
ideeën en wetten gespeend
van naam, ongrijpbaar, wie
zal weten hoe het er voorstaat,
vervreemd van sterren, daglicht
dat in het avondrood opengaat,
in gezicht van goden die verdwijnen,
overdaad in verholen stilte, vergaat
weer in een nieuwe vraag, hoe zal deze
in een andere vorm verschijnen?
De tijdelijkheid van het gerijpte gras,
bloot te staan aan ondeelbare gedachten,
levend wit wat eerder groen blozend was,
de plaggen zijn nog vers en onvolmaakt,
als de doden zijn geborgen, voor ons
zelf te zorgen in een niet volmaakte dag.
Winterslaap
Ach de liefde, opwindend
dichtbij en wat onbereikbaar,
zoals de sterren staan,
vaak niet met het blote oog
te zien, als levend stof
van licht voorzien, waar
uit ik dagelijks ademhaal,
verkleeft met de schemer
van de wintertijd, getekend
in het eelt van beide handen
wat zienderogen vergeeld,
wordt het weinig van de zon
in zijn lankmoedigheid ons
toebedeeld, wordt vruchtbaar,
als we worden bevrijd uit de
hardnekkige warme schoot
van een lange winterslaap.
Geaderd marmer ( Haiku’s )
Wie de sterren in
de ogen kan zien, baart het
kind van de aarde.
De tijd schiet gaten
in het heelal, waardoor
de eindigheid schijnt.
Mensen hebben hun
parasols geplant, zon schijnt
op een halve bol.
Zon lekt over graven,
tekens van ontmoetingen,
geaderd in marmer.
Vermoeid licht rekt zich
in luie schaduw, herpakt
glazuren dagen.
Intens ?
Als de dood mij vraagt
alvorens mij te komen halen;
"hoe heb jij de tijd behaagd?"
zal ik moeten zeggen;
" Als ik ben gedwongen
mijn streken af te leggen
de poëzie heeft gewonnen."
Als de dood weer vraagt:
"Is het niet wat overdreven
in het leven, zoveel energie
hieraan te geven?”
Dan is het antwoord heel beslist:
"Zonder deze odyssee, waarin
dichters wel eens overdrijven,
naar ethiek en geest de pennen
blijven slijpen, de taal en teken
in hun voortgang te laten weken,
in het onbewuste te laten rijpen,
maar op het juiste uur geoogst,
tijd en dood kan overstijgen, een
immense reis intens beleefd, blijft
het een troost, dat in mensen,
de daad in het dicht herleeft
en nooit kan worden gewist"
“Een gedicht herhaalt
alle gedichten “
Harry Mulisch
Zonder voorbehoud,
Gisteren zag ik haar werkelijke
gelaat, waarachter appels rijpten,
haar contour sneed door mijn blik,
gloeide na in een ondergaande snik
van zonnen glanzend in de ogen, passie
gehouwen uit geaderd marmer, polijst
verlangen in een tijdloos ogenblik, het
bloed als onstuitbare beek die haar
bedding kweekt, onverzadigd als een
ster die met haar schaduw breekt.
Geen misvorm in haar leven, misgunt
mij niet de illusie waarom ik vroeg,
gekweekt uit de duizend schoonheden
die ze droeg, uit elk van hen een nieuwe
levenskleur ontluikt, de adem van de
wind steels haar wangen vindt als zij zich
vangen laat, raakt alles ondergeschikt
aan de geur van erotiek die ze
zonder voorbehoud predikt.
Vrucht zonder pit?
De aarde, blauw aangezicht
in het kosmisch kille licht,
ik wrijf je warm, op de vlucht
tussen de planeten, waarvan we
de namen kenden en toch weer
zijn vergeten, ik dicht een
arm om je middel heen. Zijn
wij nog dat argeloze kind, dat
zich aan haar wil kon overgeven ?
Daarin komen we liefde te kort,
een woord waarom gelachen wordt,
het blauw wordt ijs, daarna grauw,
niet in staat innerlijk te bloeien, in
de kou wordt alles ontkent, vruchten
zonder pit, de aarde in twee delen
getekend op oude perkament, is
dat de band waarmee het leven ons
aan een wereld vol geheimen bindt?
“Daardoor is de wereld juist des te
mooier dat zij een geheim blijft."
Volmaakt gerijpt ?
Kleine Ster, we zijn lichtjaren zo ver
van elkaar, als polen op een oude planeet,
een stap zo dichtbij, als het oude – en
het nieuwe jaar, duidelijk gericht op
twee profielen uit één gedicht, versmelting
van parallelle gedachten, verschrompelt tot
een doel van beider harten, drinkbaar uit
de poel van klare wijn, een volmaakte
afdronk, gisting van een gerijpt festijn.
Overstijgt gevoel, om een gelijke
horizon te zien, wat een begin – en
tevens eindpunt zou zijn, ook weer
vreemd en gênant als je die vrijheid
claimt, verwant aan gongslagen van
verandering zoals we die in elkaar
herkennen, om het mechanisme te
verleiden, de wijzers van het uurwerk
– tijdelijk - te stoppen, pijn te mijden,
die van tijd en ruimte te scheiden, in de
stilte van de schoonheid te verdwijnen,
om de natuurwetten te foppen.
Insha'Allah ?
Gezichten in een gloed en
waas van kaarslicht en wierook,
bedachte stemmen weven het
gesprek, niets dat mij kan raken,
niemand om bang voor te zijn,
op één gedachte na die ik niet
kan remmen en door mijn ogen
vlucht naar de leegte van het raam .
Daarachter in een dal tussen hoge
gevels en spitse daken steken minaret
en kerk de vingers vermetel op om als
hun God het wil - als enige - de hemel
aan te raken, in de witgevlokte najaarslucht,
het haantje draait beducht op het kruis zijn
ronde in de weerschijn van de halve maan,
het lijkt of zij beiden een val hebben gezet
om mij in dit late uur nog te bekeren,
in dat idee van het ware woord en een
ethisch leven, wat verder gaat dan nu.
Als de tijd rijp is,
Als de tijd en maat vol is
het seizoen rijp en de uren
gunstig staan, werk ik een
aan een symfonie, in een
wervelende universele ouverture
wat onmerkbaar de vervelling
van natuur en de verveling van de
mensen tegenhoudt, compositie uit
de achterkant van mijn repertoire,
noten van melancholie, ontsproten uit
de couleur locale, een roes waaruit
het onmogelijke mogelijk lijkt om
vrede te sluiten met het bestaan, wat
recht geeft aan volstrekte zinloosheid
en daaruit haar zin ontleent, hoe
ver ben ik daar nog vandaan?
“Tijd heeft slechts één abstractie,
wij maken er honderden van ”.
Jutters
Gedachtenstromen lopen niet
parallel met de getijden,
lijken stil te staan, kosten
kracht om tegen moraal en
mening in te zwemmen, als
drenkeling - op nog te ontdekken
kusten - te vondeling gelegd.
Drijfhout van onmacht
ebt mee naar open zee,
waar de verstekeling uit
ervaring leert dat gevoel
en wijsheid zich niet onder
een paraplu laten scharen,
alleen uit een tolerantie,
zijn visie moet vergaren
in een nog te componeren
refrein,waar hoofd en hart
één kussen van de rede zullen
delen, boodschappen verpakt in
transparante flessen, voor de
juiste jutters te vinden op
een denkbeeldige vloedlijn.
Zuurstofrijk
Ach die tijd, onze tijd
van ondergang en overgang,
scheidt de dag de dauw die
we vertrapten, in de middag al
verdampt, klampt zich aan
het tempo van elke hartenklop
waarin we mochten hopen,
wat in elke seconde start en
eindigen kan, in de avond ligt de
overvloed met ivoren plaveisels
ingelegd en in de kristallen nesten
waarin we rouwden, in de avond
weer geslecht, resten de morgens
waarin we lachten en steeds hoger
bouwden in het zuurstofvolle bloed
van liefde en herkenning door beider
rijpende navelstreng gevoed .
“Men laat slechts uit het hart lezen
als de ander zich daar in laat kennen “
Zilte voeten,
Wij leefden, grazend als de dieren
in het stille dal van een duinpan,
spelend in het licht en zon en met
elkaar om steeds een eerste bruiloft
te vieren, beschut tegen raadselen
van de toekomst en de wind, wie van
ons het ruisen van de golven, het spel
van elementen wilde zien, besteeg
het helmgras naar de top, tuurden
naar de kim en verder tot ons andere
werelden invielen en naar de zilveren
meeuwen keken om hun zwaartekracht
te meten, de top van het duin was de
troon, soms onbereikbaar en vol hoon,
een zeewering tegen verdriet,
om die eerste stilte te ontmoeten,
de getijdenbries op zilte voeten..
Maat - en meetlint
Zinnen, geef mij je woorden
terug, huid van perkament
een lege slaapzak op de rug,
om inzichtelijk te worden
blindheid op het papier, het
wordt me aangepraat misschien,
geblinddoekt naar een einde
streven naar gelijke strofen
en ik de inhoud nog niet zie
en me op de private tekst verlaat,
het ene dicht de ander toe in de
maat- en meetlint van de poëzie,
fluitend riet waar de wind van de
me toegemeten tijd in blaast, steeds
hoger en altijd gehaast, reikt naar
de toonhoogte van mijn verdriet en
naar een remedie tegen dyslexie.
Vuurkorf
De winter telt de roest
door de ruit en in de nerven
van de transparante jaren,
waarmee het seizoen vervelt
tot in de huid, strekt zich op
duizend vleugels uit, warmt
zich bij het reinigend vuur
van de winterbruid om de
herfstmuze uit te luiden,
klinkt als vrolijk lied wat op
z'n toverfluit de glazen telt,
kristalen tonen over bladeren,
schrijft een naam met houtskool
naast de hare, houdt de luiken
dicht voordat de noordenwind
de as van letters veegt, de liefde
haar lichte wieken weegt,
verzuchting naar het lonkende
zuiden, waarna de uitgebroken
lente de vuurkorf leegt om z’n
temperament te openbaren.
“ De natuur is ons levende temperament,
zij weegt de veranderingen “
Paul
Nectar en ambrozijn
Geen schaamte ligt in eerbaarheid
als hij zichzelf tot koning kroont,
de (wan) hoop van een stijve, voor
de spiegel of voor een vrouw, bij
het verlaten van de intieme woning,
voor dag en dauw, een bekroning
van het pochen van een pauw in een
kleur die met veren wordt beloond de
verzadiging ondervindt hij aan den lijve.
Een vrouw liggend in het warme zand,
beweging over blanke heuvels en zachte huid
in de virtuoze zetting van haar hand, voor roos
en rozengeur, de nectar en ambrozijn waarvan
hij blind blijft proeven voordat hij de ogen sluit.
Nooit wordt dit beeld verstoort wat in
de niches van de geest een mythisch
raadsel blijft, een weergaloos moment,
ontrekt zich aan de zwaartekracht waarin
geen schaduw kleeft, op intuïtief gevoel z’n
lichaam leest, bewust te zijn dat hij leeft.
“Liefde verkwikt als zonneschijn na regen “
W.Shakespeare
Iemand anders?
Zo-even ontwaakte ik zo zacht,
ik dacht dat ik kon zweven, waar
eindigt de dag en begint de nacht
in hoeverre reikt de macht tot leven?
Kan ik de noorderzon nog raken, het hart
te groot, omdat ik mijzelf er buiten sloot,
verloren in de nevel van de atmosfeer,
aan de overzijde lonken groene weiden,
beweeg het aangeboren leven heen en
weer, zwijgzaam roepend, in angst
een andere stem zou horen, als ik
in iemand anders was geboren, om
mijzelf te vermijden, schudt een droom
mij wakker, waarin ik wordt herkend
“Een mens is een gevallen blad die
zich soms de boom herinnert.”
Paul
Binnen de krijtlijn ?
Schrijven over geloof
en waarheden, dichters
nemen het brein in eigen
hand, woorden kaarsvet
lekken op geschreven
tafels, waarmee papier is
bevlekt, in de kantlijn van
een verstilde melancholie
omfloerst de glorie als
zij de nacht weer doven,
tevreden achterover leunen,
om daarin zelf te geloven ,
steunt op een onvolprezen
goed, wat uit de mond en
ogen bloedt, de zinnen
te wegen in de zonvloed
van het levensbloed, zwijgen
als we dat verstonden, binnen
marges en de krijtlijn van
talent, wordt gejaagd op
blanke bladen koele vellen,
blauwdruk van een literair
verlangen wordt de scheidslijn
weer vervangen, weggepoetst
wat is neergeschreven ook wat
de prullenbak niet vrat, heeft
een kort bestaan, onverschillig
voor de dood of leven, warm
of koud door niets ontroerd.
"Goede literatuur bezit het vermogen ons
met andermans ogen te laten zien."
Gerrit Komrij
Ze bewoont de stilte.
Ze bewoont de stilte, ze bedrijft haar moraalvoor
mij in een nog te ontdekken taal.
" Hoe is het wonen in de stilte, vroeg ik haar? " Geen geluid kwam over haar lippen, toch antwoordde zij: - Als ik in de stilte van de sterren woon is er geen geluid meer nodig om de alles omvattende leegte te verwarmen, daar buiten heerst alleen koning winter, daar ben ik eeuwen lang vandaan, alvorens om tot mijn kindsdom terug te gaan, zal ik immer zwijgen en alle geluidloze woorden in mijn grafsteen krassen, om onuitwisbaar alle grond en gave schoon te wassen.-
" Opus dei "
Haar mond ontvlucht,
zwermen witte vogels
in wit brokaat.
Volle moederborst
begeerlijk voor het mensenkind
altaar van de zon.
Onbezonnen zijn,
het witomrande doodskleed
in de knop te sterven.
Kweek zoete tranen
in een kelk, dag tot dag
het brood van schoonheid.
Tussen de lippen
kastijdt een dorstige ziel
‘Opus dei’ in verwijt.
Trajectum ?
Ongeëvenaard in aard,
stuwen oceanen bloed
door beddingen, gedenktekens
zonder bestemming, merkstenen
van tijd, geërodeerd tot stof,
gedragen tekens vloeien
door de argeloze dagen.
Het ‘zijn’, heeft een nieuwe
betekenis en woorden nodig,
om te bekeren en de leegte
te omarmen, de hemel taant in
kracht als ze veroudert, vingers
wijzen naar de voortekens dat
werelds macht verkeken is voor
leken, wanneer je goed z’n
bleekheid leest, vloeien tranen
in het tanend schemerlicht als
vrijgeleide, naar een eindpunt
waar de stilte wacht, het leven
zwerft langs wegbewijzeringen
van het lot, wie de dans
van de woestijn doorstaat,
draagt de zon in beide ogen.
Literair onkruid ?
Aarde is hij, gestampte vreugde en verdriet
geur van grond en late teelt van gisteren,
een visie op de onontgonnen velden van z’n
te vormen taal waarin hij het onkruid wiedt.
De woorden ontstaan in trage groei, maar
breekt de muze open, gebaard in het labyrint
van de lome emulsie in z'n literair bestaan,
daar komen bottende pennen tot bloei.
Theatrale inkt wat de dramatiek herschrijft
wat verloren gaat in de overspelige vlagen van
de wind, weerlegt de wereld in de holle frasen
van de ironie waarin hij cynische tonen legt.
Zwoegt hij voort als regeldanser in pulserend
evenwicht, ploegt voort als gulzig dromer, die
spoort tussen de leugen en de eigenwaarde,
in een tijdloze carrousel van realiteit waarin
de proza het best gedijt, maar hij als verrader
met de voldongen waarheid achterblijft.
Contouren,
Wie bij daglicht de
gordijnen van de
wereld sluit en de
kaars zal doven,
beleeft de toekomst
in een droom, een
vermetel gebaar om de
tijd te willen ophouden,
verwijzing naar vroeger
eeuwen, zo de mythe wil
geloven om in elkaars
armen en gedachten te
verstenen als lot, dat
geluk niet zal benijden,
vandaag te beitelen in
contouren van de morgen
vloeit samen in een angst,
in duisternis verborgen,
te verliezen en te wenen,
terug te kijken naar alles
wat men heeft lief gehad
en misschien zelfs meer
om zich te bevrijden.
“ Geluk is niet een ideaal van het
verstand , maar van de verbeelding."
Immanuel Kant
Juk ?
en gekweld onder het juk
van twee goden, de ene held
die zijn krijgsverhalen telt, daarin
zwelgt in eigen hemel en zielen
knevelt met geweld, zijn tanden zet
in de kwetsbare delen van het lijf,
dan die ander, een supervrouw, tiran
en meesteres tussen de tafel en het bed,
tovert netten passie op haar spiegels
liegt over geluk, ziet het als een
komisch spel, en ik daar tussen, in
de liefde en het alter ego als grijze
muis in het nauw, ben ik een kwezel
die de vrede niet kan vinden, ik wordt
geveld door beide goden, zo wordt ik bij
hun slachtoffers geteld, moet ik leven
naar het oordeel van de doden, moet ik
kiezen zonder beide te verliezen, maar
wat geeft het, ik weet nog steeds niet wat
ik ben of toch slechts een assimilatie?.
“ Ben ik een God of
een slechte plagiaat ? “
Plato
Schrijvers wiel?
Slijp mijn nachten
en de pennen in elk
uur, wet de tijd op
slijpers steen,
verscherp het drijvend
vuur op anoniem papier,
heb geduld met de nog
verszinnen dag, al
lijkt die te zijn gehuld
in sluiers licht, waarin
de tranen net zijn
opgedroogd, waar
de inkt in de as van
memoires is gedoopt,
en schrijvers stem en
avontuur nauwelijks
worden gedoogd en
de heldere vlam van
de ochtend nog niet
ontstoken was, tot
het klagend wiel
van de scharensliep
mij uit de dromen hielp
en tot de orde riep.....
‘La patience est l’art d’espérer’
‘Geduld is de kunst van de hoop, ‘
Voltaire
Prelude ?
Deksels vallen van de wolken,
een slagboom aan de horizon,
een paraplu van dromen houdt
de afgedwaalde zinnen niet tegen,
ieder woord een uittocht, snel
verdwenen over de paginarand,
van achter de oorsprong koersend
vanuit een gekend verleden of naar
een onbekende einder, refrein op
een onbeschreven blad, uitvlucht
voor zovele kunstgrepen, thema neigt
naar overdrijving en naar eindigheid,
wrange paukenslag van ouderdom om
een dwaling te herschrijven, voor -
en naspel tot wedergeboorte blijft een
geheim, prelude tot een nieuwe attitude.
Tijdserosie ?
Tijdschokken van voorbijgaande aard,
stuwen beken bloed door de beddingen,
slagaders in hun strijd, we plaatsen
merktekens die zullen eroderen door de
jaren om die om te zetten in woestijnen
van zand, gerangschikt in de archieven
van het hart, mijlpalen hebben woorden
nodig, hoe vaak zeer ontluisterend om de
ontstane leegte in te vullen met wijze
- en troostende teksten, te wachten op
de schaduwloze getijden die we kleurrijk
verluchten, wat ons terugvoert naar een
toekomst vol herinneringen, wat we heimelijk
al vermoeden, maar dan zonder bitterheid.
De zon schiet gaten,
De zon schiet gaten,
in de wereld vallen kraters,
één deel blijft schaduw
Bevangen stampers,
honing die wespen verleidt,
ontlokt vruchtbaarheid .
Katten van de maan,
jacht op de zonsondergang,
lichtval blijft bestaan.
Graven geleden,
was de aarde nog één tuin,
nu een Fata Morgana.
Licht zichtbaar in leegte
op de grens van het duister,
door onzichtbaarheid.
Ziener met één oog
tovert blinde tekst omhoog
bloem van gedichten
Vlinder zonder vleugels?
De aarde, blauw aangezicht
in het kosmisch kille licht,
ik wrijf je warm, op vlucht
tussen de planeten, waarvan we
vandaag de namen zijn vergeten,
ik dichtte een arm om je middel heen.
Je kwam liefde te kort, een woord
waarom gelachen wordt, het
blauw wordt ijs, daarna grauw,
niet in meer staat innerlijk te
bloeien, in de kou wordt alles
ontkent, de regen berijdt het
blad waaronder de vlinder geen
tehuis kon vinden en tot in
de lente zal zwijgen, een kale
boom op een oude prent, dat in
elk seizoen van kleur verandert
en z’n wortels voelt verstijven,
de vermoeide armen naar de
zon gericht om die in te lijven.
Stilte van verzadiging
In november is het licht
zo ijl, zo dun als de
doorschijnende huid
van een stervende berk,
hij wil z’n blad en zaden
niet langer vasthouden,
zijn hand opent zich tot
in de kern van het verteerde
hart om die los te laten,
skelet in een decor van de
opkomende maan, die
draait om zijn eigen wil en
as in de groeven van de
herinnering, daarboven het
onverstaanbare geprevel
van de najaarsregen, roerloos
leunen de oude bomen tegen
de avond aan, er hing een stilte
van verzadiging over de aarde.
Haar natuur,
Als ze danst, wordt een werveling
universeel, ze betreedt met beide
voeten elk werelddeel, op de sterren
en de zonnestralen, op alle windstromen
wordt haar beweging waargenomen, ze
draalt niet in haar zinnelijke vlucht,
in de wenteling wordt de aardse
zwaartekracht vermeden en deelt zij
met mensen haar serene vrucht, zaait de
liefde uit een heilige natuur, woestijnen
worden akkers op den duur, groene ideeën
spruiten uit de grond, er baart geurende
bloesem uit haar mond, zij speelt de
hoofdakte in een mondiaal gerucht, zij
maakt wat ziek leek weer gezond , want
zij is dé boodschap wat in het land zal
gisten, naast de verlosser in onbegrepen
twisten, haar dans zal enten, maar de
beweging zwelt, ver over door de mens
gemaakte grenzen, bestuiving leidt ons
naar haar gewelf, om de hemel opnieuw
te bevruchten, de sterren een beter lot
te wensen, want ze is de kosmos zelf.
