Home

Over mijzelf

Favorite Links

Prikbord aankondigen

Contact

Nieuwe gedichten

Gedichten Index A-Z

Eerdere gedichten per Categorie

ART and IMAGES

Gastenboek
Pamapoems, Art and Images
Beschouwende gedichten en metafysische gedachten
Nieuwe gedichten

 








Zonder franje.

 

Wazige beelden dwarrelen als dromenstof

door de fluisterstille kamers , waar alleen

de ruisende kledij van de gastvrouw

ritselt als een overspelige beek, gespreid

over de woelige lakens van het ontwaken

stromen  trage voetsporen door het duister

  om dichter bij haar ademtocht te raken.

 

Het domein door duizend geuren verleid,

dringt door zwarte oogleden een verholen blik

en  krijg ik het benauwd,  lijkt het of ik stik,

tot in alle droge holten van mijn mond met

geduld te wachten op de gestolen zonnestond,

waarin het gedroomde stof schijnt op te lossen.

 

In het licht van onze anonimiteit, die uit te dragen

 in een spiegelbeeld die ik heel even zag, in het hete

vuur gesmeed door illusies of in realiteit van alledag

zijn ze in spontaniteit versmolten tot een geheel,

ontdaan van alle tijd en franje, krijgt ieder z’n deel,

om vragen te beantwoorden die nog niet zijn gesteld.













Wieken van stilte.


Talloos het geluid
waar mens en macht degens kruist, 
ruist de kleinste beek..

Veulens van emoties,
beslaan hun hoefslag in elk uur,
vuursteen van de tijd. 

Mensen uit mythen,
verstillen dictaturen, 
oneindige odyssee.

Molens malen meel
rivieren bloed uit aarde
in ondiepe beddingen.

Fossiel gelaagd steen 
zover zijn stem kan dragen.
over eindigheid heen.

Hoop plaatst de dagen 
op de tijdswieken van stilte,
ook voor onbevoegden.


Uit het bundeltje:
" Ook toegang voor onbevoegden "



 








Enkels van integerheid

 

Vriend,  gezel die meer of minder

dan een mens voor anderen toegewijd,

voor mij een minnares, tevens vermetel

kind, speels van aard, onafhankelijk en

wijzer en jonger maar van dezelfde tijd.

 

De diepste schoonheid die ze met mij deelt

trooster om getroost te worden, verlegger

van grenzen in eigenzinnigheid een verstilde

temperament zonder rivaliteit, met de fijnste

pigmenten die zij uit de hemel steelt.

 

Ondragelijk, maar goed te dragen op de

vleugels van lichtvoetigheid, een koers

gedragen  door het hart en beeld zonder

naar de laatste dans te vragen, bonzen

ringen om de enkels van integerheid.

 

Gunt  zichzelf en mij een ruime adem en

als deze niet meer bekwaam wordt en moet

verliezen, de plaats en tijdstip van de dood,

-  dat voorrecht -  te kiezen in waardigheid .


Ook geplaatst:    www.yoga-reiki.webklik.nl

 











Morgen misschien ?

  

Inktdruppels vloeien uit op papier

tierend,  vloekend en verketteren

maar laten ook met veel bravoure,

pennen juichen en triomferen,

of dat uur morgen komen zal?

 

Ze kunnen ook  een stil verdriet

genezen, het verlies met woorden

wat je niet wilt accepteren, wat je zo nu

en dan telkens weer moet herlezen,

of dat uur morgen komen zal?

 

Verlies van zin voelt als straf,

het licht van rechtvaardigheid,

lange aanloop tot een hoger plan,

waarin nog geen contouren zijn gevat,

of dat uur morgen komen zal?

 

De zon lijkt dichterbij te schrijden, soms

weer verder af,  na zelfbedrog in een grootse

act worstel ik het denken vrij, geef mijn

ziel bloot in de spiegel van oneindigheid,

of dat uur morgen komen zal ?

 

In het zicht der jaren is er nog een weg

te gaan, tot voorbij de dood en de tijd

weer lichte vleugels krijgt, om de angst

van de hoop te scheiden maar of dat uur

morgen ook werkelijk komen zal?   

 

 

Twijfel is een van kenmerken van  

intelligentie ofschoon dat anders voelt.

 

( Francis Bacon )









“ Het doet er weer toe,”

 

Het doet er alles toe, de echo’s

van wat is geweest zich nestelen

op de juiste plaats als kwetterende

muzen in het schemerlicht op lichte

vleugels aan de horizon verschijnen.

 

In een decor van een beeldend gezicht

als een  magistrale aftiteling,  de omlijsting

van een ultiem gedicht - altijd onvoltooid –

een  plotselinge verschijning vanachter

haar mascara van een vluchtige oogopslag.

 

Dat maakt het verschil, als je aandachtig luistert

en hoort hoe de donderwolken breken op het

aanbeeld van de zon en haar gouden haren in

belofte tot je spreken en  de oorsprong dwingt je de

mooiste details niet te vergeten en opnieuw te baren.

 

Het raakt de harten van een innerlijke wetenschap

zonder dat je nooit alles zal kunnen meten,  

beheersing van de twijfel in een vrije geest, de

intuïtie dat er alles toe doet, wat niet lijkt te zijn,

altijd is geweest, dat maakt de verlossende stap.











Kerend zonlicht,

 

Zo maar gelaten, als in een

een ongemeubileerde kamer,

met de gordijnen dicht,

even leeg als vol met

kerend zonlicht in een

evenbeeld van ongeboren

motieven die in het stof

verbleken als bloemen op het

behang waarop de tijd de

bloeiwaarden liet stelen

en zich losrukt als vrucht

bevroren in een metafoor.

 

Stilleven van onaangepaste

patronen die met een kale kwast

- het verleden naar de toekomst en

naar zichzelf modelleert - en

daarmee naar binnen is gekeerd,

maar aan de ketting van de

waarheid als last verdraagt.

 

Dit gemakshalve maar vermeden

in een tijdsbeeld van gespeelde

schijn, als harlekijn laverend

tussen de obstakels van z’n dicht

en op z’n tamboerijn een verbond

aangaat met de onschuld van papier. 







schrijver






Vandaag,

Vandaag is meer dan een ding
elke dag is meer dan zomaar 
een dag, de handeling in de 
kern voor hem die haar 
schoonheid ziet, een beweging 
van wie bemint, van mij en maar 
ook van jouw,de trouw aan onze 
dromen, een universele gedachte,
geloof me, iets anders bestaat niet.

“Today is the first day of the rest of my live”

Door omstandigheden zal ik voorlopig 
even niet publiceren op deze site.
Ik wens allen een plezierige tijd en
mogen de “de Muzen” jullie daarin 
barmhartig zijn.











schrijver



Geleende tijd,

Avond zwart, sterren helder.
Plotsklaps vormt zich de muur,
gegil van staal op staal, brekend
glas dat naar binnen is gedrukt,
in een flits staat de wereld stil,
mijn blik opzij, zij ( god zij dank )
heeft niets, ze roept je bloedt, ik 
voel het lopen van het hoofd 
en wangen over mijn gezicht.

Een wit gelaat meldt dat 
de hulpdiensten zijn gebeld,
de rest gaat in een trage droom,
gezaagd uit het karkas wat eerst 
een auto was, ambulance
met de rustige stem, we zijn 
gevangen in een film van 
ongeloof, verbaasd dat de dood 
ons nu nog niet wilde hebben .

We lopen door het korenveld
naar de evenaar, beide handen
aan de zijden strelen de halmen
en de linten van het geurend 
haar, bewustzijn en besef dat de 
zon met zwarte stralen ons laat 
dwalen tussen schaduw van het 
donker en het licht, gewogen in 
de aan ons geleende tijd waarin 
de jaren nog niet zijn geteld .




schrijver




Willoos water,

Uit de cocon en vaak
verpoppen vlinders zich
in verwijzing naar het doel
als intrede van de winterslaap.

Ik waak in een berg
van witte watten, waar 
de zon door straalt en de
frisse wind binnenhaalt.

Als een klimmer, die zwemt naar 
de top, in de zoete weelde
bovenkomt, ik ontwaak, verstomd
die de diepe nacht met mij deelde.

Uit een pastellen melodie
is iets wezenlijks verschoven
het lijf is verwaaid als geheim,
ik dein open als een symfonie

Uit geborgenheid, tevreden
ik laat me vloeien, willoos water
langs de beschoeiing van de tijd,
vraag me niet meer waarheen.








schrijver





De ware blues,

De tijd kon niet lang genoeg 
duren, toen we zwegen en 
je uit de mantel van de 
zomer stapte. In de vroege
uren van de late oogst 
omhulde je me met nerfdunne
zinnen, weinig afscheid om je
naargelang te minnen. Je 
rilde door mijn vraag te blijven,
het laatste wat ik las was 
mijn illusie in een frons. 