"Ieder kind is een liefdevol kunstenaar.
De moeilijkheid is er een te blijven als
het volwassen wordt."
Pablo Picasso
Monogram
Als seizoenen vernauwen
tot een trechter met kille
duisternis moeten wij nog
hechter slapen gaan en het
licht laten schijnen over
dromen die ons benauwen,
zelf zijn we de armen die
ons weren tegen gestapeld
grauw en tegen de ondeelbare
wereld die buiten ligt te
wachten en getekend in de
nerven van doorschijnende
gedachten. Mist en regen
verspellen ons een begin in
een geluidloos sterven tussen
verwachting en de wanhoop, van
een tijdloze monogram in
scherven waarin we staan.
Harry
Welk mens heeft de macht om
naar geest en gave en met
zijn creatieve pen de kracht
in het literaire het hele
scala kan beschrijven en te
laten overwinteren in elk
tijdsbeeld tot mogen kiemen
en tevens te laten bloeien ?
Er bestaat geen einde in de
fictie en in de tijdloze non –
fictieve verhalen. Het bracht
het oeuvre van slechts één
man die in eigen akte regelmatig
de eigen horizon naar de wereld
wist te verleggen, maar ook hij
aan de laatste grens van bladzijden
is gebonden, waarin nog altijd
een open einde ligt verborgen.
Naar aanleiding van de ziekte en overlijden
van schrijver/dichter Harry Mulisch
Noorderlicht
Onder de jachtige wolken
sprong de wind voorbij, een
roofdier zonder hol, koud
en onvruchtbaar uit het
noorden, het verborg haar
aangezicht gevoed door
beide borsten, het vroeg
de tol in winterlicht, een
herinnering die binnendrijft
alsof er geen hoop meer was op
een schuilplaats voor geluk, de
onrust jagend in een wolvenpak
door grijze luchten en dakloos
als een te vroeg geboren kind.
Geurtuin,
Ik weet nog steeds niet
of er juiste woorden
bestaan die de geur van
je huid kunnen vangen,
van jouw golvend haar,
het bewegelijk licht
van je ogen, wat mij
onbewegelijk maakt,
verlangen vanuit de
vingertoppen, strelend
gebaar van verwachting
op het puntje van je lippen.
Als ik hiervoor woorden
kon vinden zou ik de ogen
sluiten en geblinddoekt
dwalen in jouw geurentuin
en vastleggen op tijdloos
perkament maar niet kon
zeggen op dat moment als je
er niet bent en dat is vaak.
"Zoals de bloemen hun geur
verspreiden, hebben wij de
liefde nodig om mens te zijn ".
Francis Bacon
Glimlach uit het avondland (5)
Zon verliest zijn kracht,
niet omdat hij veroudert,
schaduw rekt z’n tijd
Als men tekens leest,
hemellichamen zonder naam,
met ingetogenheid.
Vissende reiger
overleven op beide benen,
doet het ook met een.
Ongeboren kind,
bevrijd in het niemandsland,.
bron van vruchtwater.
Onvoltooide tekst,
waarin syllaben ontcijfert,
vergeelde bladen.
Hemelse schouwburg,
engelen dragen maskers,
doek valt voor de zon.
Paard zonder naam
Bestijg het diepste punt van
de woestijn, te delen met een
verkoperde zon, gebeden
verbleken in uitgebeend gewas
bij verdroogde oases, rode
waas verblindt de ogen,
gemalen hitte verstoft de
horizon, waar een schorpioen
de staart doopt in een plas venijn
van besluiteloosheid, gif als
medicijn, angels verbonden in
een doodskleed van zwart satijn,
daaruit is mijn onwetendheid te
verklaarbaar, langzaam zichtbaar
wordt een versleten maan, vergeten
in werelds vijver, aan het vangnet
van het avondrood gehangen, in een
stofstorm heeft dat paard geen naam.
Wat veel meer betekent dan alleen
een visioen, ontsnapt aan de mazen
van de zandgolven, gemeten aan
de ijver van de oceaan, lonken oases
nog begeerlijker in de waan van de
dagelijkse dingen en met zachte
heelmeesters van de geest is het
twijfelachtig of dat geneest en zal ik
verdrinken in de Fata Morgana van de wereld.
Van de brug af gezien….
Vergeefs begeerde zekerheden
beroofd het hart van een nauwe vrede
van de brug af heeft dit geen gewicht
als die is opgehaald, is dat met een rede,
het herkent de vele vormen, argeloos
is het vergezicht, het speelt met troebel
water, er was geen verleden meer,
maar ook geen later, een oneindig
spel verbindt de tijd, maakt zich
meester van eentonigheid, naar links
en rechts steeds onbevangen, in
verwondering voel ik het verlangen,
wat onontbeerlijk scheen, lost zich op
in een panorama van gedachten, soms
wild, soms sereen, gevoelens zo aards,
wat bij tijde weer verdween, spiegelt
het geluk in één moment gevangen in
licht dat de tederheid omspoelt, lopen
we over water, nadat het ijs is gebroken.
"We kijken allen van dezelfde brug, maar
we hebben niet eenzelfde horizon “
Seneca
Aarzeling,
Telkens als je mij met je ogen aanraakt en ik in de ochtendmist ontwaak, word ik licht en doorzichtig als een druppel dauw in de mediterranen van je hand, waar levend water stroomt waarmee je mij hebt gemaakt, nu
aarzelen je lippen nog waarmee je mij eens zult
drinken, zal zien en begrijpen
als je dat gedurfd had, nu
kan ik alleen maar hopen.
Glazen bol,
Koud en onvruchtbaar
als de polen, de glazen bol
gevuld met winterlicht, in
een draaiend beweging van
een kleine hand ontkiemt
het noorderlicht, wolken
sneeuw die behoedzaam
binnendrijven, hoe hard ik
ook zal draaien, het zijn
souvenirs van herinneringen,
die opspringen en wil bedekken
aan de binnenzijde van deze
minuscule wereld. Achter glas
vertekend de pijn zich in tijd,
de teruggekeerde rust dekt met
stilte dit tafereeltje toe,
draait de aarde door in de
palmen van volwassen handen
om die te openen in de lente.
De duivel zegt, dat ik
een fust moet zijn met
houten duigen, met een
ruggengraat geringd met
ijzer, tot rand gevuld met
gerstenat, verlichting
vanuit het tapgat, waaruit
ik alleen mag tappen, alleen
daarop rust het voordeel
van de twijfel, de overgave
telt in onverzadigbare teugen
van gelagerd bokkig bier, de
grappen te weerleggen, met
de lippen van een halfvol
vat te nippen, in een stroom
van onvertogen woorden
die in de ontstane holle
ruimte resoneren, waar ik
een bloemrijk betoog in
onderhield, mij de toegang
te ontzeggen naar een ander
aangeslagen vat, maar die
klonk uiteindelijk nog leger,
wat me lang zal heugen, misschien daardoor een beetje wijzer.
Resurrectie,
Mijn troubadour, mijn heraut, de zon,
geestdriftig krijger voor de deugd
en louter vreugd voor velen, zuiver
als het pas gedorste graan, jeugdigheid
uit de eenvoud van het hart, een
verlosser en de boodschapper tegelijk
van de oogsten zover men ziet,
verlossend maaier in een wervelende
show van stralen, in een oceaan van
hoop, de ogen vlammend gericht op het
aards verdriet, deinende ritmen door
de weidse ruimten, vormt het zout uit
de kleur van stuwend bloed, gelijke
stolsels van de twee geslachten, uit
de schaduwen van het licht naar evenbeeld,
waaruit de Goden de seizoenen boetseren,
herrijst uit aarde die ze met de mensen deelt.
“De Goden hebben zout in onze monden gelegd,
zodat we dorstig blijven naar geluk ”
Augustinus
Kristal kinderen,
Zachte winden om de slapen,
haren baden in een gouden licht,
ze plukt de zoete dromen uit
haar heelal, in haar schoot
voedt zij ongerepte zwanen in
een oneindig ritme met de houten
klossen aan een zwierig touw,
ze beschrijft de lessen van de
aarde in de hemelboog,ze kust
de dieren van haar spel, drijft ze
tot oprechte daden, in relatie tot
de schoonheid van haar wezen, onbewust van een voorspellend
voorgevoel, past het kleed van een
volgroeide zwaan, nu nog kind,
straks volwassen vrouw, vanwaar
zij uit haar aard in onze ziel en over
een horizon kan kijken, om op vrije
vlucht de grenzen te verleggen, een
zucht naar te ontdekken oorden, in
het belang van haar bestemming
kromt de tijd en aarde om haar heen,
ze openbaart zich als rechtschapen
mens, trouw aan eigen norm, een intuïtiezonder woorden, perceptie
van een ongeschreven waarheid,
in alle tijden zo helder als kristal.
In een oogopslag,
Mijn ruimte is te klein,
ik schuif de luiken dicht,
je kracht omhelst het bloot,
de nacht is ver en zo dichtbij,
het morgenlicht is boterzacht,
smeert mijn hart in een peilloos
meer, zo weids, zo diep, levend
wit van golvend schuim als je
glimlacht om je tanden en
mijn zinnen te ontbloten weet
ik wat je van mij verwacht, ben
daarin geen partij voor jou en
wordt een vluchtweg afgesloten,
beleef ik de wereld in een vluchtige
oogopslag, om een hemels spel te
loven, toen mijn weerstand brak.
"Liefde doet de wereld niet draaien,
maar ik geef toe dat een tocht erover
de moeite waard is."
Voltaire
Mijn domein ?
De dichters worden steeds
verhuld in de betamelijkheid
van emoties als zij worden
gekroond met de kale lauwerkrans
van onwetendheid, wat afdaalt
naar een onheilspellende niveau
van een weerhaan, die maalt en
keert, in een opkomende bries
verteert, op een hoogte die is
afgemeten, daar rust een embargo op.
Het is helaas de weerschijn van
de realiteit, waar hete as gloeit
in de moederhart der dichters,
waarin de taal jongleert in de
blinde anonimiteit, zich niet
bewust zijn in de wetenschap
waarin zij denken heer en
meester te mogen zijn en waar
alleen zij de ruggen rechten.
Kwatrijn,
Omringd door zwarte kammen,
mist verhuld gelijk een nauw gewaad,
kille gezichten op alle stammen
omlijst het blozen van een teer gelaat.
Bevende bloem in een bevroren staat,
waarin het tij de kleuren niet wil verlammen,
geen dichterlijke nevel haar geur in kan dammen
broos in schoonheid bloeit naarmate ze vergaat.
Gedreven door de nachtelijke coryfeeën,
meer bizar dan de wildste orchideeën,
bevruchting van haar eerbaarheid,
met honingzoet de bitterheid verleidt.
Al die innigheid in beider blik ontloken,
op het rijke klankbord van verlangen,
rijpt een bonzend hart onafgebroken
in haar schoot, kwetsbaar maar onbevangen.
“ De ritmische creatie van schoonheid
vertolkt in woorden heet poëzie”
W.Shakespeare
Nog aanwezig ?
Mijn adem wappert na, als
spinrag in de kamerhoeken,
het web waarin de glinstering
van tranen zich edelstenen
waanden, alhoewel ik in het
heden al voorgoed vertrokken
ben, in dat bed hoeft de tijd mij
niet te zoeken, op de spiegels
van het verleden hangen nog de
druppels wasem van mijn stem,
één goede schoonmaakbeurt en
de ruimte is weer vrij van resten
of sporen aanwezigheid van mij.
"Liefde meet zich vleugels aan
om in vrijheid te ontsnappen."
Vergilius.
Glimlach uit het avondland (4)
Perfect is datgene
waarin we ons in de liefde
imperfect maken.
Als goden straffen,
hoeven we niet te vrezen,
wij zijn hét gebed.
Het lot is geen doel,
maar een opdracht anders te
kijken naar onszelf.
Ervaring is de som
die aan de opgetelde
fouten blijft kleven.
Denken meester te
zijn over de wereldgaard
niet over eigen aard.
Hebzucht is het
allerlaatste toevluchtsoord
voor al het falen.
Opgespoten land
Wisselend licht scheerde
langs de stadsrand, over
een horizon van waterplezier
van een gastvrij merenland
opgespoten tot een zanderij,
het fijne zand stuift over het
speelkwartier, de lege ramen
op de kade staren blind over
een woestenij, het vrije zicht
voelt zich verraden, afgegleden
naar een andere tijd, achteloos
gaat de wind er aan voorbij,
de lucht welft zich over vaal
en levenloos terrein, verlaten
spiegeling van het blauw, nu
somber en eentonig grauw.
Dit zal de einde van mijn wereld
zijn, sluimerend en ontraadseld
in heimelijke trouw naar wat
vertrouwen gaf in een verloren
strijd ontleent aan de herinnering,
de dood ploegt de voren strak naar
ander leven, het einde van de dagen
draagt de sporen van een nieuw begin.
Glimlach uit het avondland (3)
Als we liefde zien,
hoeft ze ons niet te zien,
ze is er altijd.
Vertrouw de dichter,
wantrouw zijn verhaal, gebouwd
op eigen visie.
Schaamte of zonde,
zijn de onrijpe appels
uit de boom van de geest.
Eenzaamheid is stilte
waar gekoesterde dromen
tot stilstand komen.
Blindelings ?
Zomaar een morgen als alle
andere in het vrome licht,
aandoenlijk zonder stekeligheid
van de nacht en nevel, waarin de
dagen hun bitsheid hebben afgelegd
en het duister zichzelf met zwart
fluweel heeft gedrapeerd, waarin
een minstreel zijn fluisterwoorden
onbelemmerd uit zijn hart en luit
laat stromen en in alle toonaarden,
na jaren van eenkennigheid kan ik
mijn gekozen vrede blindelings
componeren om met iedereen te
kunnen musiceren, is het of de
ring van het bestaan zich sluit.
"Het leven is een karwei dat je strijdbaar moet klaren.
La vie est un travail qu'il faut faire debout."
J.P.Sartre
Opgedroogde bronnen
De vreemdeling werd naakt
geboren, de huid en broek
zaten hem te wijd, de riem te
strak, muilkorf van discriminatie
stak over beide oren, bij voorbaat
een verloren strijd, achtervolgd
door gesmoorde stemmen, die de
wereld in bezit namen, kon het
denken niet remmen, bleef daarin
trouw, respect naar zichzelf is
niet te temmen, gebrand in het
eelt van elke hand om zich in
zijn eenzame pad te keren tegen
de ideologieën van de door de
goden geteisterd land, waagde
het zich tegen blinde macht
te weren al sinds jaar en dag,
zag het gistend vat van onmacht,
kon het onrecht niet bezweren,
hoop bleef over om uit dat weinig
van de opgedroogde bronnen nog
enige menselijkheid te destilleren.
Chromosomen
De ruimte van geluid
vullen met gedichten,
de stilte niet bruskeren
aards moraal gevangen,
in de mens verwerkt, de
verwarring versterkt de
beelden, om die mee te
voeren in “dood tij “om me
argeloos de mond te snoeren
met onbekende woorden, om
de sterfelijkheid met zijn
handlangers te bedwingen,
zwervend voor de poorten
van de onmacht, blijven boeken
zonder lezers, tot stof vergaan,
teruggebracht tot schimmel,
worden niet verbrand tot
louter inhoud van de dromen
om die beter te ontwarren dan
de beste therapeut, berusting
in mijn chromosomen.
"Ik zing zoals de vogel zingt,
die in de twijgen woont."
Goethe
Verzin een list
Ik wil niet lijden
aan dromen, die de
gaven van de geest
verwart, verbijt de
pijn, ik schenk je een
dubbelleven in een
ander hart, dat jouw
realisme tart, om een
ontrouw te vermijden.
Laten we samen de
duivel te grazen nemen,
met wie jij in je slaap
op wil trekken die in
ons midden huist, met
genoegen zal ik mij
voor de daad lenen,
deze schim te wekken,
om deze met zijn streken
uit de boezem je leven
naar de noorderzon te
laat vertrekken.
En streel ik je wakker
in het morgenlicht,
onderzoek waar jij
in hebt beslist, vervloek
het moment, waarin je
z’n makker werd, verdoof
hem met een duivelse list,
of zitten spoken alleen
maar in het hoofd ?
"De geest die alle dingen
leven schenkt is liefde."
Oscar Wilde
Vier wegen ( haiku’s )
Hemel van bladeren
bres geslagen in het groen,
weefgetouw van tijd.
Mensensporen dekt
een dikke laag ervaringen
vervagen nimmer.
Vlinders begraven
hun beelden in het herfstlicht,
mist als berusting.
De dood getemd, wordt
ontdaan van zijn verschrikking
in een jaarlijks verdrag.
"De dichter heeft slechts één voorbeeld:
de natuur; slechts één gids: de ruimte
tussen leugens en de waarheid."
Voltaire
Jaarringen
De tijd heeft mijn bast afgepeld
het verwonde vel over mijn geest,
een lang verhaal in jaarringen verteld,
kwetsbaarheid van onbehandeld hout
door bijl en beitel menigmaal gefreesd,
tot er niets te pellen overbleef, bewerkt
uit ruwe staat, te lezen in de oude zonden,
diep geworteld tot in de ruggegraat,
in de laatste nerven wordt het koud,
schors ligt overal, vermengt zich met
druppels bloed, gemorst mengsel kan
het verval niet dichten en kan met
tranen de gewonde smart niet verlichten,
stroomt taaie hars uit iedere knoest,
blijft het karakter onafhankelijk en
onverwoest, verwerkt tot geschaafde
planken, het hart bekist het zachtste weefsel,
en wordt het uit het juiste hout gesneden,
dan herpakt zich uiteindelijk het verleden.
"Ervaring zonder theorie is blind,
maar theorie zonder ervaring is niet
meer dan een intellectueel spelletje."
Immanuel Kant
Onvolmaakt?
Kijk mij niet meewarig aan
met een keurende oogopslag
gun mij louter dit ogenblik
even langer dan we nu bestaan
tederheid grijpt me naar de keel
in onuitgesproken zelfbeklag
moeilijk te ademen als ik stik, je
hoeft deze strijd niet te vrezen
in de keuzes krijg ook ik mijn deel,
het verleden heeft dat uitgewezen
verwacht niet dat je mij daarin kent,
als de momenten ondragelijk leken
ben in jouw gedogen niet gekend,
uit onvolmaaktheid bewezen in
het minnespel volmaakt verwent.
Reflectief ?
In de reinigende stroom
in palm van seizoenen
heb ik de mens in mij
afgestroopt, leek het
bijzonder om niets te
hebben of te willen en
alleen met de liefde onder
een onbedorven hemel te
staan, een zon die zich een
ongerepte weg baant naar
de essentie van het bestaan,
het zwijgen betaald met een
allerstilste klank als blote
schaduw van een onbeschreven
blad, waarop tekst en uitleg
niet werden vertrapt, een
begraven pijn op hagelwit
papier waarop nog niets
geschreven staat en daarop
alleen verliefdheid te uiten.
Lijkt het niet heerlijk te dwalen
door een labyrint van visioenen
van de menselijke natuur waar
enkel passie telt en de toekomst
met het heden te verzoenen ?
Verre horizon.
In het vervallen licht
van een leeggewaaide
vale blauwe hemel, de
zon half onder, kale
bomen stijgen naar
mijn kop, het doet er
weinig toe wat ik voel
of waar ik ga, met wie ik
de gedachten delen zal,
nu nog alleen, straks
misschien met velen, of
dat de morgenstond er
nog zal zijn, waarin de
nuchterheid is uitgelicht,
het lichaam doorzichtig
naakt, valt dood bladgoed
van nerf en ziel op tot het
met lot doorweekte grond,
bekleedt een transparante
lauwerkrans mijn koude
voeten om die laten wortelen
in een verre horizon.
Nachtrefrijn
Alleen ging ik op pad, floot me
door het duister, omdat iets in
mij ontstoken was, nog lichter
dan het uitgedoofde avondlicht,
zocht langs wanen, de snoevers
in hun stijf ornaat, in rusteloos
beraad, op armlengte van elkaar,
versloeg gestaag de lust te
luisteren naar mijn geestesoog,
doorgeschoten, zweeg het in alle
talen, alleen te zijn in een
nachtelijk refrein of ik in
lokaal en kroeg welkom zou mogen
zijn, leek het of alles om me
heen verdronken was voordat ik met
Jan en iedereen uit feilbare glazen
gedronken had, geklonken op alles
wat mensen delen, weerklonk door
uit vooroordeel, sprak om bij
elke slok te preken, vocht aan
dwingende lippen reeg, bleef de
vraag of gemoed in lege kruiken
te kweken was om in vers licht
andere potten te breken, waarin
de weerstand allang gebroken was.
Compost van tijd.
Eiken roesten met bleke
kroon, geteisterd in storm -
doorweekte regennachten,
reikhalzend over zwart satijnen
grachten, waarin zomers licht
onverbiddelijk voor het najaar
zwicht, wacht - rood en geel -
geslagen bladgoed op de laatste
dolkstoot van de wind, onwetend
hoe die op te vangen om naderend
onheil te verzachten, de maan in
stervenshoon de laatste stralen
van de zomer treitert, verstoten
op het altaar van een dun vergulde
troon, toont stervensweeën met
betraand gezicht, valt uiteen in
de onheimelijk geur van gekozen
scherven, eenzaam verwerkt tot
compost van een tijdloze willekeur.
"De natuur haat al het gekunstelde
en wat door geen kunst geleden heeft,
tiert verreweg het weligst."
Uit: Lof der zotheid ( Erasmus )
Gewichtloos ?
Herfstbladeren zo bros, er
waren tranen opgedroogd,
strijden stralen in zeeën licht,
gericht op komend seizoen,
de boezem van ander zicht,
gaat het gerucht dat de zomer
daar sterven wil, kiemt zaad
onzichtbaar uit de prille vrucht,
onomkoombaar voor elke vloek
of zucht in een bekend bestaan,
veegt de laatste zon de sproeten
van mijn gezicht en de gewogen
woorden uit een gedicht, in de
kromming van de tijd vergoten,
spiegeling uit voorspelbare bron,
gewichtloos, doorschijnende
bestemmingen voorbijgeschoten, om
op onbekende kruispunten ideeën te
ontmoeten, krijgt alles z'n gewicht.
De daad uit het denkvermogen, onbeteugeld
en wispelturig als het is, zwerft rond tussen de
dingen van de aarde, volgt haar eigen weg….
Bron: de Bhagavad Gita
Mythe?
De allerhoogste graad in
een zin of regel, die geen
twijfel laat bestaan, van
wat ik zeggen wilde,
daarin zou nog menig
onversneden boodschap
moeten staan om al wat
mee - of tegenzat, uit
losse hand geschreven,
uit ervaring of uit leed
bedreven, met tol en
taal betaald, zich braaf
verhaalt tot het heden
vanuit het gekuiste dicht,
blijft slaaf van literaire
daad, wars van plagiaat,
de mythe van de muze
verslaat, het hele scala
van de overdaad waarin
ik tomeloos verdwaal,
meer kon ik niet geven,
daar kan ik mee te leven.
“Als de wereld begrijpelijk was,
zou er geen kunst bestaan."
Camus
Taalgrens
Een woord wat niet
bevriest, warmer dan
mijn bloed, zoek ik,
wie het vindt mag het
roepen wat alle pagina’s
beslaat uit woordenboeken,
wat ik lees is lopend vuur
verliefdheid zó heet, dat
de dood ontdooit en waar
mensen gaan, de haat
verbleekt, tot er zinnen
vallen, als bladeren
gestorven zijn in beide
handen, verbleekt maar
ongelofelijk rein, dat
woord is waar en stil
genoeg, taalgrenzen voorbij
toen je er naar vroeg, ligt
die toekomst buiten mij.
"Ad surdum
Tot in het gerijmde".
Cicero
Verzoening ?
Wanneer je mij met
je ogen raakt, word
ik licht, vloeibare
bovenaardse regenbogen,
zo volkomen waarbij
de laatste zilveren
druppels stromen in
de palmen van het hart,
met tederheid bespeeld
het smachtend water,
waaruit de lichamen
van de wereld zijn
gedeeld, weerspiegeld
verlangen hemelsbreed,
toch aarzelen je lippen
te drinken uit een oase
van verzoening, te klinken
op het einde, die kiemen
draagt van een begin.
Ween niet,
wees niet verontwaardigd,
maar begrijp!
Spinoza
Over drempels
Onzichtbaar
vaar je mij tegemoet
op mijn eenzame tocht
langs wijde oceanen
van de grenzeloze tijd,
onhoorbaar
dringt je wezen
door tot mijn intiemste
luisterpost,
je kent mijn wegen,
die je ontcijferd en
gelezen hebt,
vaak gezwegen,
omring je mij,
ik adem met
een brok van
afscheid in mij keel,
ik zal huilen als
mijn lot mijn kist
verzegeld heeft
naast jouw gestalte
van onzichtbaarheid,
onhoorbaar leid je
mijn geschonden lichaam
over drempels van de dood.
"Tempus te citius quam
oratio deficiet "
"Tijd zal u eerder
ontbreken dan woorden."
Cicero
Gaten in emmers
In het dorstige land tasten
daklozen in het duister, ze
zijn de stralen van een
getergde zon en goddeloze
geloften al tijden moe,
papieren regels rotten in
het hout, een leger van
houtwormen splijt de wereld
open, dekt de aarde met hun
maskers toe, in de vlijt van
alle gestorvenen treft alleen
de hoop geen verwijt, de nachten
woelen twijfels bloot, er lekken
zure vruchten door de gaten
van de emmers, geworpen in de
onkreukbare morgenschoot.
Illusie?
Mijn geest waart rond
langs vreemde kamers,
passeer de mensen die
ik kende, hun verleden
getekend op onverlichte
muren, daar hangt nu een
leeg raamwerk,waarin een
favoriete droom werd
ingelijst, sta ik op dezelfde
vloer, alsof ik hem zelf
heb opgeborgen in een kist,
die men in de grond liet
zakken, dat moment draaide
knopen in de zakdoek van het
bestaan om vrede te sluiten
met wat ik zie, allang niet
meer voel, zelfs de namen
bij gezichten verbleken,
bijgezet in de nissen van
het tijdgewelf, wat aan
tastbare zinloosheid de zin
ontleent, geplaatst in de
mortuaria van herinneringen
die mij voorgingen en moet
missen, wanneer ga ik zelf ?
Diem perdidi, ad veritas victoria est.
Ik heb een dag verloren, maar
aan waarheid gewonnen.
Ovidius.
Alibi ?
Zolang de natuur buiten
haar oevers treedt, zolang
er mensen zijn, ontstaat bij
allen die leven op het rand
van hun bestaan een ondenkbaar
leed, daar zijn we mee begaan,
nippend aan de rode wijn en
voor de buis zijn we voor het
avondeten - soms vertraagd -,
altijd thuis. In de vensters
van de wereld komt deze tastbaar
dichterbij, de afstanden
huiveringwekkend klein,
we verdrinken in de alibi’s van
afzijdigheid en inderdaad het
maakt het geweten waterdicht,
maar toch betrapt op heterdaad,
in hoeverre zijn we vrij?.
12 gordiaanse knopen
Voor avontuur bedoeld,
was het scheepje getuigd,
werd het door passies
overspoeld, als vliegende
Hollander, een jachtig
galjoen, bolde winddruk
de zeilen met de kracht
van 12 gordiaanse knopen
stuurloos op een bevroren
kompas, overtuigd in een
nauwe wambuis, geankerd
en gekapseisd bij onbekende
kusten, waar het lot het
zwaard in vast liet lopen,
om verleidelijke sirenen
op de klippen te mijden,
viel tegen krachten van
emoties niets te winnen,
door alle 12 knopen door te
hakken, vanuit windstilte te
beginnen, alvorens het schip
voor nieuwe tochten uit te
rusten, om de steven naar een
gezamenlijke koers te verleggen,
om het goede maar te hopen.
“Quid vesper ferat, est incertum
spes ultima dea.”
"Wat de avond zal brengen is
ongewis, hoop is het hoogste goed."
Woordkeuzes?
Woorden wonen niet in boeken
ze leven in het hoofd, onder stenen,
tussen rottend blad en struiken,
witte sporen van paddestoelen
wel gesponnen, niet klaar om te
gebruiken, vloeken over herkomst en
afkomst in regenplassen te voorspellen
of om in schaduwen van het schemer
hun gelijkenis met de maat der dingen,
een ongelijkheid als onvoltooide tekst
te spellen, wollen draden van nog
te breien truien, opgestoken op de
lettergrepen van syllaben, afglijdend
op de pennen als bedoelde muziek,
ontcijferde betekenis van nieuwe
woordkeuzes, gedachten verwoord
met een andere blik, drijvend in
het kwelwater van elk gedicht.
Verba volant, scripta manent
Woorden vervliegen, het geschrevene blijft.
Seneca
Alsdan,
Dat ik haar hand
die zoekt nog vind,
alsdan,
dat mijn verloren mond
haar nog verhoren kan,
alsdan,
dat ik droom dat zij
haar aangeboren
schroom verlaten kan,
alsdan,
zij onze tranen weegt,
mijn wind die van haar
spiegels veegt,
alsdan,
planeten in
elkaar verstrengeld
raken tot regenbogen
in de ochtendstond
alsdan,
kleurig als het avondrood,
waar geen klaproos aan kan
tippen, de horizon op
haar oneindige lippen,
alsdan…...
“Als jouw compassie niet voor
jezelf geldt, is die incompleet.”
Boeddha
Dakloos dromer,
Zonnen wil hij vreten
zich nestelen in haar
cellen zonder de ogen
te kwellen die zich
branden op het netvlies,
kind bij een kloppende
rivier, verloren hart in de
illusie van het avontuur, de
aarde bewegen elk kwartier,
te herontdekken bij elke slag,
op te lossen in de mist van
erbarmen, hoogtepunt van
een drankgelag, verstijfd
bij menselijk geblaf, onder
de hemelse straf peilt hij de
in – en uitgang van de wereld,
een droomplaats waar hij
het licht laat doven, zich
geruisloos strekken kan,
diepweg in het binnenste
de gemiste dag mag loven,
zonder het echt te weten
Glimlach van het avondland (3)
Schiet vazen bloemen
naar je ergste vijanden
ze zijn je dankbaar.
Medelijden staat
ver van mensen, gedogen
slaat bruggen naar eenheid
Overtolligheid
te verdrijven heet moed, loont
zich met onthechting.
Harp zonder snaren,
milde toehoorders horen
veel instrumenten.
Gans verliest een veer,
voelt zich tonnen lichter
en vindt de dichter.
Wonderlijk te kunnen:
- horen, te zien en te mogen zeggen -
Boeddha.
Rusteloos?
In de klimmende jaren
moet steeds veel worden
weggegooid, het idee dat
verwachting en geluk
mild en duurzaam zijn, een
subtropisch klimaat, een
omhelzing als warme deken,
in plaats van verzilting van
mentale aanslagen die naar
gelang het duurt, steeds
levenslang vragen bij zich
dragen en gekoesterde
littekens achterlaat in het
verstand met z‘n wonderlijke
inblazingen en dat het er op
neerkomt, wat slechts een
uitstel van executie is, raakt
iedereen, maakt alles relatief
en gelijk, toch in de ziel een
rusteloos heimwee broedt
naar de stilte van een vroeg
begin, resten van een ander
leven wat de weerstand naar het
einde voedt die bijzonderheid
te ontdekken, zolang dat kan.
De prijs voor later ?
Klasjes kinderen rennen uit school
parapluutjes werpen schaduwen
over zon en regen en het aureool
van het verleden, door hun praatjes
de hemelen te bewegen wordt
alles gewist, boort hun schater
duizenden kleine gaatjes als een
zegen die in plassen aan het asfalt
kleeft, zweeft moraal van schaamte
in een veinsend boetelicht over
werelds arsenaal, steeds hetzelfde,
maar dan wel in een andere taal,
zeeft verontwaardiging in minderheid
van een langdradig verhaal, de prijs
te hoog, tijd voor de waarheid
is voor later, wordt niet minder
zwaar voor een nieuw gedicht.
Het geluid van stilte
Talloos het geluid
waar zon en maan degens kruist,
ruist de kleinste twijg.
Paarden uit een droom
zijn sneller dan de stilte,
hoefslag van winden.
Kind uit de sagen,
stilte in haar koninkrijk,
verlicht haar gelijk.
Roep van anderen
overstemmen hoge bomen,
geluid te verdragen.
Tijd draagt de dag in
geluiden van de stilte,
zonder oordelen.
Bekentenissen ?
In de voorbijgaande hitte van
het bos, spreken vlinders de taal
van een verstillend stemgegons,
waar de wandelaar zich in waagt,
met als levensproviand in de ransel
het zingen van een kind, geborgd
in de plantaardige traagheid van het
koele mos waar hij de weg in vindt
van nieuw ontdekte geuren , borgt
de kleuren van de hoop, bereidt
zich met bekentenissen te omringen,
zonder de uit - en afkomst te bedriegen,
slaat bressen in betekenissen, door
de scheuren een menselijkheid schijnt,
zijn waarheid zit in het mededogen.
Mijn veulens,
Dikwijls komen de
veulens in stilte
dichterbij de haag,
ongeduldig zonder
fourage, willen uit
de omheining, de roep
naar verse klaver naast
eenvoudig haver, uit
de strelende ogen
dromen zij van tijden,
om het bit te vieren
over onbegrensde weiden,
ik berijd hen op de ruggen
van de vrijheid, in één
sprong over hindernissen
van het leven, zonder
barrage met bruisend hart
en nieren, in dartel
bloed druist vuur van
deze slaafse erfgenamen .
Droog in mijn mond,
Ze liet haar kleren
vallen, natte afdrukken
van haar voeten in het
zand en in terugwijkend
water, de zee leek moe,
eb viel droog in mijn
mond, vingers schreven
vier woorden in de lucht,
ik voel en ruik je huid,
je haar, je lichaam tegen
het decor van de getijden,
golven murmelen tevreden
met zichzelf en ons en je
weegt die stem in zinnen die
je draagt, die ik begrijp.
Zeven bronnen,
Zoek mijn mond niet
op jouw lippen, zoek
de vreemdeling voor
een gesloten poort, er
vloeit water waar licht
in gloort, in zeven dagen
waarin ik niet kon wachten
op de zeven warme harten
met ons bruisend bloed,
ontsponnen in zeven
dromen in zovele tranen
van zeven rozen, één voor
alle nachten gekozen,
ruisend langs dezelfde
bron, zich een weg te
wanen in de zeven
gewassen jaren, waar
de tocht begon.
“Handel en denk als een pure
bron, de liefde zal je
volgen als een schaduw,
niet af te wassen.”
S. Rinpocher
Schipbreuk ?
"Covers"op triomfantelijke gelaat
en op de boeg van tijdschriften, en
op het verdeelde schip van staat,
om de bestemming te kiezen op
het kompas van kiezersbedrog,
laverend door de platte landen
in z'n zog een vertrouwd model
laat zinken, in een kleur die
naar polarisatie overgaat, zal
een nieuwe wind de zeilen van
het vaartuig moeten bollen, om
het niet te laten stranden op de
kusten van een sluimerend dictaat
Hun motto:
“We zijn er klaar voor !”
Ons motto:
“Daar zijn we mooi klaar mee”!
“De fijnste humaniteit openbaart zich in de wens om
anderen schaamte te besparen."
Nietzche
Spiegelplas
Ik zag je bij de levensbron
duizend schonen in het gras
oceanen bloesems, luikend groen
fragiel, transparant als glas,
liefde gedronken zoveel dat kon,
uit water, satijnen spiegelplas,
toen zonder kleur, verdroogd,
verdronken in woestijnen, de
tijd verloren, voordat je het
verlaten moest, tranen gedempt
op geboren spiegels van de ziel,
was een nieuw gezicht te zien, een
beeltenis die geen twijfel overlaat,
kwetsbaarheid, aarzelende osmose
wat vrij ging stromen in een dicht
ontleent aan strijd, ongeremd als
duister uiteindelijk in licht overgaat.
Amore vitrea est: tum cum splendet frangitur
Liefde is als glas, als het schittert, is het breekbaar.
Virgilius
Borelingen
Ik werd door tijd en dicht te
vondeling gelegd, boreling
van stilte en gedachten die aan
het papieren kraambed hebben
gestaan, kon al begrijpen wat
de omgeving wilde verzwijgen,
zonder iets te willen missen,
zal verder niets ontstaan, wordt
er niets gedeeld uit oprechte
vragen die zich tot onbegrepen
antwoorden laten rijgen, leeft
in wat ik heb geschreven
om op eigen vlucht te gaan,
markering van een opstandige
tooi, geankerde eigenheid,
wat eerst lelijk leek, werd ook
weer lief en mooi, er is maar
één leven om te slijten, waarin
de holten zijn dichtgeplakt met
veel omhaal anders raak ik de
draad en de essentie kwijt
waarin ik de levenszin vertaal
naar een nieuw perspectief, zonder
de tong en draak te steken naar de
strekking die ik lees en ademhaal.
Poeta nascitur, fit orator ?
Wordt een dichter geboren, de redenaar gemaakt ?
Plato
Trouwe tijd
Naast mij een vorm die zich strekt
wanneer ik naast haar lig en haar
perfectie bemin in een film die
op mijn netvlies voortbewoog,
zich schikt, verwekt, wikt, naar
eigen naar ziel en zin, was geschapen
voor mijn oog, een gracieusheid
die er niet om loog, rekt de nacht
van het einde en begin met alle
innigheid daar tussenin, werden
wakker en dachten de dag en
slommer is ons vergeten, het was
de trouwe tijd die op ons wacht.
Tempori parce
Wees zuinig met tijd.
(Seneca )
Niet beschreven, niet bemind,
Wat wetenschap beweert te zijn
is slechts de weerschijn van de
moedertaal waaraan zich alle literaten
hechten, in een uur die alle dichters
knechten, denken hun heer en meester
te zijn, zich voltooien in lauweren
gehuld, zich te schikken waar leed
en schuld z’n eigen regels maakt,
verzoend met tergend ongeduld, in
uitersten gedreven bedrijft de tijd
in tegenspraak, een chirurchijn
die twijfel zaait en in een onbedoelde
droogte meteen verzaakt wanneer
zon en maan hun eigen weg willen
gaan.Ik schrijf wat ik wil, als
woordbloem, schuchter wachtend
op een tekstbeurt op een boekenbal,
waar resultaten recht van spreken
hebben in de maatschap van de poëzie,
als ik dat landschap nuchter overzie,
raak daarop niet uitgekeken, wat niet
te beluisteren valt in de wind, dat
laatste woord waar alles mee begint,
wat niet beschreven is, blijft onbemind.
"Vox viva, Het levende woord "
Heel gewoon ?
Ween niet op wat
gestorven is, haar
frêle schim op winden
rust, begeleid de leeuwerik
- in volle vlucht - in een
oneindige klim, naar
dat ene streepje licht,
ontrokken aan de
duisternis, een
smetteloze vlam, met
haar vonken mijn hemel
heeft ingericht en tegelijk
alle hete as ontnam,
gebalsemd hart in een
lauwerenbad, hoofd
gekranst met geurend
duizendschoon en menig
doolhof heeft ontward, haar
kracht ons heeft ingelijfd,
tijd verstard haar beeltenis,
géén smart weerspiegelt in
een zacht ongesproken toon,
waarin de wereld is vertederd,
licht is alles wat overblijft,
meen niet dat die gestorven is,
de wezenlijke pijn beschrijft
dus blijft alles gewoon ?
“De pruimenbloesem geeft zijn geur
ook aan de tijd die hem snoeit.”
( Boeddha )
Zaden van de berk
Een woud van zwijgen,
rijgt zich in de twijfel
tot een mythisch toverbos,
onder kalend dak, waarin
de bladeren zich herkenen,
iets geleerd , zeker weinig
verteerd, pompt leven door
de nerven, te denken dat ik
straks niet meer ben trek
een vaag gevoel in de maag,
kwaal van eigen dogma’s
die ik veel langer ken,
iedereen zal herkennen,
niemand kan het zeggen
wat zich afspeelt onder
dat sterfelijk mos, beloven
kan ik alles, beneden is
waarschijnlijk niets, slechts
gedachten waarin ik verdwaal,
op het eind te trots om te
huilen, onmogelijk mijn tijd
te ruilen tot plek verkleind
tot afgezoomde zerk, waarin
ik me kan verschuilen, daar
boven jagen wolken van de
associaties op mijn zaden
van de zilverberk, die ieder
jaar weer vrucht zal dragen
te rijpen aan de stam der
tijden, hoe meer ik weet,
hoe minder ik begrijp.
Zwart en wit decor ?
Langs gelijke stations
elk uur, jagen wijzers
op elkaar, misschien
zal de kleinste het ooit
winnen op de langen
duur, is de hoogste stand
bereikt aan eigen slag
gebonden, luidt de klok
voor nieuwe ronden, zijn
mensen aan de wijzers van
hun natuur gehecht, al wordt
de finish steeds verlegd.
Wijzers van de tijd krommen
verder door, zwart en wit in
een mondiaal decor en elke
tik de wereld verder draagt,
de pragmatika van regelmaat
in het tijdsbeeld met haar
uitgesleten treden, spiegelt
zich naar verbeelding op een
denkbeeldige trap, geplaveid
door lijden en gebeden, verandert
alleen de kleur van het raderwerk,
bestaat er meer tussen zwart
en wit in de smeltkroes van
diversiteit, maar dient na
elke misslag, het uurwerk van
de hoop te worden herijkt.
Tempus omnia relevat, verba pius volent..
Tijd onthult alles, vrome woorden vervliegen.
Cicero
Woordenschat
Woorden lijken moeiteloos
te vallen, teksten van het
hart als ik ze drink, ze te
ademen, te proeven als ik
ze geschreven heb, zoals ze
te begrijpen zijn, zinnen
in een begrip als nasmaak
van een taal, achteraf gelezen
waarin een bittere bijsmaak
niet te ontkennen valt, maakt
de ziel van de wereld wijder,
verblijdt hét drinken uit de
vruchtbare beker van haar
tijdloze moraal, vaak te
groot voor onze woordenschat,
zoekgeraakt achter muren
van de duisternis, naar de
letter van de dichters in de
geest geraakt, te schrijven
en menigmaal heeft gewist, om
dat beter te verwoorden, wat hij
al wist, maar niet bedreven had.
Kennis, de hoogste graad ?
De doden zijn niet dood,
de levenden niet levend
de tijd van het verleden,
verkeert te lang in niet
geschreven tekens, wat
uit angst wordt vermeden,
verleert de mens wat door
het kind is aangereikt, het
leed lijkt een eentonig spel,
afgrond als een ondiepe kwel,
waarin een vis zich spiegelt
in z’n eigen hart stilstand.