Waar elke boom z’n wortels
nestelt in de rijpe grond, dringt 
het mos zich op, gestaag sluipt 
de herfst op lome voeten rond, 
de wingerd dwingt het rossig blad
te vallen waar ik dacht te rusten 
onder de humus van beloften en in 
het eikenbrons van je woordenschat,
gevat in een tot ziens, een laatste groet. 

Maar in de boezem van de winter
sluimert stil een naam die ik in de lente 
laat ontwaken, waar ik in een overvloed 
aan bloesem, de ware blues voor je bezing.







schrijver




Telraam

Het kind in de keuken, eet 
niet uit mijn hand, zelfs het 
mooiste speelgoed heeft 
het moeiteloos laten staan.

Ze telt de fantasieën
met de houten kralen, 
op de eerste regel is het 
leven slechts begonnen, 
de volgende regels hebben 
nog geen naam, de optelsom
van jaren zal zeker komen.

Ik ben het telraam wat ik het 
bied, waaruit de vrije vormen 
zijn verdwenen, het telt de 
normen waaraan het zich wil
te hechten, herschrijft z’n 
vondsten in een daverend lied, 
die uitkomst heeft zijn eigen 
kleuren, iets anders wil het niet. 

Het is mij nog niet ontkomen, 
misschien zal dat gebeuren, het 
blijft vluchten voor verdriet, 
zonder om te kijken dromen aan
de beide zijden van de toekomst, 
zichzelf in spiegels bespiedt.







schrijver




“Couveuse? “

Aanschouw een nieuw idee, misschien 
wel te vroeg geboren onder kunstmatig 
licht, nog niet vrij te ademen ligt het 
in de couveuse van gedichten. 

En ik moet buiten blijven staan, de keuze
alleen maar kijken naar dat kleine wicht
achter plastic ruiten, het lijkt er nu al 
op dat het zelfstandig verder wil gaan. 

Ik word met zachte hand weggeleid;
‘ komt U morgen maar kijken op de zelfde tijd
het is kerngezond, heeft alle zintuigen open, 
het heeft uw trekken om de schaterende mond.’

Het zwaait me uit voordat ik weg kan lopen,
in deze broeikas is ze nog wel even, dus rest 
me nog wat tijd het een naam te geven.







schrijver




Osmose ?

Ik heb je bij de levensbron
gezien, duizendschoon in het 
gras, oceanen vol klaprozen
en ontluikend groen, fragiel 
misschien, maar transparant 
als glas,daarin verdronken 
zoveel dat kon in haar satijnen 
spiegelplas, nog zonder kleur, 
verdroogd, verzonken in 
woestijnen en in het kristal 
van licht verloren.

Totdat je die weg verlaten moest, 
dauw gedempt op aangeboren spiegels 
van de ziel, het was een nieuw gezicht 
te zien, een schoonheid die geen twijfel 
overliet van kwetsbaarheid, de 
beeltenis van een aarzelende osmose, 
wat stromen ging in een gedicht, een 
vrij gebied onttrokken aan de strijd, 
ongeremd waarmee je uiteindelijk 
schaduwen met je vlinders overgiet.


"Amore vitrea est: tum cum splendet frangitur." 

Liefde is kristal, uit een diepere invalshoek 
krijgt het een diepere betekenis, maar kwetsbaar.

Virgilius














Sharia?

Mijn vrienden van de hoek, gezichten 
in een gloed en waas van kaarslicht,
in bedachte stemmen vervliegt de
wierook, weeft het gesprek tot weinig 
wat mij raken kan om voor niemand 
bang te zijn, op die ene gedachte na 
die ik niet kan remmen en door de 
ongetemde lente, de wilde bloesem 
kiest van hoopvolle gedachten..

Daarbuiten in een dal van straten 
tussen zwarte gevels en spitse daken,
steken minaret en kerk de vingers 
gezamenlijk op, om als hun God het wil, 
als enige, ( maar mijn God toch ook? ) 
in de hemel te geraken. Ze schrijven de 
toekomst in een stil gebed, maar blijven 
uit het licht van een ongeboren horizon..

Het koperen haantje op het kruis beleeft 
zijn zonde in de weerschijn van de gouden 
halve maan, het lijkt of zij beiden hun zinnen 
claimen om de aardse pijn te keren in de
waarheid van het handelen naar een zinnelijk 
leven in het dogma van mijn eigen sharia ?







schrijver


Ligtuin ?

Het lijkt een laatste zomerdag,
waarin ik het weinig zoek, het
niets uit een botanisch boek,
waaruit ik met beide handen 
had willen plukken, lanterfantend
geurend door het Heem, in mijn 
ligtuin waar ik in mijzelf
kan liggen elke houding die ik 
was, zoals je sprankelend water 
schenkt in een horizontaal glas. 

Ik heb niet veel om vol te zijn, het 
noodzakelijke lijkt gelukkig weinig.
Er is zoveel te weinig, de tolerantie
van het niets waarin ik, als ik niets 
zou zijn moeiteloos zou passen.

Mijn lucht is blauw, vergevings- 
gezindheid, het blauwsel waarmee 
de wolken zijn doortrokken om nog 
witter te zijn, waarmee ik het 
weinig van mijn ligtuin mee omhul.










De fontein ben jij



Een fontein ben jij,

vrijheid tintelt op mijn huid,

dorstig naar haar wijn.

 

Na de openheid,

ongenaakbaar in de regen,

jij naakt, ik verlegen.

 

De hel breekt los

of gaat de hemel open ?

Wat maakt ons dat uit.

 

Mis gegrepen,

strohalmen naar de toekomst,

weegschaal naar geluk ?

 

Uiterste balans,

wat je kiest is om het even,

eind brengt evenwicht.

 

Onvoldoende water,

om rivieren  te blussen,

machteloosheid in mij.

 

Gedachten zijn klei,

uit het niets geschapen,

het model blijft vrij.










Hinderlaag?

´Je projecteert je angst, wat 
gebeuren moet gebeurt,‘denk je 
hiervoor vluchten, dat vermijdt?’ 
je wilt niet geloven wat ik je 
zeg te snappen, ben je daarmee 
de dreiging kwijt?´

´Een muur rondom, is dat een
reden om ommuurd te blijven?, 
ik heb de specie van je pijn tot 
de laatste genen geïnspecteerd , 
het blijft een muur met stenen 
en verder niets meer.´

´Je hebt de voegen bijgewerkt, 
laag voor laag geredigeerd naar 
eigen werk, je hebt geleerd het 
masker van het ongeloof te laten 
zakken om deze hinderlaag te 
ontmaskeren en de angsten
op heterdaad te betrappen.

"De angst en de dood zijn 
tweelingbroers, de eerste kun 
je vermijden, de andere niet. "

Homerus.

 







schrijver





Toonzetting

Je bewoont waarin je het 
beschrijft, een bos kan niet 
donkerder of lichter zijn, je 
stelt je in op dingen, die je 
drijft met wisselend diafragma 
vast, de scherpte bepaald
de essentie van je domein,
de kern verbleekt in een
tegengesteld contrast.

Elk detail wordt in kritiek 
of waarde getoetst, wisselend 
gesprek of ontwerp die ‘dichters 
last ' in schijn verdiept, verwerpt 
de buitengrens in de diaspora 
van de sluimerende waarheid, 
de verbijsterende ontdekking 
van de werkelijkheid,verscherpt 
de toonzetting van de dag.

Cauté, (Wees waakzaam) 

B. de Spinoza






schrijver



" Het "

Hét is het gulzig water 
dat me dorstig maakt,
schuimende beken
waarin ik weerloos 
ten onder ga, hét
fluistert tonen die 
de wind laat spreken 
en waaraan ik nooit 
mocht denken.

Hét is het brood die 
de honger steelt, een 
wuivend bos wat mijn 
aandacht streelt, een 
tomeloze slaap in hét 
wakend dromen tussen 
zwart licht en hét 
verlichte kwaad wat hét
in nachten met me deelt.

Hét is een schrander 
dier dat mijn bloed 
besluipt, hét is de
kus van een vruchtbaar 
lichaam wat willig 
openstaat, hét kruipt 
door hét oog van 
tederheid, hét stuit 
me op mijn vlucht, 
hét noemt zijn naam 
in de dageraad en 
laat ‘hét syndroom’ 
me tijdloos zijn.

 








schrijver




"Benedenloop",

Buiten meandert de rivier ver 
gebleven van de stad, laat z’n 
stem tot mij klinken, neemt 
geruisloos het slib van de 
gedachten mee als libellen 
geruisloos op een berkenblad 
in de waan en ongestilde hoop
naar de benedenloop zonder 
ervan te drinken.

De wereld die ik bij name noem,
slapend in onbekende wildernissen,
de ziel niet groter dan een waterbloem
spiegeling in de kleur van gele lissen.

De grond, naamloos wat naar uitzicht 
streeft,wat aan een verbeelding 
kleeft,zich verwant voelt aan de 
ruimte van het woelig water en een
altijd vragende wind, wat alles 
overweldigd maar in andere zetting leeft.