De hemel telt z’n spiegels,
waarop het licht zich deelde, de
sterren baden zich in de weelde,
bewezen in de stelling van
Fermat, in het karakter van
het kind in haar natuurlijk besef
wat met dit axioma speelde,
verspreidt zich een ideaal in mijn
gedachten, leef ik in het heden
op gespannen voet, hongerig
naar waarheid houdt mij nog zoet,
waarin ik hopen mag, om die
omstandigheid te verzachten,
begrijp dat kennis niet in tijd
te meten is, daarop te wachten
duurt te lang, moet het doen met
mijn theatrale voorstelling, éénakter,
waarin het doek maar niet wil vallen.
Pulvis et umbra sumus ipsa scientia.
“ We zijn stof en schaduw van onze kennis."
Vergilius
Tijdloze horizon
Zon als behang, onbeweeglijk,
de wereld is een medaillon,
waarin gedachten zijn geborgen
als onkruid van de zee, draag
ik om mijn nek gehangen,
als doolhof met me mee,
slaap op stenen veren, drink
uit schelpen de hartslag van
hun zoute leven, gedolven
uit het schuim op de lippen
van de golven, zoek toegang
tot nieuwe dromen, waar de
maan z’n witte hand oplegt,
stromen wolken in een plas
van licht als vlindervleugels,
gewichtloos, tijdloos onthecht,
de dood is slechts een smalle
streep aan een menselijke horizon.
In het heden, de schoonheid
te begeren dat is levensecht
Het fronst als het regent ( haiku’s)
Hurk naast een stronk , ik
hunker naar woordenwolken,
vrijen met gedachten.
Zonder slapen maakt
de pen de streken korter,
waakt bij gedichten.
Rimpels lopen op
gezichten van de winden,
fronst als het regent.
Verkoeling vragen
aan tranen van de nevels,
lotus troost ze.
De luchten trillen
van de vrije libellen,
gevleugelde zon.
Witte sterren, hun
geisha’s bewaken poorten
van de melkweg.
Mijn huis, mijn lichaam.
Spinnenrag vangt stemmen,
uit de verste nissen van
de kamers, opgerakeld
door mijn adem, hoewel
ik vertrokken was blijft
er een vage afdruk op een
leeg matras, die dag
hoeven ze mij niet meer
te zoeken, op beslagen
ruiten verschijnen de
wasem van beeltenissen,
één goede beurt, de ruimte
maakt zich vrij van stof
en van enig spoor waarin
mijn schaduw verscheen, een
tocht door kale vensters
van de wereld, ging teloor
in een kwade nacht, ontsnapt
op lemen voeten, ben benieuwd
in welk dwangmatig net ik
zal boeten, in welk nieuw
gesponnen web ik strand,
koos een huis zonder ramen,
waaruit draden van een vorig
leven mij achtervolgen, aan
mij blijven kleven als een ijzig
spiegelbeeld wat niet smelten wil.
Onbekwaam?
De geest en lichaam
dat genoegen neemt
met een andere ziel
en onbereikbaar bleek,
moet gedwongen
toestaan dat bewustzijn
de moraal ontwijkt naar
een vergeten uithoek
van het geheugen, pleegt
selectief verraad aan
het ethisch woord en
daad, blijkt gevoel niet
met de rede gebaat,
laat staan voor enig
begrip, daarin verblijf
ik verder onbekwaam.
De eerste of .. ?
Het aandacht vragen
van de telefoon, krijgt
een rituele klank, voor
afgaand aan een
omfloerste stem, het
beperkt me eeuwen in een
seconden lang moment,
realiteit in eigen bestaan,
dwingend in hun moraal
klinkend als metaal, de
exacte tijd is opgesteld,
duidelijk, schel en digitaal,
hebben ze het eerste -
en het laatste woord.
Tot aan het voeteneinde…?
Het diepe ademen
in zovele nachten, wat
naakt en ontspannen
in haar droom de mijne
onderzoekt, te lezen in
een zucht wat liefkoost
het avontuur van ziel,
en zaligheid, genezen
van rug tot aan het
voeteneinde en terug,
voel me ik bevoorrecht,
angstwekkend kwetsbaar,
wonderbaarlijk, tegelijk
dan wel zonder bijkomend
gevaar te worden afgewezen.
Half open of half dicht ?
Onmerkbaar, bijna
in willekeur, heb je mij
ingelijfd, in muziek die
me niet raakt, in de taal
die ik niet spreek en niet
wil verstaan, mij bij jouw
van wie je niet houdt. Was
er iets veiligs en vertrouwd
bij maaltijden die ik maak ?
Of iets wat niet in te lijven
is, een eigenzinnigheid die
tegen tralies van de sleur
en middelmatigheid slaat ?
Lijkt weemoed zich in gemakzucht
te herkennen, in ontnuchterende
ochtendlicht, valt - onherroepelijk
- het half geopende venster dicht.
D'une part l'amour est léger, d'autre part crédule.
Enerzijds is liefde lichtvoetig, anderzijds
goedgelovig.
Moreau
“Het staat gegrift,”
Heb geen foto van je gemaakt
jouw beeld staat in mijn ziel
gegrift ontstaan in gelatenheid,
ben ik in verlegenheid geraakt.
Je knielde en telde lidtekens
van een zwaar verleden, verteld
door zandkorrels in het zand, ze
gleden als waterige tijd door
de dunne vingers van je hand.
Neem geen foto van je schaduw,
waarin geen gevoel en toekomst
wordt ondersteund, buig het hoofd,
spreek tot eigen goden die je had
verwacht, die je vrijheden hebben
beloofd, tevergeefs op hebt gewacht.
Vrije scoop in seizoenen zag vervagen
in visioenen overgeleverd aan macht
en willekeur, gescheiden door religie
en geweld, zijn de lasten van eigen
rede zwaar te dragen, ondanks de
nobel prijs voor de vrede.
Vingers tokkelen een rechtvaardig ritme op
gespannen snaren in een dialoog die voortschrijdt
om afstanden in ideologieën te overbruggen,
blijft trouw aan jouw sporen in een ongelijke
strijd, waaruit je nieuwe hoop kan sprokkelen.
Opgedragen aan:
Aung Sun Suu Kyi (Myanmar/Birma)
Voorvechtster: Human rights en Vredesactiviste.
Uitgeleende tijd, (Haiku’s)
Een wolk gekneusd licht
bloed stroomt in gedichten,
als het doek neergaat.
Dag en dauw laaft zich
in het schemer vol duister,
absorbeert schaduw.
Groots en wreed de mens
onvoorspelbaar grillig lot,
z’n grootste dwingeland.
Slepend teloorgang
volmaakte zinneloosheid,
van uitgeleende tijd.
In aardse spasme
ruist de zilte branding na,
in dwingend orgasme.
Maangesmolten meer
vertraagt in lichtend kwikzilver,
in tempo geringd.
Het laatste ballet
grimeert de wereldstilte
als ultieme beweging.
Eerst de tol ?
Je bracht mij een nachtbedrog
een waan in schijn van een
korte droom, mijn schroom
deed me vermoeden en heb ik
je mijn slaap verkocht, het
blinde in de eerste klacht van
aanzwellende beloften,het masker
door het lot gebracht in de
lust van verhitte dorsten,
ik vond mij terug in lege dromen,
verzadig mij in het eenzaam zijn,
je kussen doen bezweet ontwaken
in een onwetende barenspijn.
Zeker zal ik je weer ontmoeten,
de duisternis gaf mij je hand,
je zonden zal ik strelen, in het
boetekleed van mijn verlangens
geef je mij een laatste nacht, laat
je slagen beuken op een hijgende
borst, de wrakken opgezwollen
om het daarna te vermorsen, om
een opening te winnen met de
gouden sleutel op je moederborst,
vergeefs heb ik de maan gevraagd
mij in koele armen te begraven,
alleen mijn geschonden hart
moet eerst de tol betalen.
Logisch?
Ben ik voor niets angstig geweest ?
niet voor donker of het schelle licht,
voor een optreden op een duister
feest, voor langdurige stiltes, of het
jengelend verkeer of in aanstormende
dromen waarin ik bivakkeer, waarin
het zicht en afloop niet gunstig lijkt,
daarop is geen afgewogen verweer.
Als ik me in dat gevoel verslik
ontrafeld wordt door ontnuchterende
rede, zijn de angsten van ervaring,
gegrond in afkeer weer te ontleden,
verstomd de reflectie van het spiegelbeeld,
verhult verder niets, maakt dat ik stik,
verstrikt aan lijnen als marionet vermomd,
onderschrijft de noodzaak in het spoor van
oorzaak en gevolg, processen te herkennen
in het heden te ontleden, wordt genomen
afstand van het toeval beloond, in evenwicht
de logische treden de toekomst volg…..
Echomeer
Op de rug van mijn hand
in blauwe inkt is deze tekst
herschreven, de graffiti van het
leven op roze gekleurd papier
wat ik in teksten beleef, ook
wat de prullenbak niet vrat en
een kortstondig streven had,
bleef nimmer een onbeschreven
blad daarmee worden boeken
volgeklad, er liggen opdrachten
klaar onverschillig voor de dood en
voor het zijn, ontroerd door leegte
van de muzen, verdronken in een
echomeer, weerklinkt vol van binnen,
dolgedreven door lege lijnen, signaal
wat opent de wegen van de taal en
legt de zinnen bloot in een gedicht.
Loslaten?
Ze glijden van mijn schoot
het ruime water op in boten
waarvan de kiel al vroeg
werd neergelegd, gebreeuwd,
door nieuwe tijden, het geluk
gekozen waarop de scheephoorn
door mijn leven weg zal vloeien,
hun lichamen schieten weg als
mijn vermaledijde schaduw
te dichtbij komt, verstomd
de stemmen als ware het
bevriende mensen, sinds zij
bloeiden sta ik op vergrijsde
voeten in een niemandsland,
lidtekens van het loslaten gaan
van hand tot hand, eigenlijk
valt dan niets meer te wensen.
Walkuren
Zijn het de Walkuren of
ongrijpbare schimmen die
mij de rust niet gunnen
om de raven van de
nacht te weerstreven?
Verzuurde woorden in
duistere graven waaruit
zich de ochtenden laven.
Een glimp, waarin het
eerste licht als traan
geboren wordt, handen
verleggen schaduwen over
mijn verweerd gezicht,
geleefde wraakgodinnen
verhangen zich aan gouden
ringen, alles afgewogen,
blijft zonder gewicht, de
maat van kwetsbare dingen.
Gedane arbeid
Gelukkig diegene die bedaren,
als oude schors van bomen wordt
geraakt, waarmee echo’s smoren
in hun medeklinkers, gloort de
kruisgang van de wind. Nu in
ouderdom genieten wat glans gaf
aan de jeugd, een rinse smaak van
de komende tijd, regen kleurt
zich in de geur van krijt.
In gelukzaligheid te dromen in een
zetel van gedane arbeid en haar
vruchtgebruik, drijvend op de witte
wolken stromen en de tranen uit de
laatste knipoog van het verlaten paradijs.
Gong
Ergens moest je zijn
en overal ben je,raakte
je achter de schermen
van de dood? In alles
te willen sterven, dicht
bij me als vluchtige
gedachte, als zucht
ontvloot, te willen
schrijven, wat klonk wat
al geschreven was, gevat
in een laatste woord wat
in me overschoot, de toon
bleef zwerven in een vreemde
tongval van de wind en de
verwachting in wat je zong
en daar alles tussen in.
In je vertrek weerklonk de
diepe stem van een bronzen
gong, de eindigheid voorbij,
gekozen vrijheid resoneert
in klankenvolle beeltenissen van
jouw afwezigheid, ongenaakbaar,
althans voor mij, lui jij morgen
de vrijheidsklok, zoals je beweert?
Stille wijsheid
Verstild hoofd,
zo stil, ondanks ik
altijd wat denk te
horen, stomme
geluiden kwetsen
dovemans oren en
de witte vlekken
van mijn geestesoog,
berusting is wat ik zoek,
verlamd en overmand,
doe ik de dingen die om
een antwoord vragen,
die komen niet, stille
wijsheid laat zich in
een illusie dragen.
Gedachten spinsels
Gedachten fladderen af en
aan likken verse wonden
behoedzaam van de maan,
verkeer jengelt in de straat,
blikken dromen verpakt in
monotone regelmaat, maant
ongewassen licht tot nog
groter spoed, ontneemt de
eerste stap de prille moed,
wordt energie vermorst,
voorbij de dagelijkse kost,
wanneer de nachtdraak zich
met irreële spinsels voedt,
zich breed maakt voor nieuw
gebroed op vleugels van de
dag om uit een hermetische
kooi te ontkomen. Onder een
glazen stolp valt de nacht
ten prooi aan een nieuw
slachtoffer van z'n dromen,
dat houdt mij weer even zoet.
Derwisj.
Het gezicht, het wezen
is niet veranderd, maar
toch in stramme lijnen weer
anders dan voorheen, bloed
als rivieren meandert tussen
de planeten, langs de hoogste
toppen en het diepste falen,
weerspiegelt zich het averechts
in dubbelzinnige verhalen,
waarin ik mezelf blijf foppen.
Kloven op het gezicht
belooft een rusteloze geest,
vraagtekens in beider ogen
als ze zich sluiten dan draait
het verleden als een derwisj
om het zere been van iemand
anders, gedanst over alles heen.
Deze carrousel verslikt zich in
de draden van de tijd, wat eeuwen
leek verdampt in seconden, in dwaze
lidtekens van gesloten wonden, een
voortschrijdende droom verbonden.
en een eenzame strijd maskeert.
Wedloop
Gereinigd door stilte
en ongeduld, op jacht
naar volwassen zinnen,
gedachten en het glas
rijkelijk gevuld, voelt
hij leegte van binnen,
elke streek bevat een
daad, een woord, stuurloos
bouwt hij voort, droes
sleurt hem door de tijd,
bakt het dagelijks brood
een plichtmatige roes,
buigt meewarig over frasen,
waarvan de strekking niet
begrepen, verbindt onmacht
aan onvermogen, in het
ochtendlicht wordt een nieuwe
wedloop overwogen, sluit de
ogen in gedichten waarvoor hij
nog geen woorden heeft bedacht.
Fictief?
Laat mij mijn
weg maar gaan,
deze ruimte is
mij te verheven,
mij te schikken
naar diegene die
de grenzen stelt,
die eenzijdig te
bewaken, en in
eigen flexibiliteit
verstrikt geraken,
zal stikken in
verlangen, vrij te
ademen, denk niet
dat ik mijzelf al ken.
Onafhankelijkheid
ingebed en gewend
aan ruimtelijke
vrede, verlaat me
op de dictie van
de rede,wordt een
beoogde zekerheid
een louter relatief
begrip, één door angst
gevangen fictie,ver
van het beoogde doel
van zelfvertrouwen,geeft
een misplaatst gevoel
van verworvenheid in een
begrensde duurzaamheid.
Merktekens ( Rythme en Provence)
Wijnranken in gelid
strelende zoete winden
waaraan gemoed is ontpit,
grond gedeukt, in kalk
verstrikte horizon, een
zon die aan de hemel likt,
cypressen , metaforen
van groen, geërodeerd om
een droge dorst te lessen,
stilte van gehooide akkerland,
mengt in het gedruis van
cicaden, een bedwelmende
achtergrond op het grafschrift
van dorpen op de grens van
vers gedolven licht, spuwt
erosie en tijd hun merktekens
uit, herplaatst zich in een
ander perspectief en vergezicht,
rozet van tijm en lavendel
gedragen schragen, monument
van rozemarijn, ontvreemd aan
elke dood, tijdloze schoonheid
te laten heeft geen woorden nodig.
Sporen in licht.
Brokstukken van tijd
originaliteit verpakt,
morgen weggegooid.
Hemel maakt theater
doek valt voor het bijgeloof,
toch geprolongeerd?
Voetbal Guru preekt,
gewonnen, verloren is
welke kant je kiest.
Spoor in morgenlicht
schokkende kar met dromen
je hoort ze kraken.
Stuifmeel,
Twijfel zaait onnavolgzame
schaduwen over stoffige paden,
doelen die in de loze engten
van de verten lagen, bleven
verscholen achter luchtkastelen
en onbereikbaar bleken,
zorgeloos was ik vertrokken,
met gebonden handen aan
weerszijden van de akkers,
strijkend langs goudgele aren,
verwaait het stuifmeel van
rusteloze zielen tot waar de
wereld reikt, waarop ze zijn
gedoogd. Maar vertrouw de
richting niet, alleen de liefde
blijft toegankelijk en echt, al
zijn haar velden veel gemaaid,
naast de sterren waarop zich het
leven hecht, maar de hemelen
die blijken te zijn gelogen.
“ De amoris non est disputandum ”
Over de liefde valt niet te twisten.
Woordenzon
Door het stopgat van
mijn woordenbad blazen
resten schuim een laatste
adem uit, eisen hun tol op
als de dag de nacht doormidden
breekt, als het duister zich
verslaapt in greppels, beroering
van ruimte in de morgen,zich
te bruskeren met beelden,die ik
reeds al zo lang verzon, me te
voegen naar de dynamiek van
vrije forellen, voorwaartse
sprong in hun beweging, een
opwaartse stroom van zinnen
om mij mee te voeren naar
stilstand water, lui laverend
in de eclips van de woordenzon.
Uitzicht of inzicht?
Lawines van de wolken,
slagbomen van de horizon
houden dromen niet tegen
in de opwaartse beweging
van een luchtballon, verwarmde
woorden in nieuw gedicht,
naar de oorsprong van het
onbekende in een vlucht van
akkoorden om het inzicht te
verspreiden van herinneringen,
te kiemen tot waar de stilte is
geland, een bevlogen ruimte te
vullen met een hoopvol zicht.
Jasmijn
Dauw op de jasmijn,
sterk en broos, de
tranen opgedroogd, je
liet de schoot los, om niet
in vooroordelen te worden
gewogen, je streed in de
boezem van een eeuwige
bruid, wit gesponnen draad
in jouw gedicht, brokaat
van kiemend zaad, te vroeg
geoogste vrucht, tederheid
met een ruggengraat, vermeed
wat iedereen dacht, koos voor
een zelf uitgesproken zucht. Je
vertrok zoals je het had
geschapen, in een unieke
daad, in een niet te wegen
oordeel, besteeg de hoogste
graad, van verbeelding om
niet te worden gewist tot ook de
voldongen nacht mijn geest omsluit.
Tien zwarte schapen (haiku’s)
Stapelwolkenlucht,
zwarte schapen van een jeugd,
niet te begrazen .
Na een natte tocht
verwachting op de bamboemat,
wast z’n voeten.
Voor de boeddha
glimmen duizend vuurvliegjes,
in een lotuslach.
Zonder te springen
buigen ze voor hun prooien,
de tijgerlelies.
Sumoworstelaar,
meditatie, zijn adrenaline,
beheersing van macht.
Paraplu beschermt
huid tegen zon en regen
drupt verlichting door.
Vensters in het hoofd
over het hek van illusies,
springen lammeren.
Scherp getande zon,
Oceanen liggen rimpelloos te wachten
in witte en oranje gewaden, verdrukt
verleden die ze niet af kunnen gooien
de loden mantel van de hetze en de
haat, om de overkant te bereiken,
hun Nirwana betreden, gebleekte
waardigheid van gouden tempels die
men liet, weerspiegeld in kwetsbare
oases zover men ziet, als vreemde
meeuwen de hand werd ontboden om een
vrijhaven te verdienen, gestrand om
de waarheid te dienen, geringd door
een ideologie, voornoemd te vluchten in
de hoop zielsverwanten te ontmoeten waar
stemmen werden gesmoord, alles te duchten
viel met het kloppen op de hemelpoort,
door ongeloof en afkomst niet gehoord,
in de loop langs gesloten deuren, net
zolang, uit onuitgesproken trots en
mondigheid, de muren van de kampen
begonnen te scheuren en blijft als
veenbrand onderhuids woekeren en voedt
de kern van elke cultuur, zolang die
maar niet onder onze eigen voeten woedt.
Ethiek kiest een plaats ergens tussen waan
en wetenschap, de aarde zoekt een andere
baan, dan verliest de wereld een belangrijke
eigenschap in de humane stralen van de zon,
alleen die weet wat speelde, hoe het verhaal
begon, essenties gaan verloren als men die niet
kent op elk moment op een willekeurige plek,
nemen wij de volgende stap in ballingschap?.
Onder een monnikskap, waaronder
de kleuren zijn verschoten,waar
door tand des tijds het bloed
langzamer doet stromen, aanvaardt
alleen het zaadgebruik, te strooien
met getaande hand uit realiteit,
zonder wachtend spoor van bitterheid
in hart op horizon gericht en de scoop
wat kleiner wordt, voorbij de gulle
zomer blijven zoete herinneringen naar
verliefdheid die zich over de aarde stort
als water uit een bloemfontein, die stijgt
en daalt als vrij gevoel wat zelfstandig
ademhaalt, ijkpunt voor dichters dromer.
Morellen
Kan nog steeds niet wennen,
getijden gaan vluchtig, ik vermijd
dat ik hang aan een onvoltooide tijd,
waar meisjes onbetaalbare kransen halen
uit de lentezon, getooid met gekleurde
linten, geschetste aquarellen van hun
vragen, waarin schuld en schande is
ontlast,toch zullen dragen, de kleine
danseressen op de spitzen, stelen
dansend madelieven uit gemaaide gras,
delen speelsheid met libellen naar
believen op een aards gazon,opgedragen
op glazen vleugels, vertellen de intiemste
geheimen in het struikgewas, waarmee de
zijden kousen in eerbaarheid zijn bekrast,
benen met schrammen door scherpe
doornen in het krieken van het licht,
zure morellen werden gedorst dan
zijn zouten tranen niet vermorst, had
men het bij het begin gelaten zoals
het was, opnieuw beginnen als dat kon.
Zeeën van azuur
Bij gevaar, kruipt de
krab alleen maar weg,
hij is geen lafaard.
Lentezon spreekt aan,
hoog meten ze hun krachten,
mijn leeuweriken.
Een bonte specht,
kiest slechts een simpele stam,
ver van de bloesems.
Bosviooltjes in bloei
wat klinken ze klaar en helder,
kinderstemmetjes.
Eeuwige zomers,
badend in zeeën van azuur,
daar wil ik sterven.
In sterke winden,
waar natuur nederig buigt,
om niet te breken.
Op een klein stationnetje….…
De dag ijsbeert in kille regen,
marcheert over druilerige perrons
op een vroege, bleke zon gericht,
gedachten boemelen naar lege
horizons, passagiers tot niets
verplicht, lange stramme ijzers
en gevoelens smelten samen in
een optisch bedrog, uit synergie
een eigen doel beramen met de
losse eindjes in hun zog,
strakke teugels in luie loom,
trage cadans verdwijnt langs
kale biels en in rood en room
geblokte bomen, onveilige signalen
werden genegeerd, niet opgepikt
in de tussenliggende stations,
ondermijnt een refrein wat verder
spoort in geblindeerde wagons,
om zich in cadans te laten wegen,
niet aan ijk en eindpunt gedacht,
weinig balans op een dood punt, lijkt
een halte te ver, blijf maar wachten
op een volgende trein in de regen.
Broos?
Choreografie van angst,
het falen, een trein net niet
te kunnen halen, mand vol
levensschalen, uitgegleden
op de medeklinkers, uiteen –
gespat in zinnenloze verhalen,
steeds voor gelijke droom te
betalen, een spoorboom die
niet open gaat, vandalen op
de hoeken van elke straat,
talrijk zijn de klinkers met
een eigen gelaat in de geest
die ontspoort in eindigheid,
gesloten door de realiteit te
beliegen, zich te laten wegen,
menigmaal ten onrechte gedacht
maar te laat, te veel verwacht,
ten leste maar gezwegen, waarin
herstel niet werd geheeld, schrik
wakker, knieën knikken, gedachten
vervliegen waar de stakker dreigt
te stikken, tijd om de broosheid
van verbeelde wonden te likken.
Stilte resistent?
Vanuit een verloren stilte,
boren miljoenen zielen
zovele gaten in gordijnen
van het paradijs, steeds meer
licht priemt door onwrikbare
schaduwen, waarin de onmacht
wordt beleefd. Wanneer het
verloren bloed door de mazen
van de schijn is weggevloeid,
kleeft smart van arbeid aan
ieders handen, geronnen de
harten van rechtvaardigheid,
geketend in peilloze plooien
van het boetekleed, als brood en
spelen aan de wereld uit te delen,
het frêle lichaam van de berooide
aarde door latere generaties
getroost, gezeefd en wordt nieuw
kiemgoed wijs en resistent.
Glazen dak,
Schrijf wat ik niet kan eten,
kan bezitten, niet kan schilderen
schrijf wat niet stil blijft staan,
schrijf wat ik niet kan kweken,
niet kan vangen, niet kan vergeten
schrijf wat niet te raden is, begrijpen
om zelf maar te weten, schrijf over wat
ik niet omhelzen kon, verwennen of
verwijten, schrijf over verwildering,
betreuren van herinneringen, schrijf in
dromen die nog zullen komen, schrijf
in zwart en wit, beschrijf het zingen
in het roepen van de nacht, de stilte
van een euforie als ik ringen van
planeten zie in het prisma van het
glazen dak, waardoor het onomlijnde
blijft lokken, zichtbaar in een vast
contour, onomlijnbaar in lief enleed,
voert mijn slavernij, schrijf maar af
wat ik niet weet, daar kom ik niet meer
bij, geloof niet alles wat geschreven staat.
Zwaartekracht
Zo-even ontwaakte ik zo zacht,
ik dacht dat ik kon zweven,
waar eindigt zwaartekracht tot
hoever reikt de macht van leven?
Kan ik nog de sterren raken,
het hart te groot, totdat ik
mijzelf er buiten sloot,verloren
in de ruimte van de atmosfeer,
aan de gene zijde lonkt de
bloeiende heide in kansen op
het ritme van de genen heen
en weer, zwijgzaam roepend,
bevreesd dat iemand mijn
stemgeluid zou horen, als ik
in iemand anders was geboren.
Tweeslachtig?
De dichter verwekt tekst in stilte,
verwerkt de kilte in z’n dicht, verbindt
zich met het vrouwelijke, verdekt in alle
muzen, hij zingt het voort, belooft haar
trouw, verkent verrukking van haar schoot
en lichaam, verdubbelt de hartslag, de
uitputting nabij, door kansen die ze hem
bood, zonder berouw en ogenschijnlijk vrij.
Vervloekt onomwonden onrust in de
baarmoeder van de morgenstonden of bij
de schater van een ironische maan, als
geen vorm of toon kon vinden, een ander
pad moest zoeken, ver bij zichzelf
vandaan, dan komen beide seksen dichter
bij hem staan,wordt geluk hem niet
ontnomen, dat is poëzie uit één stuk.
Aambeeld van de poëzie
Aarde is hij, gestampte vreugde
en verdriet, teelt van verleden
en een toekomst op de akkers
van nog te vormen taal, waarop
hij alleen het onkruid wiedt,
gewassen woorden ontstaan in
trage groei, breekt inspiratie
open, gezaaid in onwelriekende
geuren van bemeste grond in
een bestaan dan komen literaire
knoppen geleidelijk tot bloei,
spottende maan met z’n bottende
streken schrijft bigamie in dicht
en morgenlicht, drijft de wereld
in een zee van ironie, waar
alleen het sceptisch cynisme
overblijft,ploegt voort in
schemerig evenwicht als gulzig
dromer, balancerend op een
laatste pennenstreek tussen
bedrog en eigenwaarde in, op het
aambeeld van ongebreideldheid
waarop de poëzie het best gedijt.
Uit het juiste hout
Ik hebt mijn basten afgepeld,
verwondde vel over mijn benen,
hoe kwetsbaar ongekorven hout
in de jaarringen geteld door
botte bijl en beitel geschonden,
onbewerkte in ruwe staat, wat
terugslaat naar onbedekte schenen,
verwijst naar oude wonden.
In diepe nerven wordt het koud,
geraspte krullen leven liggen
om me heen, vermengen zich met
druppels bloed, hartsap kan de
pijn niet lichten, zo rasp en
schraap ik iedere vezel, harstranen
de barsten niet kunnen dichten, totdat
er niets te pellen overblijft uit de
ziel van de onbedorven kern, dan ben
je uit het juiste hout gesneden.
Parels voor de zwijnen ?
Wat heb ik het verloren, toen ik
omkeek en vele zonnen ouder was,
vergeleek me toen ik geboren werd,
leken beiden helften even echt,
in gevecht met een al verloren duel ,
leven met de dood begint nu pas,
zocht naar de bron van kwalen in het
hof van Eden, verzonnen waarheid
reikt verder dan het adamsblad,
ogenschijnlijk lagen parels verder
in het verleden, gekozen kiezelpad langs
roze zwijnen, verpakt in een verveelde
krant, geschreven uit een vergeelde hand.
Dimensies
Een zwerfkei vergroeid
z'n wezen tussen wat
zand en klei. Kijk,
hoe hij vrijelijk ademt
hij voelt zich kei.
Niet anders dan los grind
waar dimensies minder tellen
en vriendschap wordt bemint.
Paradigma? ( Ergo Sum )
Alléén in geest is
weinig gegeven
wat bij géén
wezen lukt,
blijft maar even,
onbeschrijfelijk
rukt de smart
aan tintelend vel,
de essentie van
verliefdheid,
aangeboren,
tussen heelal
en de hel,
zit veelal
tussen beide oren,
paradigma om
bij de soort te
overleven, wat ziel
en lijf niet scheidt,
meer kon Descartes ons niet geven of wel?
De Wiggelaar
Beneden voert een holle weg
waar groene heggen kronkelen,
langs een nauw verleden waar de
stilte zich genesteld heeft in het
‘omen’ van de olmen naast de kerk,
verheft zich tijd naast eeuwigheid,
daar huist een heremiet in z’n
eenzaamheid, mens voornoemd:
als Wiggelaar, ontvlecht de oude eiken
van hun pijn, loogt de holle frasen
van tijd in azijn, wiggelt wind en
water om orakels in te zomen in
dromen verhuld in een gouden pij;
de vrijplaats van alle borelingen.
Hij beziet z’n zegeningen in het prisma
van de stervelingen, plaatst rozen van
sterrenstof in uitgeslepen wegen,
zwarte spiegels van de kosmos, die om
een nieuwe trap naar de toekomst vragen.
Hij schenkt geest en gave uit reine aarde,
maakt de wereld stil en groot, daar houdt de
dood haar adem in, zich op een baar op
zijden voeten in eeuwen weg te dragen.
( “Cito pede labitur aetermum” )
"Waarop te wachten mijn schaduwvriend,
om samen het houten kruis te schragen
net zolang je de hemel vind ? “
Het ondeelbare
Uiteindelijk raak ik verzeild
in afgesloten kamers, door
zinnen, stuwing van het bloed
door aderen waarin het hart te
groot de geest te nauw, ritme
van zin en woord verstijfd in mijn
roman, de plaats verkrampt in grijs
en groen, in tijd niets meer vernomen,
het laten een constante druk van
wurging als ik binnen kom, tussen
aarden dekens kan ik rustig stikken,
beklemt en luchtgebrek keren
zich in het ondeelbare en voltrekt
uit het hermetisch zwart, zonder
dat op schrift in het lijf is gezet,
kom ik thuis, als kraaien in een
zwarte schim die kleur en kracht
van grond hebben gestolen, als
klauwen touw een gedicht ontwindt
en kluwen transparanter wordt,
zich vergelijkt , verdicht
- tijdelijk - even opgeschort.
Herens wegen
Ver in het druisen op de wegen
van de heer, wordt mens en dier
opgejaagd tot dat ze hun rustplaats
vinden, wat geschreven staat in
het bloedend hart van tijd, in draf
rennen ze de aarde rond, ver vooruit
de zones van ideologieën, onafgebroken
zonder tussenstations, spannen ze zich
in en de vermoeide paarden uit,
aangeklaagd in landen, waaronder een
lege zon de nachten blijven heersen.
Heemtuin
Zoek een plekje in de heemtuin op
het gras, let maar niet op mijn gelaat,
uiterlijkheid lijk ik anders, ben
wat stekelig behaard, als u mij uw
hand toereikt moet u niet schrikken
het geeft misschien een vreemd gevoel,
het is niet wat het lijkt, daar mag
u niet van schrikken, van inborst
ben ik zachtaardig en fijn besnaard,
als je me wil kennen op den duur,
om zich te keren naar mijn aard,
integreer als rechtschapen buur in
uw geboorte grond maar in kleine potten
wortel ik niet gezond, wat indruist
tegen een vrije cultuur, dan nodigen
wij u uit voor een kopje netelthee,
gebrouwen op een sacraal komfoor
op een tijdstip dat mijn halve maan
uw hemel kruist, voor beider horizon
als metafoor, als u uw mening kuist.
Onuitwisbaar
Niet meer van deze wereld
verankerde hart en nieren
in een levende weerbaarheid,
geen diepe smart, een sterke
eigenheid valt niet uit de toon
onmiskenbaar consequent voorafgaand
aan een onverwachte dood, een talent
in een tijd, zichzelf de niches ood
waar die creativiteit in wordt herkent,
niets te verliezen, om alleen te kunnen
winnen, een gave om voor een toegevoegde
waarde te blijven kiezen, voor zichzelf
of voor een geselecteerd publiek om uit
karakter vooroordelen te bedwingen.
Morgen zullen deze tekens onuitwisbaar
blijven, geschreven rimpels voort -
geblazen in een lentebries, herkenbaar
in wat bleef, zal de kilte wat verdrijven,
het zal je zeker goed gaan beste Driek.
Glimlach van het avondland 2 ( zen)
Waar de tochten gaan
dragen bloeiende sterren
mij in een zetel.
Brengt de schaduw licht
in harten van kinderen,
als de zon ondergaat.
Weidse grasvlakten,
lotussen aan de hemel,
verdiept de melkweg.
Blauwe regens
aan de verre horizon,
valt zonder druppels.
Veel schapenwolken
hemel vol verwachtingen,
waar is de herder?
In meditatie
dwalen verholen blikken
naar werelds schoonheid.
Rode klaprozen
bloeden als ze rijpen,
rouge op gezichten.
Glimlach van het avondland ( zen)
Waar licht komt baden,
lekken trage schaduwen,
tranen uit de maan.
Afgeschoten pijl
beheersing van de snaren,
de boog ontspant zich.
Op een steen gehurkt
kijk ik naar de woordwolken,
vrij van gedachten.
Vuurvliegen in tal,
dronken van het bruisend bloed,
om mijn lampion.
Pioen straalt licht uit,
wat hij overdag tot zich nam,
lampion in duister.
Verdeeldheid zaait zaad
in de verbrokkelde grond,.
het blijft aftellen.
Sporen van stilte,
glimlach van het avondland,
zon op bamboestok.
Wijde mazen
Iedere levende letter
in vis vaak gevangen
in vertroebeld water,
het wijze net met wijde
mazen was te groot,
om daaruit een nieuw
begin te blazen, ketter
tot in de schoot, iedere
gedachte teruggevallen
als afgeschoten pijl
bedoeld om terug te
vallen op de aarde
zwaar als lood om
begrijpend naar luisteren
zonder iets te doen als
dat kon en simpel lief te
hebben in de zon. In alles
wat stilstaat verandert
niets, wat vergaat wordt
sterfelijk, in de namen van
de dood vind ik geen troost,
hoop dat woorden blijven
zonder schrijven in alle
geletterde dingen die ik liefhad.
"Gek op z'n berg"
De wereld als wondertol, spint rond als
carrousel, caleidoscoop van fragmenten,
geklommen naar de top, ontstegen aan het
aards gareel, herken ik mezelf niet in
veranderingen van dit aards tijdbestek
en hou mezelf voor gek, lijkt ieder stukje
zichzelf te spiegelen, niet ieder krijgt
dat deel, aanschouw dat menigeen aan
eigen berg zal moeten bouwen.
Gewassen in zure regen , ruizen
beelden als waterval voorbij in de
cyclus van visioenen, gedachten door
het slijk van macht gehaald, seizoenen
van verwachting getijden niet keren, om
een andere toon te vinden, gecomponeerd
op een blanco toetsenbord, aan mijzelf
opgedragen, waarvan ik niet wijzer word.
Perspectief waarin het besef louter relatief
wordt onderkent draaien mijn droomwieken
rond als 'spinning tol', moet ik aan een trager
ritme wennen anders draait de boel weer dol,
schimmen gieten molenstenen om mijn nek,het
blijft een zware klim naar een hoger doel,
waarheen de maalsteen van de tijd niet te
sjouwen is, bergafwaarts rolt in dat kielzog holt
de wereld met mij mee of was het andersom?
Vergulde wijsheid
Badend in z'n stralend
ego staat hij van zichzelf
verguld, draaiend op de
wieken van de wind en wereld
zoals wij hem altijd hebben
gekend, om zelf nimmer aan het
firmament te verrijzen, scharniert
een stilte van victorie luid over
daken,loyaliteit in de windroos
van geduld, staat hij fier aan top,
weigert klachten uit de krop
te slaken, arrogantie straalt uit
z'n virtuele vrijheid en blikken
veren en de kop, weerschijn van
het aardse kunnen hem niet deren,
als de tijd zich in tegenwind zal
keren, z'n kam een tegendraadse
richting kiest, dan ontstaat pas
ware wijsheid, in zijn positie
boven iedereen die naar hem wijzen.
Klein telraam
Hoe de dagen aan mij
ontkomen, telkens loopt
een ander tegen het
openstaande raam. Het
kind in de keuken eet
niet uit mijn hand, zelfs
de blikken pannen heeft
ze roerloos laten staan,
zeldzaam telt ze haar
uren op een houten raam,
daarop is het echte leven
pas begonnen, zij kan het
niet helpen want ik ben
het enige dagboek wat ze
ziet, waaruit bladzijden zijn
verdwenen en dat van mij
erbij wat ze leest om te
hechten, verpakt de genen in een
lied, geeft zich een eigen naam.
Klein testament
Ach, konden we maar terug
gaan naar die lentetijd, te
verdwalen in de regenbogen
van beider ogen, in overtal
de kansen wogen, bevlogen
van geloftes naar de wereld
en onszelf, ingetogen
onbedorvenheid, fundament
van het onvermogen, de
kwalen van het ongeduld,
onbegrepen en miskend..
Ach, konden we dat ene holle vat
aanslaan, gevuld met een naïeve
zekerheid, waaruit de vermolmde
bodem werd geslagen, rozen -
water zich tot wijn liet schenken,
in het labyrint van onze mythen
te dwalen, verdronken in de droes
die de vurige horizon nog niet
gekruisigd had in spijt van bitter
geperste tranen, nooit bedoeld te
drogen, treft beide geen verwijt.
Wie heeft de onzin uitgevonden
dat tijd heelt alle wonden en toch
als blijvende pijn zo werd gevoeld.
Fixatie
Verhul me met het duister,
liggend in een luie stoel,
verwacht dat sterren vallen,
buiten rukken koeien - in zwart
en wit - aan grassen voor die
kunnen gaan bloeden, traag
trekt de beek aan het sompige
bit van de horizon voor die
begint te gloeien, licht gericht
op mijn ongezoolde voeten.
Ik kwam raad te kort, koos
voor de samenloop van het
ongeschoolde sentiment zonder
daarvoor te boeten, er was
niets omhanden om de tijd te
doden, las vlijt en vlucht in
de ogen van afstreepte nachten,
maant de maan tot vrije val,
dof kristal van het verleden,
zaait kometen in een mal, om
dagen te ontginnen, voordat
ze zijn begonnen, legt de tijd
mij aan gefixeerde banden,
begraven onder naamloze zoden.
Zoetste vrucht
Uit haar schoot weerklonk
sirenen, gezang zonder
woorden, stapte ze uit haar
lichaam, gebaarde met de
ogen en haar lippen, vast
besloten, alsof ze mij haar
zegen gaf,- wacht met wegen
niet te lang -, er ligt een
een zoete vrucht te rijpen
met onontdekte pit, die zal
botten, als de Alpentoppen
gloeien tegen het decor van
het naderend ochtendlicht,
ranke dalen nog half gesloten,
ontbood ze mij, voorbij een
onbereikbare voorstelling uit
het ultiemste van ons wezen.
Vuurdans
Twee ongelijke stenen
in melkwegen vol vuur
ontstaan in een tomeloze
energie van warmte, de
ijskristallen waarmee ik je
huid bespeel, kippenvel
ontdooit op den duur,
verbrandt de littekens uit
de as van het verleden,
alleen de vonken houden
stand, trekt de werelden
strak, vrijwillig verlangen
in onzichtbare tekens, van
kwetsbaarheid ontbloot,
steelt verwondering naar
elkaar, in een tijdloos
liefdesuur waaruit de passie
van de levensbron ontspringt,
voorbij de vage dood, die
in eigen lied verzinkt, kies
de vuurdans van het leven,
in dat éne glorieuze moment,
al was het maar voor even.
Erfgoed.
Als ik op een lentedag
mijn huisdeur zal openen
vloeit mijn gezicht over
daadkracht, getekend in
een gele zee van velden
van gisteren,in zoverre mijn
huidskleur die weelde kan
verdragen, stroomt de natuur
van onbegrepen zinnen over
mijn gelaat, onbehagen
schept een tijdloze adem van
onbegrip in half bereikte
doelen. Zien zonder te denken,
kunnen zien wat ik werkelijk zie,
in de eenvoud van het erfgoed van
een paardebloem die geduldig
wacht totdat een gegeven bries
het zaad zal dragen naar een
hem voorbestemd gebied.
Onverveerd ?
Tinnen soldaatjes
onpopulair gesmolten
tot nieuwe figuren.
In het rood en wit
schuilen de vrije mussen,
het blauw is in rouw.
Stilte op het plein,
siddert in verbaal geluid
morgen nieuwe ronde.
Vrij lijkt onverveerd
van angsten te bevrijden,
hoop blijft ongedeerd.
Passanten ?
Droom op droom te bouwen, de
wolven hebben de nacht gemerkt,
wat eerst op zwarte gaten leek,
sloot zich op in een verbond
als schapenwolken op de vlucht,
in het licht tot het duister
als een klucht geketend door
list met de tong verscherpt,
verwerpt het zuivere wiel van
geest en ziel, absorbeert de
energie tot beelden waarin
de helderheid ontbreekt, zijn
te repareren met oprechte daden
in een echte drang te ageren,
is in 'mond en mind 'gesmoord,
verlamd tot verbale angst,wat
in het verleden werd vergeten
in het heden weer versleten,
waaruit de stilte spreekt tot
ik op de hoek van de straat
passanten ontmoet, die met
de obsessie breekt, geeft mij
“en passant” wat verloren moed
en houdt vele burgers zoet.
Ongezouten
Als ik nog ongezouten tranen
overheb uit alle zotheid van de
tijd, die zich vrij laat stromen in
een verbond met een bodemloos
gelegen zee, schep ik ongenoegen
in een emmer waar de bodem is
uitgeslagen, waar des ondanks
de dromen ongestraft uit blijven
komen in het kielzog van de
zelfgenoegzaamheid, tegen alle
zwarte gaten in, dein ik geblinddoekt
in de wals der sterren mee, verkoos
mijzelf te overschatten in verwachting
van bescherming van het nog te
verwekken kind, tot dan zal ik mij
mateloos bezatten, net zolang totdat
ik ergens haar verloren tranen vind.