Het kan het hart en kind niet dwingen,
te hunkeren naar een tijd die warm en 
zwanger was van geuren van seringen 
maar door onzekerheid verging tot as.









schrijver

Schemeruur,

Veulens bij een hek terwijl de 
schemer valt, koppen dichter 
bij elkaar, de ogen diep zwart 
getint, waarin blikken strelend 
om warmte smeken, te beminnen 
met de hals met volle manen 
over een brede borst die op de 
wereld rust en , het ranke lichaam 
torst als goddelijk stilleven, waarmee 
het web van schoonheid is geweven, 
een laatste zonnestraal zich meester 
maakt van een geluk vol tranen.

De avond keert terug naar oude 
waarden, de kikkers blaten in 
hun glorieuze vuur, geen tijd 
voor vroege nachtegalen, waarin 
de hazen ruimer ademhalen, het
schemeruur verzamelt de uilen 
en geluiden op de zachte treden 
van de nacht, de wind verlegt 
z’n schreden in de vertrouwde 
zomen van z’n rijke vacht.








schrijver



Nog niet geschoren…,

De aarde was nog niet geploegd, 
er was nog niet gezaaid, toen er
nog dauw lag op de schaduw van
de heuvels, ging in lichaamstaal 
onwetend op, de morgen was de 
lente van vorige seizoenen, haar
zomer strijdbaar als hooi op volle 
wagens, mijn vinger strijkt langs 
de sporen van het voorhoofd,het 
zweet van al het koren dat in
de wondere wereld is geboren, 
is het feest van de schoonheid.

Het gras van verwachting voelt 
vochtig aan beide lichamen, de 
monden zijn twee helften van de 
zoete appel waarin we elkaar 
ontmoeten, wortels uit een boom, 
vertakkingen geschetst in witte 
wolken van de toekomst, de 
maan is een geschoren schaap, zon 
en zomer twee autonome herders,
jij en ik, de een scheert de dromen 
van de tijd, de ander wikkelt ze
in wollen dekens van de liefde, nog
nooit is de nacht zo warm geweest.








schrijver


Zonder tussenkomst (2)

Zee spoelt mensen aan
bruine mannen uit het zuiden,
meisjes van het oosten.

Branding vergelijkt
woorden uit de moedertalen,
accent uit kleur te halen.

Tussen eb en vloed,
geen onderscheid inwendig , 
de huiskleur is bepaald.

Instinctief gevecht
de groene overkant te halen,
ontheemding als geschenk.

Cultuur luider slaat,
z'n zinnen te herhalen,
smeltkroes van de macht.

Waar hoop nog huilen mag,
schoonheid naar ontvreemding,
brak de lente uit.

Ongeschreven taal,
zonder de bewoordingen
klinkt stilte magistraal.








schrijver





Zonder tussenkomst,  ( 1 )

Vleugels gevangen tijd
herschrijven geschiedenis,
op dichterspallet.

Penselen met verf,
erkenning van z’n streken 
laat de schilder koud.

Gerijpte vruchten,
strelen kindertongen op de
elfenbank en druivenrank

Rimpelende meren,
spiegels van luchtkastelen, 
zonder bewoording.

Zonder tussenkomst,
in het harmonisch duister
branden lichtjes vel.

Aarde wacht heel stil
omsluit mijn moede lichaam
in zachte plooien.

Nooit die daad gedaan,
nooit ontvreemd mans eigendom, toch
kleeft bloed aan mijn handen.







schrijver


Levend water,

Steeds weer als je mij
met ziel en ogen raakt,
ik onder de deken uit de
nachtelijke nevel ontwaak, 
word ik licht en doorzichtig 
als druppels dauw uit 
de mediterranen in de 
palmen van je handen.

Voorzichtig als het levende 
water stroomt waarmee je 
mij hebt gemodelleerd, 
nu aarzelen je lippen nog, 
waarmee je eens van mij
zult nippen, mij te zien en
begrijpen als je dat gedurfd 
had, anders mag ik alleen 
maar hopen dat de heldere
stille bron blijft lopen.








schrijver



Boodschap uit glas?

Zuivere lucht wil hij vreten
zich te nestelen in de 
zonnecellen - zonder de ogen 
te kwellen - die branden op 
het etiket van het netvlies,
helder bloed te stuwen 
uit de illusie van het lot, de 
wijzers van het leven gelijk 
te zetten in elk kwartier, in
ontdekking van de polsslag, 
verwekking van de tranen in 
een sluimerend verlies,
intuïtiviteit gemeten als vrije 
kinderen aan een dorstige rivier.

Op het hoogtepunt van 
het dorstgelag, verstijft 
hij bij menselijk geblaf, 
peilt het opvangcentrum 
onder de hemelse straf van 
de stadse laatste vrijplaats 
waar hij het licht laat doven ,
zich geruisloos strekken kan, 
uurtjes zonder pijn, diepweg 
gedoken onder z’n waarheid , 
de gemorste dag mag loven,
zonder te hebben geweten.






schrijver

"Zaaier of maaier"?

Schaduw strooi onnavolgzame 
twijfels over het zwervende
gedachtegoed, broze jaren 
verschijnen in beloftevolle 
schetsen op de smetteloze
muren van gedroomde kastelen 
hangend in luchtledige steigers.

Mijn zaaier was zorgeloos 
vertrokken, met ongebonden 
handen, haren wuivend aan 
weerszijden van de akkers, 
strelend de goudgele aren, 
verwaait het stuifmeel van 
kleine rusteloze zielen 
tot waar de wereld reikt,
en lijken te kiemen.

Ik vertrouw de boodschap en de
richting niet, alleen de liefde 
blijft toegankelijk en echt, al
zijn haar velden veel gemaaid, 
de dood zaait sterren die doven
aan al wat aan de hemel hecht,die 
van mij blijkt te zijn gelogen.





schrijver



In nevelen ?

Wie bij daglicht de 
gordijnen van de
wereld sluit en de 
kaars zal doven, 
verhult de toekomst 
zich in nevelen, een 
vermetel gebaar om de
tijd te willen ophouden.

Verwijzing naar vroeger 
eeuwen, zo de mythe wil
geloven om in elkaars
armen en gedachten te 
verstenen als lot, dat het
geluk niet zal benijden.

De dagen te beitelen in
contouren van de morgen
vloeit samen tot een droom,
tussen licht en duisternis 
verborgen, te kiezen en te 
wenen, het hoofd af te wenden 
naar alles wat ik heb lief 
gehad en mogelijk zelfs 
meer om me te bevrijden.







schrijver


Zuring

Een versleten tijd ligt achter ons,
in angst baren we het leven,
tussen geboorte en de eindigheid, we 
zijn schepen van de hemel en op de zee,
we zijn het ontgonnen land, borelingen
uit de eierstokken van de zon en maan, 
schepen worden kleiner, zeilen bollen 
minder , wolken minder wit, hét 
ontbrekende in volheid moet nog komen, 
als in boezem van de toekomst en z’n 
longen de zuivere lucht blijft stromen.

Verwachting stort gaten in het gewelf,
verschiet het licht uit de bronnen van de
wijsheden, omarmt het in eb en vloed, 
schede en de roede tegelijk, we zijn de 
barenden en de wedergeboorte in een hand, 
als de tong op zilte lippen een bijsmaak
proeft van zelfbevruchting met onderscheid , 
verleidt door werelds vuur, ervaart als 
in de adem van het “zelf”, overwintert in 
de stilte van de tegenstand, als het blad
van de zuring in mijn mond verdort.






schrijver



Onrust

Tergend langzaam wordt de horizon 
begaanbaar, verbleekt de zwaluw 
van de tijd, zwemmen deeltjes van 
de regenbogen in een kortstondige 
toevalligheid, zo die bestaat en smeekt 
boven de graven van de herbezinning.

Kwinkslagen schieten flarden 
in sluw geschapen luchtkastelen, 
woorden ontlokken herinneringen 
zomaar uit het niets, het blozen 
van de aarde verbreekt in het
stille zwijgen van de maan, kan mijn 
schaduw zo onrustbarend zijn?









schrijver




Remedie?

Zinnen, geef mij je woorden
terug, huid van perkament
een lege slaapzak op de rug, 
om inzichtelijk te worden 
blindheid op het papier, het 
wordt me aangepraat misschien, 
geblinddoekt naar een einde 
streven naar gelijke strofen,
waarvan ik de inhoud nog niet zie .

Ik me op de private tekst verlaat, 
het ene dicht de ander toe in de 
maat- en meetlint van de poëzie,
fluitend riet waar de wind van 
de me toegemeten tijd in blaast, 
steeds hoger en altijd gehaast, 
reikt naar de toonhoogte van 
mijn verdriet, een odyssee naar
een remedie tegen dyslexie.









schrijver



Wieren en blauwe algen,

De noorden wind orakelt in 
voordurende en duistere vlagen, 
het getij is haar zekerheden 
kwijt, vergeten de bekende weg 
naar het strand te vragen. Er was 
een tijd dat ik de zee verstond, 
dat de golven wisten waar ze voor 
stonden, ze redetwisten konden rij 
naar rij, die oude tijd is voorbij, 
het stuifwater roept nieuwe vragen 
op uit het diepe van de gedachten.