Voor vrienden
Heb voor mijn beminden
het mooiste bewaard in de
bloesems van de linden, in een
geknutselde populier boven
onkreukbare schermen van de
vlier, ontstaan uit hachelijkheid
en angst van het verraad van alle
spitsvondigheid, waarin de tijd
het evenwicht bewaard op de vlakten
van bos en akkerrand, felheid bestreden
in klare zinnen van een oogopslag
aan de waterkant, waar dove netels
- in hun soort - zijn vertaald en
op de blaren werden terugbetaald in
geboorte en de dood, een levenslicht
zag in een broos geheel, waarin de
essentie werd gevouwen, verval
gekozen uit de diepste pijn zonder
daarover te moeten rouwen, maakt
een einde aan de sleet, is dat
tijdperk gedoemd tot verder snoeien?
Drooggevallen
Gedragen gewaden van wier
in wind verwaaid roepen ze
wat ik had willen roepen, ze
wijzen de weg, niet wetend wat
me beweegt, roerselen die zij raken,
watergeluiden steeds met andere
smaken, kraken de spanen die ik
ontbeer, mijn schip schuurt het
land, drooggevallen in profetieën,
overvloed vlotgetrokken van de
wanen en hun klippen, geduld
spreekt uit murmelende lippen,
als melodieën van hun zinnen,
spreken taal maar niet de mijne.
Diaspora
Je woont waarin je het beschrijft,
een bos kan niet lichter zijn,
je stelt je in op dingen, die je
drijft met groter diafragma vast,
haarscherp raak je het beeld,
uitgelicht in elk tegengesteld
contrast, ieder detail wordt in
kritiek getoetst, wisselend ontwerp
die dichters last verscherpt in
schijn en verwerpt de buitengrens,
in de diaspora van het domein, de
verbijsterende werkelijkheid die
ik zie, de ontdekking van elke dag.
Niemandsland?
Ze plantte een heimtuin in mijn
hoofd, fluitenkruid bloeit aan gene
zijne zoals ze heeft beloofd, bloesem
legt een sneeuwtapijt over alle resten
die zijn gezaaid, uitgedunde oppervlakte
laat zich niet bemesten, de overkant
behelst een ruw gebied, de dove netel
claimt de overhand, weelderig onkruid
bemant de horizon zover men ziet. Met
de schoffel in de hand, lijk ik tegen die
snoeiwijze niet te zijn bestand op de
scherpe snede van het seizoen toen ze mij
verliet, verwijzing naar het niemandsland
kon mij niet boeien, heimtuin werd weide
want daar lopen zwartgevlekte koeien....
Ze staan in het krijt"
Op een zwart schoolbord,
werden psalmen gekalkt,
ze staan in het krijt.
Hoge verwachting,
bespeelt de toekomstmuziek,
vervalst de tijden.
Geweest is geweest,
verpulverde gedachten
recycling van de geest.
Het is soms beter
de stilte te beschouwen
tussen teksten door.
Wereldmuziek raakt
gevoelssnaren, vibreert niet
in elke toonsoort.
Milder?
Levenshonger, ongestild
vertild in beelden die ik
zag, soms oeverloos, ongewild,
tergend achter mij en ziedend
kielzog aan, daarop de woede
te verkwisten, bleef
genoeg te redetwisten,
begroef de nachten in dat
éne woord wat kwijnde, als
milder antwoord schuldig
bleef, beproef de bittere
kruiden tot het einde,
maakt het niet jonger…
Cocon
Met z'n poten had de morgenspin
me in de nacht besprongen
met haar tranen ingesponnen
verstilde lijnen van geronnen
uren, verzonnen in krap gemeten
tijd,ongeduld bleef aan me kleven,
een keurslijf wat de toekomst bleef
verzuren waarin het bloed niet wilde
stromen om het gewicht te wegen,
verder dan de vaste pijn, verleidt
tot eerder gekozen doelen, verdriet
ontplooit in eerste voorjaarsregen,
schuilend in een cocon van onvermogen,
as van verlangen in kruiken aan de aarde
toevertrouwd, in de ochtend uitgestoten
hangen loten van ervaringen te drogen
in de lentezon om dan weer uit te lopen.
"Versleten"
Mijn verhaal is tot
de draad versleten,
ik stop mijn ogen
dicht en schrei, gebed
diep in oude dromen,
zonder eb of vloed,
in kansarm tij, in een
toonloos duet door
menig dichter reeds
bezongen, een ultiem
lied, van ziel tot hiel
gedoopt in een literair
verbond tot herhaalde
daden werd gedwongen, is
het moeilijk te verklaren
wat Achilles en mij zo
hebben verwond, tot
welke soort ik hoor
of uit welke ruif ik
werd gevoed weet nog
immer niet en moet
ervaren wat me het
meest bekoord,als
vogel uit het lot of
hand z’n nest beschrijft
op smalle rand van z’n
bestaan, houdt de schaduw
van mijn schim het
langste stand tot ik op
korte wieken met beide
poten op de grond en
realiteit ben aangeland.
Eigen wil?
Ik heb mijn leven niet
in eigen wil gezocht, het
beleefde zich in wat ik
wilde of niet kon zien,
bedrog van regenbogen,
prisma’s van de ziel, waren
alleen maar enkel ogen,
dat wat ik wilde zien,
werd in verbeelding
even vaak bedrogen,
bij gratie van de tijd
die hun maat opneemt,
zou anders willen zien
dan aanschouwen, verder
dan de vorm, zonder tijd
en ruimte zou ik alles
kunnen missen gezien in de
intuïtie van de werkelijkheid
zou dat beeld verrijken,zonder
me daarop te verkijken,wil
dingen zien die echt bestaan.
Vloedlijn
Het is niet alleen de
dood die me najaagt
waarmee ik strijd, die ik
aanklaag en zal verliezen,
me in de nek ademt, oceanen
stuwt en albatrossen draagt,
houdt z’n geheim verborgen,
verbond met wind en water
wordt betaald als hij op de
aarde beukt, breekt alleen
in branding op rafelig land
wijkt terug met schuim op
kaken, berusting in het zand
als warm gemoed als geduld
hem wacht, het land gebruikt,
wordt versleten, zet zich te
kijk als weerloos slachtoffer
in resten van het leven op de
vloedlijn van het verstand, waar
het in windstilten goed toeven is.
Onzichtbaar lot.
Spinnenrag vangt beelden
uit mijn verste hoeken,
opgerakeld door onze adem,
hoewel ik al vertrokken ben,
van dat luxe matras, die dag
hoef je mij niet meer te zoeken.
Op beslagen ramen verschijnt
nog de wasem van mijn stem,
nog één voorjaarbeurt en de kamer
maakt zich vrij van stof of spoor
waarin schaduwen verschenen,
in aanwezigheid van mij, een tocht
uit geordende vensters verdwijnt,
teloorgang tussen avond en de nacht,
ontsnapt uit beider mond en aandacht,
benieuwd naar de bestemmingen die
mij wachten en in welk onzichtbaar
lot ik zal belanden.
Windkracht 12 ?
Als luchtig avontuur
bedoeld, hebben we het
schip getuigd, werd
door angsten overspoeld
een jachtig galjoen, als
vliegende Hollander
overtuigd, geankerd
in een nauw wambuis,
gekapseisd in ondiep
water, waar het lot het
zwaard vast liet lopen,
bolde winddruk 12 zeilen
met de kracht van de
gordiaanse knopen en van
een vaste koers verstoken,
stuurloos met een gebroken
kompas, gedoemd in een
laatste reis de klippen te
verleggen, viel tegen innerlijke
natuurkracht niets te winnen,
vanuit ingehouden windstilte
ankers te lichten, gelopen
knopen door te hakken, over
een nieuwe boeg te gaan.
Schenk je dubbelleven
Ik wil niet lijden
aan een droom, die
de geest verwart,
verbijt de pijn,
schenk je in een
dubbelleven in een
ander hart, dat het
realisme tart, om de
rouw te vermijden.
Streel ik je in het
morgenlicht wakker,
onderzoek waar de ander
in beslist, vervloek
het moment, waarin je
z’n makker werd, verdoof
die met een duivelse list,
die stalker waart alleen
maar in het eigen hoofd.
Ik zal de duivel te grazen
nemen, met wie jij in de
slaap op moet trekken, met
genoegen zal ik mij voor de
daad lenen, om de schaduw
te wekken, deze door de mist
van het gevoel naar een
noorderzon te vertrekken,om
doelloos zonder traan te wenen.
Harteklop
Ach die tijd, onze tijd
van ondergang en overgang,
scheidt de dauw die we nu
vertrappen, in de middag al
verdampt, klampt zich aan
het tempo van elke harteklop
waarin we mochten hopen,
in iedere seconde start en
eindig ik, in de avond ligt de
ommezwaai met nieuw plaveisel
ingelegd, in nesten die we bouwden,
resten morgens alweer geslecht,
waarin we lachten en rouwden.
Identificatie
Vanuit een trage schoep
van lentewinden staan de
bomen slapend, gras groeit
in bewogen vlagen, passie
gloeit in kippenvel wat over
water rent tot aan een grens
waarin de oever zich herkent,
tekening van passie op de huid
met scherpe naalden van weleer
in duizend sterren, gekleurde
lampioenen waarin liefde hoort,
waarover helden streden, hijgend
bijgezet in beider adem van het
verleden, gebalsemd in een
kort moment van zwijgen,
gescheiden prikkels waar de
dood en daad klaar mee zijn,
zo bedoeld, verlangen op
volmaakte wijze, een omstreven
gebied, angst voor volledigheid,
tegelijk begerig naar het leven
en elkaar wat zich ten goede
keert, nooit klaar en ‘het zelf ’
zich met inzicht identificeert.
Begoocheling?
Wanneer het in een gedicht
weer over de muze ging,
dacht ik dat dit de enige
liefde was. Maar tussen
de zinnen door, staarden
mij de muzen aan, brachten
mij ontgoocheling. Te twisten
als zwermen bijen, vol ijver
met de taal hun raten te vullen, om
tot een hymne te breien, een
magere lofzang op een vluchtig
epos, waarin de goden elkaar
beminnen en van de literaire
honing smullen, op hun
bizarre tocht, de emoties laten
gisten, tot aan de gewraakte
tonen die ik zocht, om dan een
draak te moeten onthullen van
een herhaalde hersenschim, tot
aan de gene zijne van de Styx ,
waar het voor stervelingen
moeilijk aarden is en voor luie
dichters die hun geloof belijden .
Ontlopen ?
Ontloop ik me, dan
ontloop ik vele anderen,
als een boom die ik zie
zich vormt tot bos, in
beken herken ik de spiegel
van een jeugd in een
gevalganiseerde zinken teil
en in de voortgaande oceanen
die ik zag, geen hand die
zich daarin kon wassen van alle
twijfels en nooit gekozen kansen,
als hond die de druppels van zich
schudt, blijven die hangen in
mijn pels en lopen met mij mee,
steeds meer huiden werp ik af,
het laatste vel maakt mij
kwetbaarder dan ooit.
Andere bühne?
Kon ik maar zijn zoals de aarde,
woordeloos, meeslepend, alles
omvattend, temperamentvol
of loos,van iets van alles
en niets van niets wetend,
maar zie wat ik gedwongen
ben te zien, de gestileerde
tijd van op- en ondergang,
hoofdpersoon in eigen overgang,
een acteur aan onzichtbare
lijnen bewogen in een
overladen seizoen zoekend
naar een andere bühne, waarop
het doek al is gevallen
in een schouwspel van
alle sterren, waarvan
het licht werd uitgedaan.
Balans in het extreme.
Evenwicht in het extreme
De wereld uitgesneden
langs sjablonen van het
blind geweld geweld, gevoegd
in voorbewerkte stenen,
ingelegd met specie
van het zwoegen,waar
geen bloed meer uit kan treden,
zelfs geen tierend mos, zelfs
geen onkruid welt op gave
bodem, niets dan dode licht
erboven, niets wat ons verplicht
raakt evenwicht, van aarde
losgemaakt, claimen vale
schaduwen achter
tralieramen, soms ligt
de balans in het extreme.
Hoogste graad?
De allerhoogste graad in een zin
of regel, die geen ruimte en twijfel
laat bestaan, van wat ik zeggen wilde,
daarin zou een onversneden boodschap
moeten staan om al wat mee - of
tegenzat, uit eigen hand bedreven,
in eigen leed geleden en met tol en taal
betaald, verhaalt zich braaf tot het heden,
in eigen dicht en slaaf van literaire daad,
wars van enig plagiaat, verslaat de hele
scala van de muze waarin ik verdwaal, het
was niet veel, maar daar is mee te leven.
Tredmolens
Verzonken in de zwarte
grond van hoop, tot schijn
vergaan, lonkt de lente met
nectar van een nieuw geboren
maan, de nacht gebakken tot
kruimels van het ambrozijn.
Te slapen met de beuk
geworteld in de aarde,
te strijden met de muze
in een ongeboren lied,
verliezen beelden hun
zin en waarde, gedragen door
de vleugels van verdriet, voor
voor vrienden die wegvloeiden
uit de boezems van de linden.
Lichamen vergrijzen
verwordt tot bladeren,
roodgeel of verdord,
verdunt de kruin,een
naderend afscheid, voorspel
van een definitieve breuk.
In het snijpunt waar
mensen van zichzelf
vervreemden, kreunt de eik
in ziel van het geaarde kind
ademt de geest de spreuk der
ontheemden, onafhankelijk bemind.
In het licht van weerbarstige levens,
kinderen van zon en aardse bomen, met
de vingers naar de hemel geheven,
tredmolens van een nog te dromen droom.
" Bitter kruid "
Zinloos geweld perst
de dagen en nachten
tot bittere sappen.
Lentedag gevuld,
luidt de sneeuwklokjes uit,
ook in goed en kwaad.
Op de snaren van
het tijdsbeeld, vibreert
de rusteloze waarheid.
Kinderen weven
hun dromen, waarover
vele mensen lopen.
Religie wentelt zich
in tranen, haalt netten op,
mazen ruim gemeten.
Geluk op steen gewet,
tot messen achter prikkeldraad
tot lappenpoppen gesneden.
Kinderkopjes in de regen,
Blonde hoofden, bleek
gelaat op ziel en hart
gericht, waaraan de dromen
kleven, ver uitzicht, waadt
ze door de tranen heen, benen
getooid in zwart brokaat,
handen in afzwerend gebaar,
met madelieven in het natte
haar, kleur op wang en lippen
waaraan geen regenboog kan
tippen, ogend vurig in
gestolen blikken, om zich in
de dubbele moraal te schikken,
waar een mens de lust moest
reven, laat vuur op kusten van
liefde te stranden en in de haven
van liefde te verdrinken, waart
de tijd en toga door nauwe stegen,
samen met een avondklok van schijn
te klinken met een valse schaamte
als ethiek vermomd, dacht dat
deuren veilig open stonden waar–
achter de maskers van de zegen,
getekend op de glimmende kinder-
koppen van de ochtendstond, alles
blijft bestaan in een druilerige regen.
De brug van de rede
De brug van de rede.
de doden zijn niet dood,
de levenden niet levend
de tijd van het verleden,
verkeerde lang in een
ongeschreven verlangen,
uit nood vermeden, verleert
wat door een kind is geraakt,
het leed als carrousel in
een eentonig spel, de afgrond
als ondiepe kwel,waar kraaien
zich spiegelen aan hun verstand.
De hemel telt die spiegels,
baden sterren zich in weelde,
zichtbaar in de stelling van
Fermat, waar het licht zich
deelde in de echtheid van een
kind, die met dit voorrecht
is bekleed, met weinig liefde
ondervoed, leeft met het heden
op gespannen voet, honger naar
de brug van rede houdt het
zoet, een innerlijke vrede
die het luchten moet, anders
kan ze het vergeten.
Lichtjaren
Gedacht, verbeeld en
helder raakt ons de
nacht waar wij liggen
tussen Draak en grote
Stier, maan verlichte
planeten, belichaming
van verbeelding, wat
een mens in sterren
ziet, lichte schil uit
het stof van alledag
zal door tijd worden
vergeten en anders niet,
dromen naast onszelf,met
elkaar door lichtjaren
van schaduwen en
vertier gebracht, het
moment van hier.
Spectrum
Op het duinpad waar wind
de schelpen gruist staat een
woord met zand geschreven
waarmee alles is gezegd,
zich tijdloos op het aanbeeld
van de zeeën kuist, voor mij
onleesbaar, kruist haar essentie
in de ruimte tussen beider oren,
moeite niet te vergeten, wat ik al
bezat, bezetenheid mij omsluit,
een kans behoedzaam de zinnen
in de taal te zoeken, geleefd
een stap terzijde doet, wordt
het fundament in het verhaal
verlegd, het brede spectrum
tussen Goethe en moeder gans
naar de letter en naar de geest.
Morgana?
Bestijg het hoogste punt
van de woestijn gedeeld
met een verkoperde zon,
versteend uitgebeend gewas,
ik zie een verdroogde oase,
waas verblindt de ogen,
hitte verstoft een vermalen
horizon, waar een schorpioen
de staart doopt in het venijn
van besluiteloosheid, gif als
medicijn, de angel verbonden
in zwart satijn is onwetendheid
te verklaren, ijlt na in een versleten
maan, vergeten in werelds vijver en
in het avondrood blijft hangen,
wat meer is een visioen en door de
mazen van de golven, gedolven in de
oceaan, lonken oases begeerlijker
in de waan van de dingen die ik vang,
chirurgijn van de geest, is het
twijfelachtig of hij geneest en zal
elke fata morgana mij verdrinken.
Verzuring?
Open veld vol zuring, het
groene rood, het rode groen
de bittere smaak van toen,
bood ze me in alle wijdte,
de verte, de tijd in armen
verstrengelt, kon wat
haar verwijten, die weide
waar je de deugd in legt, in
de schoot van jeugd, een
smaak tot aan onze horizon,
een onvoorspelbaar hurken
in de wind van een ongelijke
bloeiwijze van beider kind,
hoe het nooit verzuurd, hoe
het tijdloos openspringt.
Gerijpt
Het kind slaapt naast de
schelp, nóg ongebonden,
nóg ongeschonden, voor
haar de winnaar is een
lauwerkrans geraapt, stil
verschijnt licht in haar
verhaal uit een versje op
een kaartje, uit het hart
verzonden, een ongeschreven
taal, opent het inzicht dat
een vers iets levends is in
de schoot van het ongewisse,
wat dat kind niet weten kan,
waar de bron van dat vers in
ligt, maar het zeker vinden zal,
zag de wereld roze gerijpt,
zag de lentebloesem komen,zag
de mensen die ze niet begrijpt,
liet de tranen stromen,heb
het bij de hand genomen.
Duizendschoon
Ween niet over wat
verloren is, nu haar
transparante schim op
de golven van de winden
rust, naast de leeuwerik
in z’n eindeloze klim naar
dát streepje licht, ontrokken
aan de duisternis, een smetteloze
vlam, een hemelse lampion in
haar aubade de toekomst kust
en aan het heilig vuur ontkwam,
gebalsemd in een seringenbad,
bron van geurend duizendschoon,
de knopen heeft ontward, het
mededogen fixeert zich in een
gesproken toon, water stroomt
niet achterwaarts, lucht wordt
lichaam die haar draagt, mij
troost, modelleert de tijd
haar beeltenis, meen niet
dat die gestorven is, het
blijft gewoon zoals het was.
Krijtlijnen van talent,
Te schrijven over geloof
en waarheden, dichters
ze nemen het brein in
beide handen, verwoord
kaarsvet lekt op tafels,
waarmee papier is bevlekt,
in de kantlijn van verstilde
melancholie en beheerst
verdriet, omfloerst door
glorie als we de nacht
weer doven, tevreden
achterover leunen, alsof
we daarin zelf geloven, te
steunen op een volprezen goed
wat uit monden en oren
bloedt, de letters af te wegen,
in de zonvloed van zinnen
te zwijgen als we dat maar
konden, binnen de krijtlijn
van talent, niet te krijgen
wat wordt nagejaagd, de
blauwdruk van een literair
verlangen wordt de scheidslijn
vervangen en weer weggepoetst.
Waan of wijsheid?
Een trekstroom voert me mee
onderhuids, als sterveling in de
wispelturige muil van de zee, in
vrije keus ontstaat geen drenkeling,
geworpen op een vulkanisch land,
een enkeling herontdekt de balans
voor lijfsbehoud, omarmt de droom
in stil gebaar, hartstocht in beweging,
gekleurde bals van integriteit,
fixeren pauwen de drift in dans,
eigenheid excelleert in een kans,
waar geduld de passie vult om
de onbescheidenheid te taxeren
in onszelf en met zovele die rond -
zwemmen in de immanente zeeën,
om hun essentie van een niet te stuiten
lust te laven, laverend langs de
onberekenbare wegen van een
permanente duurzaamheid, weeg
de kansen wat mij scheidt tot een
herkenbare pluimage in diversiteit ?
Kinetische tijd
Verdwaald in het labyrint
van gedachten en aangeleerd
gedrag, in een carrousel
getransformeerd, herhaald
in bewegingen die ik in
schaapskleren vertaal,
waarin dichters herder z'n
zwarte wolven hoedt, zich
niet laten kooien, zich op
de literaire vlakte houdt, waar
ik de kale zinnen pluk, wordt
mentaal voedsel niet verteerd,
vergaat wol tot spinnenrag door
de motten van verbeelding, het
blijft zoals het is, veranderd
alleen de norm, het schrijdt
naar binnen, voelt leeg en koud,
een bekend gezicht bekijkt
me vanachter tralies in een
regenwoud,ik schrik wakker en
dacht, afgelopen het blijft
nacht, de luiken zijn nog
dicht, het dagend licht is me
vergeten, tik tegen de stenen
van de tijd, er beweegt iets.
Morgen?
Morgen, als het lente wordt
zal ik seringen strooien uit
mijn bloemen slee, de stad doen
ontwaken vermomd als toverfee.
Morgen, als het lente wordt,
zal ik vlinders naar de bloesems
sturen en zal ik lachen naar
mijn autochtone overburen.
Morgen, als het lente wordt,
zal ik voor elke rebelse specht een
nest gaan bouwen, waar hij z'n ei inlegt.
Morgen, als het lente wordt,
zal ik de liefde prijzen om haar de
zon te schenken uit het glas der wijzen.
Morgen, als het lente wordt,
zal ik buigen naar het recht om
wat krom door onrecht te verzachten,
zal leed en pijn die dag even vergeten zijn.
Morgen, als het lente wordt,
vlecht ik een biezen mand, waar
mijn hoop de rotte appels laat
verdwijnen en uit de loop van elk
geweer rozen zullen bloeien, garantie
voor een duurzaam bestand.
Morgen, als het lente wordt,
maar wat doe ik vandaag nog in
sneeuw, morgen lijkt nog steeds een
eeuw, ondertussen wordt het gras
steeds groener aan de overkant.
Waarom zou ik ik wachten op de dag
van morgen, wat ik vandaag kan doen?
Gracieus
Na zovelen ongetelde dagen
strijkt het lentelicht
over het purperen land en
door het verstilde raven
haar, het is niet waar dat
zij daar in ruste ligt, de
plek met eigen woorden
koos in een onvoltooid
gedicht. Ik slijp haar gratie
in een steen, ik modeleer
haar naam in hout en taal
om die voort te laten gaan
tegen beter weten in, spreek
ijdel haar aan in mijn teloor –
gang toe, een plaats waar licht
volmaakt gedijt, zich spreidt,
onaf een bewogen hart geraakt.
Boomgaard
In dichters boomgaard is
de nacht vangzeil voor
voedzame woorden, in
de morgenstroom van nog
te vinden eigenwaarden,
lijkt kern en daad te zijn
vergeten, denkt waan en
waarheid te benaderen, wat
overblijft zijn alleen de
korsten van het avondbrood,
waarin de tijd bakzeil heeft
moeten halen, verloot de
kruimels op papier uit de
woordenschat van dichters
strijden schrijvend in een
buitentijdse eigenheid.
Meetloos,
Zij glijden door sloten de
wereld in, in lekke boten vol
hoorngeschal, stuift zand in
rauwe stemmen, lichamen te
groot voor peddels waar zij
mee roeiden, werden intieme
vrienden in woelige wateren
van de nood, reis op beider
voeten sinds zij groeiden,
door mild en vertekend land,
vindbare lidtekens gaan van
hand tot hand, geschreven op
een vervlogen krant, waait
ritselend op in een gestorven
zucht om de tijd te ontmoeten
buiten mijn medeweten om. Op
de rug wacht een verlangend
kind wat lacht, mij toedekt,de
handen strekt, worden kromme lijnen
zacht in een meetloos mededogen
tot de sluimerende dood, die wacht.
Alsdan
Dat ik haar hand
die zoekt nog vind,
alsdan,
dat mijn verloren mond
haar stilte horen kan,
alsdan,
dat ik droom dat zij
de aangeboren schroom
verlaten kan,
alsdan,
zij de tranen weegt,
de zon die van haar
spiegels veegt,
alsdan,
zij veilig garen
spint uit een
aardse cocon,
schuilplaats
voor ieder kind,
alsdan.
Ordelijk?
Zoals het gebeurt, vermaken
wij de herinneringen, zo is
de barre tocht, rechter –
linker hand ineengeslagen,
onbeholpen religie uitgevoerd,
waarin menig dagboek is verbrand,
verhoedt de werkelijkheid in
verhalen rond te treuren om te vaak
herhaald te worden, vervreemding
van hun oorsprong, als ik dat schrijf
wordt dat meestal zeuren en tracht
mij te troosten met ontoereikend
gereedschap in het vege lijf, een
niemandsland waarin ik mij waag
en om een handgemeen vraagt
met taal en tijd, om die verbeten
in een ordelijke volgorde te plaatsen,
ontstaat er weinig onderscheid.
Lekkende zon, broze vreugde
Grond, gedeukt, geblust,
horizonnen die vertrekken,
een waterige zon lekt.
Randschrift in heuvels,
brokken gebroken licht,
baanbrekend gedicht.
Grafstenen, rechtop
vervreemding van de doden,
geschreven in de zon.
Slagboom van de geest,
houden dromen niet tegen,
in een vloek of zucht.
Groetings aan schoonheid
broze momenten van vreugd,
ontvreemd aan de dood.
Licht in oude dromen
Wat in tegenstelling tot
heldere beken in boeren
sloten te zien, kroos
verbindt voorbijgaande
oevers, spiegelend om de
aardse adem te beliegen,
stromend met troebel water
mee, waar stilte vleugels
krijgt van witte zwanen
over de ruggen van de wind,
zijn het mensen die betalen
wat bijgeloof verzwijgt, een
vanzelfsprekende maan in zijn
bedding verdwijnt en het
licht in oude dromen schijnt.
Natura Naturales
In het voorjaar schuilt
haar vrouwelijkheid, winter's
lonken alleen vermoeide mannen,
zomer's lonken kinderen onbevangen,
ben in het najaar in alles bereid,
dan bestaat géén verlies aan tijd,
komen we elkaar vervangen, wordt de
hengst van passie schrijlings bereden,
beteugeld, gevleugeld van verlangen,
verschuiven dekens van de evenaar,
dolend in de wieken van de molenaar,
waait wind door frisse manen, liefde
bedreven in de schaduw van een
korenschoof, beschreven in een wolk
van haar om zich in de 'indian summer'
te wanen, oogstseizoen dat schoonheid
onderschept, ongerept op silhouet
en horizon kan bogen, raakt de
muze meer en meer bevlogen.
Kousenvoeten
Je bent een vlinder,
je liet je niet vangen
in een web van woorden
die ik hoorde en vergat
terwijl je sprak, verbond
de weerstand van de wereld
met de morgenstond, zag de
ringen om de sterren zingen
in het mededogen van het
innerlijke kind, las de
regenbogen in de bedroefde
ogen van nooit geproefde
kleuren, schoonheid herneemt
z’n loop, die hoop en toekomst
claimt op de zachte kousen -
voeten van de tijd, vangnet
van haar vruchtbaarheid.
Maalstroom
De ruimte van geluid
strelen met gedichten,
stilte niet bruskeren,
wat verder doordringt in
de geest, verwekt tot
verwarde beelden die uit
hun schuilplaats springen
als roofdieren passief
schijnbaar, ineengedoken
wachtend, klaar voor een
nieuwe sprong, zich te
wagen in een maalstroom
van woorden die mensen op
een fictieve weg najagen.
Verbloeming
Tuin bloemt in het hoofd,
verlangen schiet uit moedergrond,
vlinder streeft met gemak, een
schaduwrijke winter overleefd,
geen hinder van gestreden strijd,
beken zoeken bedenktijd,
slagaders van uitgeslepen vlijt
om erosie te verschragen in het
losse zand en tegenlicht van
nooit gestelde vragen, de weg
haar bestemming kiest,
ontluistert,gekluisterd aan de
leegte, wat zich in tegenstelling
verliest, wordt het scherp van
schede zacht en scherven bot,
snede zonder bitterheid, als
geleide naar een laatste
rustpunt van eindigheid en de
mysteries van de achterzijde
van de maan en stille zon,
de goedgelovige metgezellen
en schikt het lot zich naar de
archieven van het hart.
´Dicht z´n dicht´
Bevangen door stilte
en ongeduld, de jacht
naar ultieme zinnen,
gedachten en het glas
rijkelijk gevuld, voelt
hij de leegte van zinne,
elke streek bevat een woord
gedreven bouwt hij voort,
versjouwt zich aan de droes
van de tijd, in roes
ontstaan beelden in de ziel
van de dag die op hem wacht,
buigt meewarig over tekst
en uitleg die hij bracht,
strekking niet begrepen
onvermogen verder te kijken
dan tot op de bodem van het
vat, wordt z´n dagelijkse loop
gewogen, dicht z´n dicht
waarvoor nog geen streken
zijn bedacht en sluit de ogen.
Uit: ¨De gans verliest z´n veren
maar niet de moed."
" Binnen de context "
Blijf moedig ouwe dichter
drijf je pen niet stuk, blijven
boeken zonder lezers, achter -
gelaten onder stof, bijeengebracht
tot schimmel van gedachten, die
je deelde met een zielspartner
op een ander halfrond, wachtend
op alle woorden die je stak in
het schrijven van een verbond,
waarin een nog niet geboren kind
rust in z’n chromosomen, zal het
buigen over het geschreven leed,
maar te zwijgen over verloren
dromen, en de context verklaren,
zonder dat het haar speet.
Maar zo gelaten
Zo maar gelaten kamer,
gordijnen dicht, strepen
zon in een leegte waar
jouw beeld en motieven
in verbleken, een door-
schenen put, wind
uitgeput de laatste
adem tegen ramen baart,
aan de halsband rukt
van bekentenissen die
we vermeden in een
monoloog van pijn.
Merktekens van tijd
Onzichtbare lente heeft
kussens geschud, berustende
sneeuw in ochtendgloren.
Hakblok, de warmte
gesloten in de aderen van
een bedrieglijke zon.
Brokstukken van tijd,
bottende knoppen, zaaigoed
van ademende sterren.
Weerschijn van toekomst,
streling van bekentenissen
bekleed met woorden.
Tijd vergelijkt zich
in versgeaarde wegen,
er is niets dan tijd.
Lichtend prisma
Eikenbomen, de lichteters
verkruimelen de winterdag
dofheid distilleert de glans,
schuwen blikken om te wassen
gewogen modder en waterstof,
tijd dompelt lange schaduwen
in een trage schittering van de
aarde, losgelaten uit de matrix
van de zon, in helder prisma van
gekozen kleuren, zaaigoed van
feestende kristallen in het mos.
Onvoltooide reis
Waar is de loopplank om als
dichter bij je aan te leggen,
help tijdsbrokken te verleggen
in het onvoltooide lied van
vroeger, als dwaas te dromen
van reizen en te zeggen ik
ging vrij jouw wereld rond,
wordt die valreep mij ontnomen,
hecht ik waarde aan elke
herinnering en leg het oor aan
elke rechtgeaarde schelp.
Ware passie,
Bezongen op de lippen van de eeuwigheid, zovele dichters beschreven een oneindige smart, ontvloot zelfbeklag, uitgestort uit reine licht van de ochtenddauw, een weebeklag uit mond en luit, valse noot uit Orpheus hart, smeekt de veerman zich eenmaal te hullen in de mantel van barmhartigheid, z’n veer over de Stix en mededogen te strijken, en het meest beminde uit de onderwereld te halen.
Geloof in ultiem verzet, moest daarbij de hoogste tol betalen, niet te mogen omzien, wat de Goden hadden geroofd, door de minstrelen bezongen in alle tijden, dat die de wonden zou helen is onzin die we nog altijd delen, die gedachte kost ieder het hoofd.
Egoloos?
Herkenning van gekiemd zaad
uit een vroeg begin, het proeven
van de lichte zeden van de huid
en van haar, daar nog alles tussenin,
de erfenis van de mij nog onbekende
Goden uit een terracotta oerinstinct,
laat zich voorspelbaarheid verraden
gekroond een eindeloze stoet der doden,
als kroontjespen gedoopt in zwarte inkt,
het avondrood de horizon verminkt,
waarachter uitgebluste as dempt
de egoloze put, verdrinkt het
kalf zichzelf, bij herhaling
een verraad aan eigen daad.
Carnaval of Gay-parade?
De een traditioneel, de
ander een boegbeeld van
eigenheid, verbeelden
tegenstrijdige uitbundigheid,
vanuit religie en folklore
geboren en uit de traditie
voortgebracht door stad
of gracht gewogen, in het
vaar – of voertuig van extase
op het hoofd of narrenkap,
een excentrieke verendracht,
melancholieke uit de hand
gelopen grap, bespeelt door
een vergulde blaaskapel,
gesmede geaardheid in
verbinding van cultuur, met
de schijn van korte duur, wordt
de kult als torso op het lijf
geschreven, maakt het ritueel
de éne introvert, het andere los-
gelaten in een swingende natuur,
kiest voor een zonnig avontuur,
de éne verliest zich in de
februarikou en ik verkies de
middenweg, was het alleen
maar voor de temperatuur.
Symmetrie,
Door de zon geraakt
geschminkt door licht,
die zij bij toerbeurt spon,
lacht zij op wat ik spreid,
wij zijn van gelijke bron,
het mozaïek in het tapijt,
een musicerend paar,
spiegelend beeld, het naakt,
tot in elk speels detail
aangemaakt uit de schoot
der rijken, steelt mijn
blikken om te kijken.
* Pentekening van Claudio da Costa
Sibylle,
Wie zoekt niet, het grootse allure,
het mystieke van z’n avonturen,
ervaring van verdriet en schijn,
Sibylle zoekt het in het klein,
verdiept zich in de echtheid van
de mensen, richt zich op onontdekte
schreden, intuïtieve treden naar alle
mogelijkheden, beschilderd de aardse
waarheid met haar penselen tot
nieuwe flonkerende stenen in
haar juwelen, die in schoonheid
zijn betoverd, staat ze de wereld
terzijde in de weg van het hart naar
het hoofd, van de wieg naar gene
zijde herovert zij het paradijs,
handleiding in elke levensreis wie
het ziet, maar tegen welke prijs?
Verholen?
Zijn het de walkuren of
de eigen schimmen die
mij de rust niet gunnen
om gekwetste uren uit
de nacht te zeven? Uit de
zure regen van hand –
gespitte graven waaruit
de ochtenden zich laven
tot het morgen gloren,
worden nieuwe tranen
geboren, leggen zon en
maan een schaduw
over een geleefd gezicht,
lucht en water verhangen
zich aan nevelringen, de
mens wikt en schikt zich in
een aantoonbaar gewicht,
naar de maat van al die
overbodige dingen, schuift
daarbij de gordijnen dicht,
verholen achter maskers
van een wetenschap,
daarachter weet ik nog
van niets, wanneer zet
ik de wankele stap?
IJkpunt
Het groeit tot een perfect
omhulsel, kind in de trappelzak,
de huid nog bijna vloeibaar, de
botten zijn voor grote mensen,
daarna wordt de binnenkant
met kleine zinnen beschreven,
oplopend tot woorden die
met hoofdletters met het
bewustzijn worden bedreven,
de soepelheid van spieren, het
timbre van de longen waaruit al
vroeg moraal wordt ingezongen,
het warm geweven kleed van
de zenuwen en bloedvaten,in
zuiverste vorm gemeten, beslaat
de gewogen norm in het praten,
maar waar ontstaat een onmisbare
ethiek, eindpunt van het geweten?
------------------------
Illustratie, pentekening
van Claudio da Costa.
------------------------
Wisselende klederdracht
Ik overweeg de stilte, dat
is dat ik alleen wil horen,
met al wat daar binnen is,
zonder geluid wordt geboren
daarin is het bijzonder dat
het maar niet donker wordt,
waar de nacht in moest vallen,
en het zwart wordt opgeschort
had ik stille intimiteit verwacht
in een summum van getallen,
verglijden nu de magere vieren
opgevuld tot zessen, gekleed
in een wisselende klederdracht,
als ongewenste danseressen.
Zwarte sneeuw,
Koud vuur in dit getij,
oud zeer druipt van alle
omgekomen bomen, zwarte
sneeuw bedekt de borst
van de doden die van
verre zijn gekomen,
streelt de winter,oud
en wijs gedeeld in ijs,
vindt de weg terug van een
reis in afgedankte sterren,
tussen afgevallen bladeren
ontbonden smarten onder gladde
stenen, dan zijn ze thuis, tijd
ontbindt vuur en vlees in het
vloeken van de wind, verbindt
geschonden harten die schreien.
Vroege haan,
De haan, een kunstenmaker,
vroege vogel met zichzelf begaan,
in eerste stralen opgestaan, leurt
in het licht met schorre stem,
waarmee hij mijn dromen en de
ochtendstond verscheurt, de
zon zijn narrenkap en hanenoog
belicht, mij met tirannie de
slaap verdrijft, zaait uit krop een
litanie, dwingt mij tot verweer te
vergezellen in zijn ademtocht, daalt
in stilte, een verademing , alleen
te kraaien in een uitgestorven taal, de
doden wekt die ik nauwelijks versta,
als ik dood zal zijn, roept hij mij al
die woorden na, verwaait dat geluid
door een gat in het heelal, waarmee
ik de luiken sluit, anders ben
ik bang dat ik stikken zal.
Een pose?
Weinig lukt het te schrijven
op een simpele wijze, dat
de woorden klaar en helder
als kinderen ademen uit de
bedstee van de taal, onder de
dekmantel van een gedicht,
deuren op een kier, vaak ook dicht.
En slapen ze als rozen, dan richt
een zich op in een vage moraal,
roept iets onbestaanbaars, ik
geeft die betekenis een pose,
tegendraads, ongehoord met
enige schroom, dan zal ik
de kaars aanlaten, anders blijf ik
steken in de kantlijn wat ik heb
gelezen, zin na zin, zonder gewin.
Schelpengruis
Over toppen van de
duinenrij, stampte ze haar
schelpen vrij, de winden
borstelen de taaie helm en
het korte haar, geschoren
door het jagend en golvend
wateroppervlak, waarvan de
meeuwen waren opgestegen,
zij zweefden met elkaar naar
een hogere vallei en naar
verre uithoeken van de zee,
in geen kwaad berust, zonder
aanstoot van gevaar, vliegt al
al wat vliegt met haar mee,
zout ontbloot de tranen over
sproetenwangen van een kleine
dwaler in het zand,klapt het
schelpengruis van jurk en handen,
parels van een groot verlangen.
Nederig
Bestrijd die woordenschat
op lange duur waarin we
ondergaan, machteloos
tegen taal en tijd, vaak niet
te begrijpen wat te doen,
vertil me aan een lege
letterkast, streep de episodes
door van nu en toen. Wij denken
de waarheid te benaderen,
als die bestaat – om tegen
wil en stank - de poëzie aan te
kunnen raken, gooien zinnen
in de goot, die verder drijven
als baken op een modderschuit.
Te varen langs ruimten en de
wolken, gericht op blijvend groen,
het hoofd getand met lauweren,
gevuld met bladergoud, die waarheid
is in ongeduld te denken aan rottend
loof en eindeloze losse einden en
blaast nederigheid in het gezicht.
Woordloos
Uit het stof, kwam voort
het zwijgen, daaruit het
eerste woord, omdat er
niets meer was, was het
sprakeloos, alleen de
stilte aangehoord, er viel
niets meer te wegen uit de
zee die steeg, daar ontstond
een laatste woord, verbond
daarin alles met wat lijdt te
leggen maar dat is nooit genoeg,
dat woordloze blijft leeg,
of de dood heeft het verzwegen
of de tijd verheelt zich met wat
in het moment van stilte nooit zo
luid is geweest, misschien bestaat
het niet, zal het ooit bestaan?
Handpalm.
De handpalm van de wereld
fijngeknepen door de goden en
het geweten en met tranen overgoten,
ongrijpbaar als onvrijwillig zaad,
de doden door de uitgestrekte vingers vloeien, gedijt de nood als
verrader in een machteloze strijd tegen
menselijk willekeur en z ’n voorspelbare
natuur. In die teneur zullen nieuwe
gewassen op de dood gaan kiemen,
een daad van onvermijdelijkheid, in een
oprechte humaniteit na zal beven, en
waardigheid aan de cultuur blijft kleven.
Gepolijst profiel
Nu op deze verloren dag
in weer een ander jaar,
vloedlicht zwaait over
het ontvroren land, het
is niet waar dat zij daar
in ruste ligt, dat zij de
tocht is aangegaan in een
omfloerst gebaar, het is
toch waar, dat wij haar
profiel polijsten in ruwe
steen, beschrijving van
haar taal tegen beter weten
in. Ik smeek haar de stilte
toe, ijdel gewin, vlijt van
onzin, in het besef, dat zij
alleen het vermoeide hoofd
heeft neergevlijd en haar
profetie uitbreidt in mijn tijd.
Gedoemd ?
Kleurrijke rozentuin in
kostelijke kracht met al
z'n begeerlijke geuren
geeft als geheel de macht.
Maar ook één rode roos
verheerlijk zich in eigen
roem en straalt een daadkracht
uit en blijft diegene waar
hij voor koos.
Verdort die éne fiere roos
in het bonte geheel om zich
moeilijk staande te kunnen
houden in een broos gekrakeel,
wat een einde maakt aan z’n
uitdagend bloeien, is het hele
rozenperk gedoemd tot snoeien?
Het komt wel,
Wat duurt de winter
ellenlang,verstuurt het
een gerucht alleen nog
uit een zucht, vanuit het
borstbeen te horen in een
voortvluchtig gericht, de
tijd hijgt lichter in ons
rond, stikt gaten in de
ochtendstond, is amper bij
te houden, beweegt verder
uit het zicht, schaatsers op
smeltende melk, trekken
eigenwijs sporen over het
virtuele ijs, wat gelig korzelt
aan de randen, bestijgen dag
en nacht de zon en maan in
nieuwe offerranden, hervat het
seizoen zich in een gewogen
rantsoen in een ander gedicht.
Eclips,
Wij spelen een verduistering, als
we elkaar bespelen, schoonheid
weggeschonken, resoneert na iedere
trommelslag, gordijn omfloerst
de leegte, doen de stemmen zwijgen,
opent deuren van de huizen die in
doorzichtigheid te bloeden staan in het
brekend licht, geslonken ruimte breekt
uit schoorstenen, rolt zingend van de daken,
we omarmen de eclips als een dodenmis.