Gevangen uit de wieren en de 
blauwe algen, bollen tranen op 
het zand van beide wangen, ze 
verbleken als de zon verrijst 
uit een lege schoot. Verlangens
versmelten in de nachten tot 
echolood en waar enig houvast 
nog te vinden is wordt minder 
toegankelijk voor mij, wat achter
bleef wat ik op de vloedlijn vond.








schrijver

 

Dromenmaker

De hoogste piek van berusting
zal ik niet bestijgen, ik blijf
steken op de klippen van 
herinneringen, daar doemen de 
schimmen op van het verleden,
peinzend tuur ik naar boven,
om te ontwaken - op de door 
de tijd - versleten treden en 
op een onbewuste regendag.

Ik verlaat me op de dromenmaker 
die ik op de helling zag, galoppeer 
langs alle versteende harten, om 
uiteindelijk in de harde kern en langs 
de doolhoven van de mijmeringen 
te verdwalen. Ik scheer langs de diepe 
dalen van goede bedoelingen, die aan 
de voortvarende moed voorafgingen, 
het euvel vermomd door het lange 
zwijgen achter de vele maskers van de
dromen in een kleiner wordende paradijs.

Het mooiste voor een mens is,
“ te dromen met de ogen open”.

Shakespeare









schrijver


Handgeschreven?

Als gedichten niet speelt met 
akkoorden , als het niet tot 
woordspel valt, waardoor de 
spier in de harttaal samenbalt,

Als de dichter niet de toon verspreidt
als hij slaapt met vrouw, praat met 
vrienden en eet met z’n kinderen
en zo de eenzaamheid vermijdt.

Als de dichter niet de aarde erkent
als duizendkoppige moeder, die al haar
kinderen overleeft,de wereld aanvaardt 
die haar onevenwichtigheid geneest .

Als een gedicht niet schept de schramschap
te bedwingen van eigen onvermogen,
zolang de dichter schrijft, de lezer 
leest en met hem de martelingen deelt.

Als wat -met hand en hart- geschreven werd 
de ware kern niet raakt om het verleden 
te hechten, weer laat verschijnen in een 
beeld van stilte of steelt een ander geluid 
uit alles wat toekomst heeft en dicht.


“ Pessimisten leven in het verleden, het zijn 
de optimisten die de toekomst delen ”.

Voltaire











schrijver


Vuurvliegen

Worden de zintuigen dood geboren,
licht verzonken in lege ogen, ontstaat 
geen beeld om het leven aan te leren,
zijn de sterren uit de nacht genomen.

Geen benen om te dragen, het lichaam schiet geen 
wortel uit de knieën om de wereld op te beuren,
er volgen geen zachte stapjes om de doodsweg 
van de manen - in hun stilstand - te betreuren.

Een vuurvliegje dat haar stem niet kan laten horen,
de schelpen en de gangen van de oren blijven 
verschoond van stilte en geluid, de vleugeltjes 
dicht gevouwen, mondje zichtbaar zonder klank.

Geen handjes tastend uit te steken, geen glimlach 
doet de harten troosten en waar de lichte adem 
breekt, te rouwen in een ademloosheid en terugkeert 
in de geborgenheid van een eindeloze regenboog.










schrijver


Afdronk

Plotsklaps gebeurt het,
in een hand gebaar zijn
woorden geboren, je 
verwacht ze niet, ze 
komen daar waar je ze
heb verloren en waar de 
maan gerijpt uit vloeit, 
sprongsgewijs vallen ze
in het beproefde glas.

Zoals ik het drink , zoals 
ik adem, later proef ik de
nasmaak wat ik geschreven 
moet hebben. In een
vlaag van bewustzijn
valt de keuze in een vat
vol tekens die de stilte
verbreiden, keren in 
een woordspeling tot
zichzelf terug in de 
afdronk van de taal.

“ In elke taal ligt de beproeving 
van haar betekenis ”






schrijver



Stiltegebied?

Zullen we alles vergeten,
wat tussen werd verzwegen
in sprakeloze zinnen, zelfs
als we elkaar beminden.

Het licht van je ogen glijdt
langs de stiltegebieden van
schouders en de boezem
waarin we zijn verdwenen.

Laten we toch zwijgen, blij met het 
eiland van de spraakgebreken, maakt
onze ruimte ruim en leerde ons te 
spreken, te proeven en te ruiken.

En ieder fluisterend woord te kweken,
In elkaar te sluiten tot een betekenis
dat elke taaloefening zich baart in 
stilte naar een nog hogere omhelzing.

"De stilte in de liefde is een 
vriend die je nooit verraad "

Confucius






schrijver


Tegen welke prijs?

Wie zoekt niet, met groots 
allure, de mystiek van z’n 
avonturen, uit ervaring van 
verdriet en schijn?

Noortje zoekt het kleine, 
verdiept zich in de echtheid
van de mensen, richt zich op 
hun onontdekte schreden, 
intuïtieve treden naar niet
bestaanbare mogelijkheden.

Ze betovert de aardse waarheid 
met haar hemelse penselen 
tot flonkerende stenen in haar 
innerlijke kroonjuwelen,die 
in schoonheid zijn veroverd. 

Ze kleurt de weg van het hart 
naar de ziel,langs het tijdswiel
van de wieg naar gene zijde en 
creëert voor ons het paradijs, 
een ongeschreven handleiding van 
een levensreis, wie gaat er met 
haar mee en tegen welke prijs?






schrijver




Sluimerend ?

Het diepe ademen in 
zo vele nachten, wat 
naakt en ontspannen
in haar droom de mijne 
onderzoekt, genezend
in een zucht en liefkoost
het avontuur van ziel, 
en zaligheid, af te lezen
van haar rug tot aan het 
voeteneinde en terug.

Ik voel me bevoorrecht, 
angstwekkend kwetsbaar, 
en wonderbaarlijk sterk 
tegelijk , maar niet de 
zwaartekracht maar een
zwaarmoedigheid verhindert
het vrije vliegen dan wel 
het sluimerend gevaar van 
angst, ik hoop die vleugels 
te verliezen, voordat ik 
zal worden afgewezen.







schrijver



"Aureooltjes"

Klasjes kinderen rennen uit 
school,parapluutjes werpen 
schaduwen over zon en regen 
en in het aureool van het 
verleden, door met hun praatjes
de hemelen te bewegen wordt alles 
gewist, boort hun schaterlach
miljoenen kleine gaatjes in de
plassen die aan het asfalt kleven.

Ver van de moraal van schaamte 
in een boetelicht over werelds 
arsenaal, steeds gelijk maar dan
wel in een andere taal, kleeft 
verontwaardiging als stroop aan 
een langdradige verhaal,de prijs
is vaak te hoog, het nieuwe 
hoofdstuk van hun waarheid is 
voor later tijd, maar is minder
zwaar in een nieuw gedicht.


‘ Kinderen zijn geen eigendom maar 
aureooltjes van licht, waarin een
oneindige wijsheid brandt ’






schrijver

 


Verteer de tijd

Verlamd door denken aan het leven, 
kan ik de harde kern van dat gewicht 
niet breken, een weg te vinden in stralen 
van de zon, de maan schiet vol, het gevoel 
lijkt hol, verwijdert zich uit de blikken 
trommels van tegenstrijdigheid, de tong is 
eenzaam als bagage in mijn droge mond.

Toch leef ik dicht bij het geheim, elke zet 
die ik maak is een ontdekking in het 
kleine die ik raak, in ieder woord leeft het 
beginsel om zich uit te willen drukken in 
een dubbelslachtigheid als leegte en gewelf,


Heel de wil en gedachten zijn ervan doortrokken, het 
bloed ijlt door de longen om de laatste vezel zelf te 
bevruchten van de levenshonger waaruit ik werd geboren,
verteer de ongedeelde tijd van de eeuwigheid.



schrijver

Stroom door je longen

Bekers aan de overkant
gevuld met liefdeswater
tot de offer randen.

Door gouden regen
in jouw spoor gekomen, 
geen tegenliggers.

Het paradijs is niet af
als er een mens is die lijdt,
ontdaan van angsten.

Vleugels van zilver
beelden ontwaken, eeuwenoud,
volg ik plichtgeraakt.

Gebroken kristal,
puzzel herschikt haar scherven, 
uit beide ogen.

Getroost door winden
wanneer zij hun woorden wegen,
als vondelingen.

Maak geen woorden vuil,
reinig snaren van je adem,
trommels van stilte.

In mijn vissenkom
van zondvloed met z’n grenzen,
zonder ademnood.

Stroom door je longen,
naar de kamers van het hart,
wees toegankelijk.









schrijver


De mythe van de muzen?

De allerhoogste graad in
een zin of regel, die geen 
twijfel laat bestaan, van 
wat ik zeggen wilde, 
daarin zou nog menig 
onversneden boodschap 
moeten staan om al wat 
mee - of tegenzat, uit 
losse ziel geschreven, 
uit ervaring of uit leed 
of uit opperste geluk
bedreven, weer met
tol en taal betaald.

Verhaalt tot op het heden 
braaf vanuit het gekuiste 
dicht, blijf ik slaaf van literaire 
daad, wars van moraal en 
plagiaat, zich op het hele 
scala van de negen muzen 
verlaat, de mythe van de
eenvoud in de overdaad, 
waarin ik hopeloos verdwaal, 
meer was niet te geven, ik 
vond het gewoon op straat
maar daar is mee te leven.

“Als de wereld begrijpelijk was, 
zou er geen kunst bestaan."

Camus




schrijver



Vondeling?

Ik werd door tijd en dicht te 
vondeling gelegd, boreling 
van stilte en gedachten die aan 
mijn papieren kraambed hebben
gestaan, kon al begrijpen wat 
de omgeving wilde verzwijgen,
zonder iets te willen missen, 
zal verder niets ontstaan, wordt 
er niets gedeeld uit oprechte 
vragen die zich tot onbegrepen 
antwoorden laten rijgen, dief
van alles wat ik geschreven heb.

Op eigen vlucht te gaan, voor
talent van achter tralies van 
een gouden kooi, misplaatste 
eigenheid, wat eerst lelijk leek, 
werd ook weer schoon en lief.

Er is maar één leven te slijten, 
waarop de toetsen zijn geplakt, 
wat ik eigen wijze bespeel anders 
raak ik de draad en de essentie kwijt, 
waaruit ik de levenszin bewoon ,
vertel de strekking uit een ander 
perspectief, zonder de tong en 
draak te steken met de taal die ik 
omarm, deel en die ik ademhaal.

 

 










schrijver



Morgendeken,

Blouses in de warme wind
gevuld als bollend zeil,
bezeilt de zon , haar naam
tussen huid en hemel,de 
eclips van het bestaan
ontstaat de blozing van een 
omhelzing, kom in de armen 
van het windekind wat tussen 
witte donzen en naar naakte 
wolken voert zich tot een speelse 
lichtval om de monden spreidt,
de bron van oorsprong tot een
brede glimlach heeft geleid en
naar de vlinders in mijn buik, die 
paren onder de morgendeken, hun 
vleugels verleiden en ontvouwen 
tot een zwanenzang met elkaar, 
jarenlang tot op een gekozen dag.








schrijver



“Uit het niets”

Uit twee ongelijke 
stenen vonken van 
vuur, ontstaat de 
pijn en warmte waar
jij op mijn huid ontdooit, 
al spelend plooit een
naam zich tussen navel 
en je haar,proef het 
vlees en bloed, daar 
waar ik de onzichtbare 
tintelingen vermoed.

Overloop het water op het 
late uur of in zeven sloten 
tegelijk, waarvan waarachtige
rivieren blijven stromen, 
verwachting uit het niets,
dan te dromen dat die 
ene dag nog moet komen.







schrijver



Mildheid?

In de klimmende jaren moet 
veel worden losgelaten in de 
verwachting dat verlangen en 
geluk, zorgeloos en duurzaam 
zijn, een zonnig mild klimaat, 
een omhelzing als warme deken, de 
lauwerkrans na elke ontdekking

Het voert langs de verzilting van 
mentale aanslagen, die naar gelang 
de ervaring duurt, vaker de
levenslang onbeantwoorde vragen 
bij zich dragen en littekens 
achterlaten in de ziel met haar 
wonderlijke inblazingen.

Het is slechts een uitstel, het raakt, 
maakt alles en iedereen relatief 
gelijk, waarin een rusteloze 
heimwee broedt, een symboliek
in de betekenis van de zoektocht
naar de bron van het vruchtwater 
waaruit ik vertrok en later met de 
ballast van mijn wetenschap in het 
ransel, wat steeds zwaarder woog,
- gemeten naar de geestelijk afstand -
zich naar het einde spoed, de mildheid 
te ontdekken van de schoonheid in 
“ het thuis komen “ zoals het gisteren 
was en morgen had moeten zijn.



schrijver




Woordsporen

Gedicht in balans, 
staan zinnen open om zich 
verplicht te dopen.

Paspoort van poëzie
voelt zich een verstekeling,
met of zonder gezicht.

Na de woordsporen
kwamen de maskers tot leven,
weer doorgegeven.

Muze is lijden,
schaduw zien aan gene zijde,
nooit ziet men het geheel.

Ontdooide teksten,
ontplooit zich in de breedte,
oneindig even.




schrijver



Dwaler?

Over toppen van de 
duinenrij, stampt ze de 
schelpen fijn tot nieuwe
paden, de wind borstelt 
de helm en het golvend haar, 
gebleekt door zilte zon 
en het natte zand, waaruit de 
meeuwen van haar dromen
zijn voorbestemd, zij stijgen 
met elkaar naar hogere 
regionen, verre uithoeken 
van de ‘zielezeeën’, zich 
van geen kwaad bewust.

Zonder aanstoot ‘des persoons’ 
vliegt al wat lief en toekomst heeft 
met haar mee, het zout stolt de 
sproeten op de wangen van die 
kleine dwaler aan de kust, ze klapt 
het kristallen gruis van jurk en handen, 
de parels van een groot verlangen, zij gaat 
verder in weer en wind, door menigeen 
bemind, langs wegen waar ik haar niet 
kan volgen en waar geen mens haar vindt. 

Ze heeft het overwogen in mijn 
gedachten te verblijven, toch niet 
gezwicht of heb ik mij dat slechts 
verbeeld of voorgelogen, mijn leugen 
is verdwaald in het eerste morgenlicht.





schrijver



"Als het ijs is gebroken"....

Vergeefs begeerde zekerheden,
beroofd van een duurzaamheid als 
er slechts één gezichtspunt is, 
heeft dit geen gewicht, van de brug af
gezien als die is opgehaald,heeft dat
een rede, het herkent zich in vele 
vormen, soms argeloos en naïef, het 
stroomt als troebel water, het heeft geen 
heden, maar ook geen toekomst meer.

Een oneindig spel verbindt de tijd en
maakt zich meester van eentonigheid, 
of het naar links of rechts is, het 
blijft gevangen, verwezenlijking naar 
het verlangen de middenweg te kiezen 
wat onontbeerlijk scheen, lost zich 
op in een panorama van het gevoel, 
soms wild, soms sereen,een doel zo 
aards, wat bij tijde weer verdween, 
spiegelt een stukje geluk in op -
lettendheid gevangen, een magisch 
licht die de tederheid omspoelt en 
lopen we over de dunne vliezen van 
deze wereld, als het ijs gebroken is.









schrijver


Bruidsbed,

Het stenen bruidsbed
in haar erker werd
overwoekerd door de 
wildste verwachtingen,
de heemtuin aan haar
voeten spint de draden 
van emoties in verlies 
van het frêle wezen, ze 
zag hoe het kroos de vijver 
sloot in de kleine ruimte die 
haar groene kerker bood,hoe 
het water de toekomst ving,het 
niet ververste, erin bevroor. 

Uit de penselen van de tijd 
vloeide ganzenveren, daarmee
probeert het tij te keren, op 
het kussen schildert ze de
idealen, het emaillen ijzer van 
de bioklok toont de barsten, 
worden wijzer,de haren grijzer,
verliezen hun betekenis, uit 
de poriën van herinneringen
drupt een milde beek, de bron 
verheven tot een ware kunst, 
waaraan een traan bleef kleven.







schrijver


Dagelijks brood?

In het beloofde land tasten 
de eenvoudigen van ziel in het 
duister, ze zijn de daklozen 
onder de purperen zon en zijn
allang de goddeloze beloften
moe, papieren regels rotten 
in het hout, een leger wormen 
splijt de houten wereld open, 
bedekt het labyrint van de aarde 
met hun koele maskers toe. 

In de vlijt van alle gestorvenen 
treft alleen de hoop geen verwijt, 
de nachten woelen twijfels bloot, 
er lekken onrijpe vruchten uit de
hemel en door de gaten van het 
firmament om door de ‘onkreukbaren‘
- met integere woorden - te worden 
bijgezet als hongerige wolven. 

In het holst van alle dromen valt 
de wijn en het dagelijks brood 
in de mond van de morgenschoot.







schrijver


Herinnering aan morgen….

Vergeet je heemtuin niet,
onderga de vergankelijkheid 
in alles wat er is, versta de
schoonheid in elk segment
van wat je vergeten bent, 
verteer de wisselwerking
die een omhelzing biedt,
eet uit de hand van de 
betrekkelijkheid in het licht 
van rozengeur en maneschijn.

Verdrink in het zoet van de 
vergeten wijn wat door je 
aderen stroomt en in alles 
wat je vergeten was, maar 
uit je hart en poriën bloeit, 
herkenning wie je werkelijk 
bent, onbot je fluitenkruid, 
laat mij dan om een windvlaag 
wensen over het neerbuigend riet, 
die op de tonen van herinneringen 
in de toekomst speelt, met je 
deel in elke vraag.…







schrijver



Noorderzon ?