Vers gedolven lucht
Ontgonnen ontstaan er bronnen
waarmee men tijd en land wil
winnen en oude lagen afgraaft,
gestaag beklimt een kind de
helling waarboven speelse winden
geduldig zand te spinnen staan,
slaan vlinders vleugels uit om
in de zachte schaduw van een
kind een innig lied te zingen
over een gedroomde vlucht,
ongeduldig, ruisen diepe
verlangens een spoor te volgen
van vers gedolven lucht waarmee ze
de veren van de wolken mee spint.
Uit de bundel;
“ Speelplaats, alleen voor kinderen, voor
volwassenen te betreden op eigen risico.”
Zonder aftiteling
Het sneeuwt over de kristalen
herten aan het ijsmoeras, wat
maant tot stilte, bewegingen
verstillen in kilte, warme harten
ademen alert op elk gebaar en
blaast kapok uit neus en ogen,
kool van transparante inkt maar
even zichtbaar, onhoorbaar in de
slag van snelle vleugels afgeworpen,
verdwijnen schaduwen op het
parelscherm van de avondwind, zonder
aftiteling, in zwart en wit getint.
Als de vorst z’n kroon afzet
Een schaduw van wie
daar gaat, ingepakt in
stijve kleren glijden
over straat, het hoofd
in livrei verbonden,
stram als een lakei,
tuin en schutting allebei,
laten zich verdwijnen
onder mutsen door de
sneeuw gehaakt, over
een ijzig pad heeft ook
zijn stil verlies gehad,
tussen donkeren muren
hangt de dag in hengsels
van bevroren regen, in
stilstand en evenwicht
van de tijd, als de vorst
de kroon afzet, bevriest
de dood een ogenblik,
kiest voor mindere duistere
wegen, natuur is in gebed.
Oude bomen,
Platanen langs de laan
pathetisch van bestaan,
staan hun plaats af aan nieuwe
twijgen in de wind om tegen
de verwachting in dood te
gaan, gespreide takken in
een hol gezicht, geheven
armen naar de lucht en
naar de grond, het licht
maant voorzichtig om
niet meer te bewegen,
ontleend aan stramheid
in de druilerige regen, ze
zijn verdwenen voordat de
morgen komt, voorgoed.
Illusie?
Waar alles mee begint is
meer dan een woord of
taal die men in een
zin benoemt en wat een
gedachte uitdrukt en wat
verder reikt dan de
blauwdruk van het leven,
en wat zich uitspreekt in
een streven, in vermomming
tussen zin of regel kruipt,
sluipt door het luie oog van
het bestaan om met tomeloos
geduld weer op te staan,
zichzelf ten allen tijde
overleeft als het dat wil,
streeft naar autonomie, dat
is meer dan een vrije uiting
van de rede en is de echte
combine tussen poëzie en
filosofie, bevrijd uit de
cocon van illusies en zich
distancieërt van oordelende
molenstenen, in de ons voorgeschreven tijd.
Ze kneedt onbreekbaarheid
Ze kneedt de klei, in ogen
van verwondering door ranke
schoonheid, geroerd door
slanke handen, water gereinigd
uit de schaal van broosheid,
zweet gestileerd in onschuld,
de vorm ontstijgt de ziel
van het creatieve denken, te
zweven in onbreekbaarheid
en licht laat dolen in een
hogere vorm, ontleedt in
betrekkelijkheid en deelt het
avontuur uit zwarte aarde
gestolen, voorbij de norm en
middelmaat, verrijkt in een
onverwerkt gebied, waarin met
meesterhand de liefde is geijkt,
ze reikt de kunst met uitgestoken
hand, oneindig verder dan men ziet.
Terug aan de kust.
De zeewolven kun je horen met
beide handen voor je oren, als
de dagen wat luid zijn geweest,
stilte gesprokkeld tussen golven,
daarin belooft een lege kokkel nog
het meest om het rumoer te smoren,
onder een grijze lucht waar meeuwen
zich baden in nog wittere sneeuw,
besluiten we hier te blijven wonen.
Niets?
In dit licht heb je
wat je hart begeert,
mijn hart begeert
niets, in alles wat
niets om het lijf heeft
ben ik je schaduw,
doorschijnend, verteert
dat weinig tot niets, waarin
uiteindelijk niets ontbreekt.
Een soort genaamd mens, 'z’n odyssee'
Wantrouw de schrijver
vertrouw het verhaal, ga met eigen pennen aan de haal.
Schuldgevoel of zonde, zijn de overrijpe vruchten uit de boom van kennis.
Als de hemel ons straft, hoeven we niet te lijden, wij verhoren zelf onze gebeden.
Lotsbestemming is geen
plaats, maar een manier van kijken naar de wereld.
Ervaren is een naam
die aan de opgetelde som van fouten kleeft.
Perfectie is dat
leven waarin we ons imperfect opstellen.
Waarheid, mocht die
bestaan, is zelden zuiver en nooit makkelijk.
Ego en hebzucht is een
laatste toevluchtsoord voor al het falen.
Als je schoonheid ziet,
hoeft ze jou niet te zien, wel staat ze voor je klaar.
Het beste om van een
verleiding af te komen, is eraan toe te geven.
Terughalen van
de jeugd, is het herhalen van dwaasheden.
Eenzaamheid is een stilte
waarin de stromen in ons tot stilstand komen.
Ontstegen
Ik start een nieuwe maan,
de intense kou tart de emotie
van mijn hart en blijven voren
achter de ploeg stijf bevroren,
want de ingevallen vorst houdt aan.
Vers geslepen tijd versloeg met
macht - in omgelegde sporen,
waarin vertrouwen wordt
geboren, -de onmacht in de
kromming van het opkomend
licht en de afnemende nacht, op
het snijpunt van die wegen zijn
hoofd en hart het ijs ontstegen
en weer tot elkaar gebracht .
Alles is er al geweest
Er is niets oud en ook het
nieuw is er altijd al geweest,
voor de piramide is ook de
sfinx slechts een waakbeest,
een schil in de terminologie
van beelden waarover men
denken wil, deinen ideeën voort
in menselijke overleveringen , al
jaren schouder aan schouder in een
besef dat tijd niet bestaat, worden
alleen rijpende gedachten ouder.
Sfinx
Hij zegt, dat hij heelt
de wonden, geldt dat
ook voor hen die vroeger
dansen konden in het
door het lot beschenen
en ondoordringbaar bos?
In dat labyrint moet de
juiste richting nog
worden uitgevonden,
wijst met z’n beloften
soms naar rechts, dan
weer links, als men vraagt
de gulden middenweg, zal
hij tijdloos glimlachen en
zwijgen als een sfinx.
De hoogste piek,
De hoogste piek van stilte
zal ik niet bestijgen, blijf
steken onder de toppen van
herinneringen, en zeil
ik af langs de moeilijke
paden van de mijmeringen,
om over onbegaanbare
gletsjers te verdwalen,
langs goede bedoelingen
die aan mij voorafgingen.
tot in een eeuwig zwijgen.
Habitat,
Ik hou van zwijgen en de
stilte verpakt in woorden,
om wegen vrij te maken voor
het zwijgen en de oversteek
te wagen in de woordenzee,
de keuze die twee te scheiden
in de vaart door het niemandsland,
snijdt de boeg van mijn akkoorden
door het water naar het beloofde
land, waar vissen in hun habitat
ruimte krijgen om woorden aan
elkaar te rijgen, zonder naar een
uitleg te gissen, op de vloedlijn
krijgt taal weer een kans, komen
gereefde zinnen weer ballans, en
alles wat daar aan vooraf ging.
Verkeken?
Wat we niet hebben, daar
blijven we naar gissen, al lijkt
het missen heviger dan wat we
gehad konden hebben, als ..!
Gefundeerde ideeën pronken
naar gehechtheid om te lonken,
wat bedoeld werd met remmen,
proclamatie van verbeeldingen
met de nog te verwerven dingen,
in spijt te wissen en waarover
we maar zwegen, associatie
mondiaal verspreid, misleid,
kansen in een nieuwe generatie,
ontvlechting van een verkeken strijd ?
Hymne
Er zijn zo van die verre tonen dat
mans dove oren ze niet willen horen
van mensen die op vlakten wonen,
ze houden zich verborgen, stellen uit
tot morgen, in verwachting op de toon
waarin niets zal worden verzwegen,
waarin méér doorklinkt dan verwacht,
luister wat zwijgt uit een eeuwig lied,
fluistering van muziek, een kosmische
mozaïek van liefde, een oneindige hymne,
lijkt simpel, maar iets anders is er niet.
Windroos,
Jachtige sneeuw, waarvan de
vlokken zich bewegen op de
vleugels van door aller gekozen
winden, de windroos van het
kompas is niet vermurwen,
verwijst naar een bestemde
richting van het bestaan,
verstuurt de adem over
thuislozen en allen die nog
verder moeten gaan, het ijzelt
glas over beminden en alle
gezinden , bewegingloos is de
kristallen vacht waaronder
recht vaardigheid lijkt te
vergaan, waar eerder vrede
was, ontstaat een nieuwe nacht.
Verstilde wereld
Mijn lange stille laan,
een sneeuwverlichte weg
de bomen, de oud
geworden dromen, het
water, bevroren rimpels
verstillen tijd, ingeblazen
door de wind, nergens
enig geluid, het is een
wondere wereld die me
omsluit, het bonsent
bloed wat door het hart
van de aarde gonst, wat
mij uit de verdoving wekt,
zijn zintuigen gericht,
op een voortschrijdende
horizon, die door de stilte lekt.
Gemoed
Vluchtige, schuwe schaduwen
waarvoor de nacht de ogen sloot,
glinstert verse sneeuw op zerken
van hen die leefden en boven wier
gemoed in aarde slaapt, het
licht heeft z’n baan verlaten, de
tijd waait nieuwe dromen schoon,
op de hoofden rust de keizerkroon,
het zicht op de kortste dag is dood.
Scherven van de stal…
Ondanks crisis, is
het weer gelukt, de
boom die staat, met
lichtjes in z’n ziel die
van het plafond een hemel
maakt, poedersneeuw
wat onder schoenen
kraakt, bitterkoekjes
in alles zoet gemaakt om
met blijdschap onrecht
uit te bannen. Bij het
aansnijden van het gouden
kalf vloeit bloed, door de
scherven van de glazen stal
en uit de snede van moraal
vloeit zalf voor het bloeden,
veel gebeden, weinig geleden
om zich te hoeden voor de val,
daar weer in trappen, onterecht ?
Eerst,
Eerst was er alleen het zwijgen,
uit niets bestond het ruisen van
de woordenzee, en een gong, een
klank uit eerste mond en bron,
onberoerd in natuurlijk stof,
nog onbeschreven zonder woord
in de voetprint van het leven,
daarna kwam er meer dan iets,
daar bleek veel van te bestaan,
je kon rapen, of weer vegen, van
wat nog komen zou of vergaan in
een laatste snik, om in aards
rumoer te verdwijnen alsof het
nooit heeft bestaan.
Een zijn brood, de ander z’n … Getjilp terug, gevlucht
in de kantelen van struiken,
burcht van heggenmussen
rood gespeld intussen als
achterlicht op de borst en
graf van menig roodborst,
het brood niet uit de hand
wil eten, verdwijnt het in
de schemer van de dood,
verdwijnt het uit gezicht.
Kiezels in de mond,
Ik weet nu dat de winterkou
mijn stem beslopen heeft,
dat aan elk lied een randje
rouw kleeft , liep te vaak
aan mijn stem voorbij, dan
werd moeilijk ademhalen voor
het wezen dat met mij leeft,
zonder eind, met eigen wil, wat
aan vervoering brengen zou
verzamel ik ontroering, toch
spreekt het zich niet uit, dat
Chrysostomos besloten heeft
dat gestamel verlies is van geluid,
met kiezels in de mond van
welsprekendheid , val ik stil
mijn lispelen verstomt en
de taal gereinigd wordt.
Metafysica ?
Stille steen, geen treden
voert naar grond, geen
weg schept ons wegen naar
een overleden zon, wat
scheen in wolken wat
eerst scherven zijn, het
mozaïek betreden van
bergkristal, een steile trap
voert naar het groene dal,
bedekt mystiek waar het
om vraagt, springt naar
sterren in het heelal, met
duizenden zichtbaar maar
in verval, vertoont zich in
ragfijn zaad, in het spoor van
het verhaal wat zich door de
melkweg draagt in levend
licht van bezwerend stof, op
de ziel van de aarde gericht.
Rijp voor …?
Het sluipt nabij, ik leef
maar door, wacht af wat
komt, wat nader kruipt
grijpt naar de keel, waarmee
de klop verstomd, de dood
in eindigheid vermorst, komt
na het dagelijks brood, groeit
liefde aan tot aangename korst,
bloesemkuur in late jeugd, waar
in wolken adem van de vreugd
de aangeboren rijp ontdooit
in het vuur van ouderdom
in geest en in mijn borst.
Nooit bitter
Soms gebeurt het, soms
worden woorden, als men
ze niet verwacht, vallen ze
moeiteloos uit de palm
van de nacht, ze komen
als de maan gunstig
staat, als ik drink, adem,
proef in wat ik dacht te
schrijven, zonder bitterheid,
in de nasmaak van de taal,
om me in te warmen, een
grootse taal die alle talen
in zich heeft, niet vervreemd
om in weg te dromen.
Op de rede,
Getijdenstroom loopt niet parallel met de schijn, lijkt stil te staan, kost
kracht om tegen stroom en mening in te zwemmen, en
als drenkeling - op een door god verlaten kusten - te
vondeling gelegd. Wrakhout van de onmacht drijft mee
naar open zee, waar de ervaring leert dat gevoel en
wijsheid zich niet onder een net laten scharen. Vanuit
die visie meer tolerantie doet vergaren in een nieuw
refrein, het hoofd en hart op het kussen van de nieuwe rede
zal rusten, gebotteld in een fles, gevonden op de waterlijn.
Warm as,
Is het enige wat gebeurde wat bedacht, werd geschapen kwam uit missen en beloven, maar als stenen gaan ontdooien, schrijft de wereld geschiedenis, zal het eens gebeuren, dat as zich baant de enige weg naar boven, het warme zaad de harten breekt van lang versteende graven, wie zal daaruit opstaan, te durven gaan tot het pad is beslecht?
Breekbaar ?
De zon bebroedt de klei en aarde, stileert de schaal van eigenwaarde, in haar wolken speelt het kind wordt het bemint raakt het in gevederd licht, lichtend in het duister. Tijd verschuift met dons, bepaalt het gewicht van ruïnes, steelt vuur uit hemel en harten, waarin blikken zijn versluiert, golven vonken breken door vanuit de ruimte, als wolven land en zee bespringen, een laatste meeuw vangt zilte wind in een oneindige geeuw.
Splijtzwam ?
Oude wilgen, met
gespleten stammen,
gesnoerd tot buigzaam
griend, verwijten taaie
takken de schemerzon,
die het heimelijk licht,
openlijk laten vloeien,
waar harten branden zullen,
groeien vermolmde zielen
de hemel in, verspreiden
sporen van narcistische
zwammen zich in de grond, die
te splijten en zich te behoeden
met het overschot, de aandrang
de aanhang in getal te voeden.
Schuilhut,
Als een zwerfkei, zich
in paars hei te ruste legt,
kijkt niet om, hij is vrij.
Zoals water stroomt
in ontmoeting met een rots,
soepelheid verlegt z’n trots.
Roepend naar het graf
waar het brave bloed klopt
tegen zij – en onderkant..
Waar de nacht zich roert,
in stilte van de waterkan,
laat de dromen onberoerd.
Franjes maanlichten,
als wormen boren zich door stilten van kastanjes
Verlaten is het hier,
geen gelaten kinderziel
in de schuilhut van het bos.
Verstrikt
Bedek de ogen met zijde,
de oneindigheid staat er
vol van, daarin verdrinken
beelden in stromen tranen,
die ons besprongen , verlaat
de kuise wil, waaraan je bent
ontkomen in een achteloos
gebaar, de choreografie van
een gefascineerde beweging,
beloften gevoerd met zachte
woorden, een dans die leeft
in mijn verstrikte handen.
Andere tekens Een trompet met vol geluid
vibreert het leven, lage tonen als som geteld, in verleden tijd
vergeven werd in medeklinkers van het alfabet, schrijdt vrijuit
door vreemde werelden, dragers van het lopend vuur,
verkondigen wat bewaard is in zandloper van de natuur, dáár
worden nieuwe klinkers gevormd, van onbestaande woorden, waarover
we nu alleen nog moeten zwijgen.
Hoogmoed ?
De onmacht van koraal doet het leven verbleken, verstomt elk verhaal in het fletse blozen van de aarde, getuigenis zonder kleur, een waarde die het rif doet zwijgen. Waar de zee zich in liet bewonen, stolt het bloed van anemonen in een hoogmoed van de tijden en laat overtollig moraal zich verleiden tot een niet te stuiten
vloed om dijken te doorbreken.
De moeite waard,
Steeds sneller en pijnlijker
dan ooit, onderwerp ik mij aan tijdloze vragen, om
zinloze antwoorden te dragen. Wat is de aard op het grote
te blijven jagen, waarin het lijden is verjaard, blijft de
vorm van schijn onvoltooid. Zoeken is de moeite waard
om angsten te verdringen verborgen achter dingen
al zijn ze klein, dromen van wat nog zal komen, om
over grenzen heen te zien.
Mijn Schaduw,
Ook mijn misleide schaduw
- al werd hij door mij gestenigd -, gaf ik een nieuwe kans, in
twee gelijke sterren verenigd tot decagram waar hij naar nijgt
tot eenzijdigheid waarover hij zich buigt maar minzaam zwijgt,
onderwerp hem aan de mij voorbestemde tijd, stap uit
de meervoudige spiegel van mezelf en mijn schaduwzijde.
‘ Op een steen gewet ’
Schilder creëert de
vrucht, tot de honger hem dwingt
te eten van zijn stilleven.
*
De nacht is gesluierd
in het fluister ligt de smart
van ieder dichters hart.
*
Boom beklopt z’n bast,
in z’n talent gerustgesteld
draagt hij z'n 'takkelast'.
*
In de kleur van een
gevleugeld paard, vlecht ik
verlangen in een ponystaart.
*
Geluk op een steen gewet,
met messen achter prikkeldraad
tot lappenpoppen versneden.
Levend stof,
Ach die liefde, opwindend
zo dichtbij en onbereikbaar,
als de sterren staan, vaak niet
met het blote oog te zien, maar
als levend stof van licht voorzien,
die ik dagelijks ademhaal, verkleef
met de schemer van de wintertijd,
in z’n kille armen wordt de zon langzaam armer, als we zijn uitgevrijd.
Smaak van pijn
Wat vrij leven is voor mensen,
wat lucht en ruimte voor de vogels is
bestaat zich daarin vrij te wensen en
wat de oceaan is voor iedere vis, vergaat
in gesproken woorden, resoneert in
stemmen die voorgoed gebroken zijn
na al dat bloed dat is vergoten, smaakt
de verworvenheid naar pijn, blijft de deksel
op de beerput, of komt hij er vanaf, zonder
te roemen is dat dan de grootste schijn
of straf, of lopen we voor beide weg en
worden we dan bestempeld vol moed of laf?
Te laat?
Vijvers groeien
dicht van angst,
een zee met
kroos werd oceaan, koos het diepste
van mijn gedachten, zekerheid verder van
mij vandaan, wachten vult de mand met vlijt
achter wisselende maskers van de tijd,
glimlacht voordat ze verder schrijdt, daarin
schuilt een wijze raad,
mijdt de morgen, anders
ben ik de draad weer kwijt.
Nieuwe Goden?
Loop over enkeldiepe mossen
langs door wortels gebonden
en onder door klimop bestegen
bossen, waar de zon elke morgen
zichzelf en de kim bestijgt om
’s avonds in een onverlaat uur
het heilig vuur vermorst, geregen
in het duister en het licht tot
heilzame korst van natte zoden, een
nachtelijk deksel van een nog te
ontdekken loden kist, gevuld met
oude engelen die niet door de zegen
zijn gekust, zijn er tekens nieuwe goden waar de hemel op rust.
Herfstorgel
Ik hoorde verborgen
stemmen in de toppen,
orgelpijpen in een storm,
bewogen door het ritmisch
gorgelen van het riet,
gedirigeerd door wind en
wat men alleen maar horen
kan maar nimmer ziet, laat
zich niet foppen door het
steunen van onvermoeibare
instrumenten in het ven
en griend, wat voor alle
buitenlieden als concert -
zaal dient, op het podium
bij woelig water recipieert
het donker, op tonen dieper
dan de diepste bas, vandaag
zijn de losgelaten octaven
niet te stemmen, blijven
we de beste vrienden,
geformeerd tot erehaag.
Emmer zonder bodem?
Als ik nog zoute tranen overheb,
tegen alle ziltheid van de tijd,
die uitmondt in een belegen zee,
schep ik ongenoegen in een emmer,
waaruit de bodem is geslagen en de
dromen ongestraft blijven komen,
in het zog van zelfgenoegzaamheid,
tegen ingedekte stromen in, dein
ik blind in de wals der sterren mee,
verkoos mijzelf te overschatten in
bescherming van het nog te komen kind,
zal ik mij mateloos bezatten, net
zolang totdat ik ergens tranen vind.
Onderscheid
In mijzelf het allerkostbare
en blijvends niet te verliezen,
om jeugd en tijd terug te
winnen en me uit de eindigheid
te tillen, menig energie gemorst,
wat de natuur geen moeite kost,
opnieuw te kiezen, de enige maat
te bepalen, niet verder af te dwalen tot
de fictieve grens van wat ik achterlaat,
een weg gekroond met onderscheid, blijft
ik een dief van overtollige overdaad.