Ik wil niet lijden aan 
een verwachting, die 
de geest verwart,
vermijd de pijn,
schenk je zuurstof
uit de beide boezem -
kamers van het hart, 
de ene kamer net gewit, 
de ander zwart, die de
nachtrust tart, over de
rouw maar te zwijgen.

Streel je wakker in het 
morgenlicht ,onderzoek
wat je hebt beslist,ik 
vervloek de gisting tussen 
de engel en de sater,waarin 
je z’n makker werd. 
Ik verdoof die met een 
duivelse list, die deze 
stalker bewaart in eigen hoofd.

Ik zal de Satan te grazen 
nemen, met wie jij op moet 
trekken, schep genoegen in 
die daad, om die grauwe
sluiers in je hoofd te wekken,
ik laat hem met de noorderzon 
de benen nemen, 
zonder traan te wenen.






schrijver


Kluwen?

Haar wereld geprojecteerd in 
het prisma van een druppel dauw,
balancerend aan een wilgentak,
trouw bleef aan een voorbestemde
sprong die ze afwoog tot haar horizon.

Een vlinder die ik wilde vangen in 
een gesponnen web van woorden 
en verlangens, die ze begreep maar 
ontweek, voordat ik sprak.

Een kleine vlieger, rustend op de
frêle schouder van de vrijheid, tegen 
het contrast van het firmament verkend, 
ontrolde ze het ragfijne touw van haar 
dromen, waarna zij - voor mijn oog als 
toeschouwer - de "gedachten kluwen"
ontrafelde en de binding verbrak.







schrijver



Onvoorspelbaar ?

Lichtfontein is zij,
tinteling op koele huid,
dorstig mijn lippen.

Schoonheid overal,
drinkt van de eeuwige bron,
naakt en verwonderd.

Stemmen in het bloed,
schrijven namen in vonken vuur,
nu, morgen, voorgoed. 

In huid, ziel en hart
werd alles me ontnomen,
geproefd haar vrije uur. 

Lopen op water,
het maakt de dag weer open,
speel met lopend vuur.

Jaren zonder gewicht,
beschouwing van verlichting,
onvoorspelbaar dicht.







schrijver



“  zinnen overstegen “ ( 2)

Jutters aan het zand,
hun netten worden mager,
wie de vis, wie de jager?

Ververst z’n branding,
springvloed bruist in lege mok,
de getijden vol.

Uit een vergezicht
laden wolken hun gewicht
in waterkruiken.

Golven schuim vergruisd 
als wolven achter schapen,
slapen onbevreesd.

Beeldspraak van zwijgen,
meeuwen bestijgen winden,
als pioenrozen.

Golven dringen aan, 
miljoen druppels in de oceaan,
verdelen water.

Zeeën als muze, te
weinig tijd het te bevaren,
zeilboot zonder kiel.

Acryl blauw water,
zijn huid is transparant,
ziet zijn bodem niet.









schrijver


" Zinnen overstegen " (1)

Onbedoeld verzand,
ebt de zee langs mijn voeten,
vol zomersproeten. 

Scheidslijn van de zee,
kleur op canvas getekend,
teer onder schoenen.

Vandaag weer gevoeld
of heb ik me dat verbeeld?
Door zout gewassen?

Groene maatjes,
schubben van volkomenheid,
zilte herinneringen.

Krab trekt zijn vloedlijn
zolang zijn scharen schrijven
tot aan mijn horizon.

Hemel ademt licht
laat de stilte stromen,laat 
haar zinnen wegen.






schrijver


Waslijn ?

Geschreven op de zelfkant en 
het valse plat der aarde, vallen 
teksten over de krommingen van 
de snaren van een denkbeeldige 
regenboog , worden de kleuren van 
de toekomst gerangschikt en geboren 
naar de toonaard van de beeldspraak 
in een wisselende moraal . 

Geketend aan het prisma van 
voortschrijdend inzicht,uit de
plooien van het bewustzijn stromen 
tranen naar de horizon, worden 
residuen van eigenwaarde uit het 
duistere slib gezeefd, gebleekte
schuim van de blauwe oceanen en 
de dartele dolfijnen van de dromen.

Tegen het licht van ontelbare zielen 
die de fluwelen kosmos tot een vrij
gebied hebben verklaard, draaien 
landen om hun eigen as om een
nieuwe taal te kiezen die ik hun ogen 
las om zo de geschiedenis te herschrijven , 
ofschoon die al begonnen was, om 
alle stof van verwachtingen te malen, 
tot vruchtbare inkt, die zal drogen aan 
de waslijnen van de hoop, wachter van 
een onuitwisbaar - en resistent geloof.








schrijver


Wortels

Het bos vergroeit
door inspanning,
daarin zweet het 
mos, groeit dicht,
het blijft bestaan, 
de adempauze heeft
het uitgeput, het
bloeit en verdort, 
het past zich aan,
het licht wil niet 
dat z’n takken breken
in de wind, hoor
hem smeken met
de droge lippen.

Een poging om zich 
uit te spreken in een
zon beladen droom, 
wordt het begraven ,
in de zoom van het 
getij, waar het z’n 
voeten heeft geplant,
proeft het van de 
natte klei, waarop
de groene zoden 
waken, gevormd door 
de wortels van de 
tijd, die het zoeken 
naar de doden 
heeft gestaakt.








schrijver


Verveloos?

Muren als krantenpapier, verdroogd 
en blootgesteld aan noorder winden, 
het kind gespeend van een tastbaar 
evenwicht, vergroeid met het grint 
en de vrije distels op het speelkwartier 
taant de toekomst in zijn overlevering .

Het daglicht in de duisternis maant 
tot willekeur en schemering,de schaduw 
valt over het ontmantelde huis, waarvan 
alleen de trap nog over is, de laatste 
stap te wagen over de verveloze treden van 
de wereld, het verleden is getekend in een 
voetafdruk van gebladderde vernis,alleen 
de herinneringen en pijn blijven vers.







schrijver


Jongensstrip

Uit haar schoot weerklonken
sirenen, gezang zonder 
woorden, stapte ze uit 
haar ziel, wenkte met de
ogen en haar lippen - vast
besloten, alsof ze mij haar
zegen gaf, “ Wacht met 
wikken niet te lang, er ligt 
een niet ontdekte vrucht te 
rijpen met een honingzoete pit."

Die kunnen rotten als je het 
juiste woord niet vindt, maar 
zullen botten, als de meditirrane 
wind mijn kust zal geselen in het 
decor van wijze cipressen in 
het verlangende zomerlicht.

Nog zijn de ranke baaien half 
gesloten, ongeschonden,de juiste 
sleutel ligt waar je ankert, de 
lust te lessen in een gedicht, 
ver voorbij een denkbeeldige 
voorstelling, geknipt uit een 
beduimelde jongens strip en 
gevonden op een boekenmarkt.







schrijver



Profielets,

De dood is een omhelzing 
van de wind, ook voor een 
pad op zijn tocht,waarvan 
de vleugels zijn vergaan 
tot plant, geëtst in steen, 
een zwart altaar waarvan
in ‘natura‘ niets in 
onbruik is geraakt.

Zijn aard en meesterschap 
door tijd de perfectie heeft 
vervolmaakt, blijft hij dichter 
bij de aarde, profiel van een 
ziel die ongezien liet weten 
waaraan het is doodgegaan, 
vergankelijk, los en wars van 
alle wetten, boodschap 
die blijft voortbestaan.







schrijver




Stille wijsheid (2)

Verstild hoofd, zo stil, 
ondanks ik altijd 
wat denk te horen, 
onwetende geluiden 
kwetsen dovemans 
oren en de blinde 
vlekken op mijn 
geestesoog, worden
helder als de woorden 
gestorven zijn op de lippen, 
geketend door de muilkorf 
van verwachtingen.

Berusting, wat ik zoek,
verlamd en overmand
door de beeldspraak
van de kleine ruimte,
als een willekeurig
opengeslagen boek
laat ik dingen maar 
die om een antwoord 
vragen, die komen niet, 
lichaam in het ongewisse
zover het zwijgen reikt,
stille wijsheid laat niet 
zich in een illusie dragen.







schrijver



Heemroos,

Hier ligt het voorwerp,
lijdend van een lang
bezinnen, koos het gezegde,
geen deelwoord onvoltooid.

Nog voor de stem in zich 
wilde verheffen,werd hij door 
on - en overmacht gekooid,
verwoei op eigen kracht een 
frisse wind die hij had gesticht.

Een lichte welving in het aards gazon,
schildert teksten in het heem die ik 
in elk seizoen beween, pluk het als een 
heemboeket, waarin hij geleidelijk verdween
daar ruist zijn rust in een oneindig gedicht.

"Denkend aan een (h)echte vriendschap "

Foto: Roos.










schrijver




Broedplaats ?

Berusting zucht 
uit de geur van
verse grond, 
houdt het
verstilde blad
omhoog, 
onophoudelijk
stroomt bloed
door de navelstreng
van tijd, niet
vergeten het verdriet
dat ik als
kinderbrand ontstak,
blijft vonken in 
wind en regen,
een broedplaats vind,
lang verzwegen.






schrijver




Gerecycled?

Vandaag zag ik mijn 
jeugd terug en de
achterkant van een
defilé in een 
herkenbare zetting. 

Ik bekeek mijzelf
als een stapel oude 
kranten, waarop de 
smid met zijn hamer 
en de zegen rust en 
de tijd verslaat op het 
hete aanbeeld van de 
waan, daar gloeit in de
nachten de blaasbalg 
van het nieuws weer aan.

Die mijn wereld verpakt 
in cellofaanpapier en 
in gerecyclede dromen 
die nog ter perse moeten
gaan, waarvan de inkt
maar niet wil drogen.







schrijver




Beknotte vrienden?

De beknotte wilgen, zij 
hebben alleen de sloot ,
geen tint die meer verkleurd , 
geen kroon om mee te pronken,
geen blad zal nog vallen, geen open 
armen om te verheffen, speling van 
het lot om te beseffen dat het houten 
hart werd weggeschonken, de vermolde 
geest is verscheurd, rest een treurige 
verveling tot aan de dood.

Mistflarden besluipen ze en sloopt 
ze tot aan de magere tenen in het 
griend,in een andere vingerzetting
komt de botte bast tot groei en 
opeens staan ze er weer als een
oude vriend, naast de statige 
kurassen van de slome beuk en 
de drukke eik, beneveling snelt
door hun trotse tooien en komen 
de stille graven weer tot bloei.






schrijver


Synergie,

Wespen larven wentelen
zich in de palm van een 
espenblad, de synthese
laaft zich uit de palmen
van het hart, tonen van 
een groene synergie van
stilte.

Van niets te leven dan 
van de lucht en van de 
zwijgzame schoonheid uit
de aarde om weer tot 
humus te vergaan, waaruit
een purperen zon hem baarde,
de vlucht te vinden in het
ruisen van ontelbaar blad,
energie geladen in de lichte
nerven van hun dromen.





schrijver




Stuifzand

Ruist de mottige regen langs de schaapskooi 
van mijn wollige verwachtingen, het priemend 
daglicht is schreiend heengegaan,uit de sikkel 
van de maan welt zijn allerlaatste traan.

Daaronder op de grote stille heide kuisen kuddes 
schapen de braakliggende taal , ontsnapt en aan de 
herders van de ledigheid, ten prooi gevallen aan de 
zwarte wolven en getapt uit het vat van deemoedigheid. 

De trotse dag loopt op z’n laatste halmen en begraaft de 
aardse vuilnis achter zich, laaft zich aan de transcendentie 
van de nacht, breekt in duizend splinters, verwaaid 
tot sterrenstof en stuifzand in de ziel van mijn gedicht.





schrijver





Globaal of alleen verbaal?

Globalisering?
grenzen op een kier, wie laat 
de tolbrug zakken?

Papieren humaniteit,
mozaïek wordt nooit transparant.
barsten in haar voegen.

Oude wereld haalt 
de bruggen op, ademen
mussen dan vrijer?

Zinloos geweld perst
verwachting en schrale hoop
tot bittere sappen.

Vrouwen, kinderen 
weven dromen, waarover 
de wereld struikelt.

Religie wentelt zich
in ethiek, haalt haar vangst op, 
oogst is ondermaats.








schrijver




Geur van pijn

Wat vrij leven is voor mensen,
en lucht en ruimte laat voor vogels 
bestaat zich daarin vrij te wensen,
wat de oceaan is voor de scholen vissen, 
vergaat in onuitgesproken woorden, 
resoneert in kristallen stemmen die 
voorgoed gebroken werden, naast 
al het bloed dat werd verspild.

Blijft het hangen in een geur van schijn ,
houdt dat de deksel op de wensput van 
het verlangen op een kier of valt hij dicht, 
zonder dat te noemen is het de grootste
pijn of straf, of lopen we voor beide weg al 
horen die eenduidig bij elkaar, worden we dan 
bestempeld als moedig of een beetje laf?

“ Geen grotere bedreiging
dan monddood zijn ”

Sophocles






schrijver



Waarachtig?

Wanneer ik morgen sterven zal
mijn zoon, word ik dat kleine kind,
die allerkleinste jongen die je in je 
armen neemt, vervreemd me niet van 
een innige wens te sterven in mijn
eigen huis, als ware een waarachtig mens.

Ontkleed me van angsten als menselijk 
wezen en leg mij in het oude ledikant , 
waarin ook jij geboren werd, vertel me 
je verhalen als ik eens weer wakker word, 
zodat ik weer kan waken en zo het tijdstip 
van de dood wordt opgeschort.

Laat me varen in jouw dromen, totdat die 
dag aanbreekt, te denken aan de bloesem is
haar zien en ruiken, letterlijk te proeven van 
de geleerde vruchten in hun rijpere betekenis.

Waaraan jij nu moet wennen, vertrouw op je gevoel
als zachte vlinders de verloren adem van mijn 
ogen sluit, dan voelt mijn lichaam de hinder van 
de werkelijkheid niet meer, die we kennen als 
de waarheid en samen hebben ontmoet.

Deels vertaald uit : Fernando Pessoa´s,
`Quando eu morrer, filhinho`







schrijver






Solidair ?   ( naar aanleiding van de ziekte van Fanny)

Er komt weer een klein beetje geluid uit, nog 
niet voldoende om het hele verhaal te vertellen, 
dus dan maar even via dit gedicht, verder moet 
je mij niets vragen, ik zal het maar eenzijdig 
beschrijven, de update van de afgelopen dagen.

Onwerkelijk als je lange dagen je stem moet missen,
het valt me nu pas op hoe vaak ik eigenlijk iets wil 
zeggen,wil reageren, wil delen met de mensen, dat gaat 
dan niet, want de juiste toon is weg. De gesprekken in
de gangen gaan langs mij door, door de beperking,
sta ik buiten en er even alleen voor en loop ongemakkelijk
in hun verbale spoor, het enige wat mij nog rest is het 
te laten gaan, misschien - voor mij - de ultieme test. 

Hoe meer men helpen wil, hoe meer raak ik gefrustreerd, 
in woord en zinnen val ik stil, verlengstuk van mijn 
levende gedachten, men moet stoppen met de 
verwachting anders wordt ik gek, naast het fenomeen 
dat mensen fluisteren of zeggen helemaal niets alsof 
ik een overdraagbare ziekte heb.

Mijn houding resulteert in consequenties, nu vraagt 
niemand vraagt mij meer wat, men wordt onzeker en 
ik word een toeschouwer van - mij eigen komisch - 
en werelds onvermogen. Ik heb het masker opgezet met 
de oneindige glimlach van de Boeddha in de hoop alle
overtollige vragen te verdoezelen.

Ik val stil bij de stilte vanzelfsprekendheid die mij
bekruipt, een vorm van angst die binnensluipt dat deze 
stilte blijvend is en bij het idee dat mensen permanent
niet meer worden gehoord en definitief buitengesloten 
zijn, om in vrijheid hun gedachten te openbaren - en 
van buitenaf - in de kiem worden gesmoord. 
Het maakt mij - vanuit mijn tijdelijke ongemak – solidair
met iedereen die niet openlijk spreken kan of mag.







schrijver



Broze schaal?

De zon bebroedt de klei en aarde, 
stileert de broze schaal van eigenwaarde,
op haar wolk speelt een ongedwongen kind, 
wordt geraakt door het gevederd licht, 
als duizend lampionnen in het duister.

Tijd verschuift het zachte dons, bepaalt het 
gewicht uit de ruïnes van het verleden en
steelt voedsel uit de harten van de hemelkar, 
waar starre blikken worden versluiert, breken 
vonken door, geheeld door bloesemgolven 
uit een veilige kudde lammeren, die het land en
zee bezetten, een witte meeuw vangt de zilte 
boodschappen als broedsel uit een vorige eeuw.









schrijver





Slechts een silhouet ?

Ze is slechts een silhouet,
duivels spel in avontuur, 
hierin werd ik overklast, 
recht door mij en puur 
in mijn gevoel gekrast,
haar schaduw kleurt de 
graven wit, komt helder
dichterbij, ik schilder mijn 
ruimte op het broze pallet 
van onstuimige eerbaarheid.

Ik strijk mijn streken met 
een droge kwast, lees de 
verlichte tred in de ravenzwarte
ogen en word onder een steelse 
blik van meewarigheid begraven, 
ze steelt papavers uit de sterren 
van haar figuur, tomeloze last van 
weelde in een aansprekelijke natuur, 
die ze eerst met me deelde en ik
vrijliet door haar persoonlijkheid .






schrijver





Betekenissen van tijd

Zichtbare lente heeft 
de kussen geschud, herboren,
sneeuw in morgengloren.

Merkstenen van leven,
bottende knoppen, schoonheid
in versteende kruiken.

Rijp in de toekomst,
streling van betekenissen,
bekleedt met woorden.

Met alles of niets 
vergelijkbaar in beweging, 
er is niets dan tijd.

Rand van het getij,
vrijheid in zeeën van azuur,
uit flarden nevel.

Foto : Pama, Paniche (PT)



 






schrijver





Klein erfenis,

Ik heb voor mijn beminden het 
laatste en het mooiste bewaard,de 
geur van regenbloesems uit de linden, 
of uit de krakende kruinen van een 
populier, boven de onverstoorbare 
stemmen uit de vlier, ontstaan uit 
de hachelijke momenten van twijfel, 
het verraad gelost door spits- 
vondigheid, door lief en leed in 
onderscheid, het evenwicht bewaard.

Aan de zoom van bos en akkerrand, 
ongelijkheid rug aan rug op de mentale 
barricaden gestreden in de vele zinnen 
van een enkele oogopslag, uiteindelijk met 
lege handen de dotters tellen aan de waterkant, 
waar dove netels, uniek in hun soort, 
zich naar nieuwe wet en zin vertalen en 
zittend op de blaren zijn achterhaald,
ergens tussen de geboorte en de dood,
wat zich in de geschiedenis herhaald.

Het levenslicht als een broos geheel, 
waarin de essentie werd uitgevouwen, 
verval gekozen uit diepe pijn zonder 
daarover lang te moeten rouwen, maakt
een einde aan jarenlange sleet, is mijn 
tijdperk gedoemd tot verder snoeien?










schrijver





Omweg en ik viel stil,

Het pad in de heemtuin liep dood,
heb het zelf zo willen kiezen, 
om uit alle omwegen niets te 
verliezen, er is geen voldoende
tijd meer om te belopen, we 
komen elkaar wel ergens tegen, 
een kringloop niet van willekeurige 
gevaar ontbloot, ik tors het kruid
van marmeren zerken, deemoedig 
mors ik de verweerde letters waar 
de levens bewijzering voor staat.

In het voorspelde rood der rozen, wat 
knellend werkt in het spel van minnekozen,
vervloek de dreiging van de overmaat 
waarvoor de tijd ons liet bloeden, om 
naar een bodemloze schat te graven, of uit 
de rusteloze ziel en of daar nog wat uit te
winnen viel, wil ik in mijn denken zwijgen, 
ontdek hoe weelderig gras zich opnieuw tot
dwaze dromen rijgen, pas daarna viel ik stil.







schrijver




Bij het krieken…,

Kan nog steeds niet zwemmen, eb
en vloed vloeien mij te vluchtig, 
vermijd dat ik staar naar de navel 
van de onvoltooide tijden, waaruit 
mensen hun kansen haakten uit de 
lentezon, schaduwen getooid met 
gekleurde linten, geschetst in
aquarellen van hun vragen, waarin 
schade en schande ballancerend werd 
gedragen op een zilver blad, in het 
glinster van de ochtenddauw en feeën 
op glazen spitzen, medeleven stelen 
uit een hemels – en manshoog gras.

Delen speelsheid met libellen naar 
believen op het aardse heem, op de
tere vleugels van verdriet, intiemste 
verhalen aan de modderige oevers van
de realiteit en de waterplas, waarmee de 
zijden kousen van eerbaarheid werden 
betast, kleine mensjes vol met gaatjes en 
schrammen door de doornen van tijd.

Gehouden tegen het van het licht van 
hun weerbaarheid als zure morellen die 
te vroeg werden geoogst, had ik het maar bij 
de prille bloei gelaten zoals het was,waren 
zoveel zouten tranen niet vermorst, opnieuw 
te kiemen als ik eerder was getroost.


Foto: Pama ( ontluikende citrus - Od/Pt )






schrijver





Boezemkamer.

IJl spinnenrag vangt stemmen op, 
uit de nissen van de boezemkamers, 
levend stof opgerakeld door mijn 
adem,al hoewel ik lang vertrokken 
was, blijven er vage afdrukken achter 
op een leeg matras en in alle vragen 
die je in de spiegels van mijn ogen las.

Op die dag hoef je mij niet meer 
te zoeken, op de beslagen ruiten 
verdwijnen contouren, de wasem 
van gebeurtenissen één voor één, 
een goede beurt maakt de ruimte 
vrij van stof en opgelopen averij 
waarin mijn blik voor het eerst 
in jouw schaduw verscheen.

Een tocht door de verveloze 
vensters van mijn wereld, ik ging 
op stap door een duistere nacht, 
jouw schaduw ontsnapte op z’n lemen 
voeten, was ik benieuwd voor welke 
dwangmatig macht ik moest boeten, 
in welk nieuw gesponnen web ik strand. 

Om een hart met uitzicht te bewonen, 
waarin zuurstofrijk bloed de kamers geneest 
en blijven vullen, het meest naar eigen bestwil 
te luchten met een onbezwaard geweten,
onbevreesd me van het juk te ontdoen
van spiegelbeelden die niet smelten 
wilden, daarvan geniet ik nog het meest.











schrijver




Identiteit ?

Vanuit een trage schoep
van tijd en lentewinden 
reiken bomen slapend
naar elkaar, gras groeit 
alleen op zonnedagen,
emotie rent als kippenvel 
over vlakten van de aarde tot
aan grenzen waarin mensen
zich herkennen.

Tekent de passie uit het bloed 
van oude eeuwen, mozaïek over de 
grond gezaaid als duizend sterren, 
gekleurde lampionnen waarin de 
horizon voor liefde gloort, waarvoor 
de kampioenen streden, bijgezet in de
adem van het verleden, gebalsemd
in een lange zucht van zwijgen.

In de prikkels van “ het zijn” waar de
dood zijn daad al klaar heeft staan, 
soms onbedoeld, verlangens voor de
onvoltooide wijze, een niemandsland,
in angst om niets te willen missen van de
onvolledigheid, tegelijk begerig naar 
het leven wat zich misschien ten goede 
heeft gekeerd, maar altijd in beweging, 
en nooit ‘af ‘ gemaakt en weer verleerd, 
waarin zich ‘ het zelf ’ met een ruimer
inzicht heeft geïdentificeerd. 

Uit “Sein und Zeit” (Heidegger)

Foto: Pama

Franciscaner klooster 
Mourão (PT)







schrijver



Ben ik resistent?

Vanuit verloren stilten,
boren miljoenen vragen 
zovele gaten in gordijnen
van het paradijs, steeds meer 
licht priemt door onwrikbare
schaduwen, waarin onmacht 
wordt beleefd, wanneer het
verloren bloed door de mazen 
van de schijn is weggevloeid.

Er kleeft smart van het geweten 
aan ieders handen, geronnen in 
de harten van rechtvaardigheid, 
geketend in peilloze plooien van 
het boetekleed, om het brood en 
spelen aan mijn vrienden te uit 
te delen, soms aan één, maar soms 
aan velen, het frêle lichaam van de 
berooide aarde door latere ideeën 
te zijn getroost en nagestreefd, wordt 
mijn kiemgoed dan wijs en resistent ?






schrijver




Korzelig ?

De luie dag is weer gekomen,
mijn blik op de tijd is weids, ik 
peddel fietsend huiswaarts om 
verder uit te dromen, neem afscheid 
van het korzelig zand, het duin en
horizon zijn beknopt, de lucht gefopt 
door wolken bijeen gedreven schapen.

Ze gloeien en worden rossig wollig
vanuit het oosten, een brutale 
meeuw die mijn teksten overstijgt, 
roept mij na wat ik heb verzwegen,
de morgen zwijgt, in alles wat ik heb 
geschreven, haalt z’n lege netten 
op waarvan de mazen zijn verstopt.







schrijver



Wieken van de stilte.


Talloos het geluid
waar mens en macht de degens kruist, 
ruist de kleinste twijg.

Veulens van de morgen,
emoties van de leegte,
hoefslag in de wind. 

Kinderen uit sagen,
verstillen dictaturen, 
model van hun gelijk.

Molens malen meel
verrijkt het goud uit aarde
in een ongelijk deel.

Fossiel gelaagd steen 
zover de stem kan dragen.
over eeuwen heen.

Tijd vertraagt de dag 
op wieken van de stilte,
zonder vooroordeel.







schrijver



Echoput?

Zo maar gelaten, een
ongemeubileerde kamer 
met de gordijnen dicht, 
kieren zonlicht in de
leegte waar het evenbeeld 
van achterhaalde motieven 
op verbleken, bloemenop
het behang waarvan de wind 
de waarden heeft losgerukt.

In een laatste groteske snik, 
de neuzen tegen de beslagen 
ramen drukt, zich naar binnen
keert en aan de halsband van de
onuitgesproken waarheid rukt, 
gemakshalve maar vermeden
in de echoput van pijn, is 
derhalve nog zwak uitgedrukt.












“Jouw omhelzing,”

Stromen Fados en brakke 
tranen glijden langs haar 
wangen, vloeiend goud
van de Taag, druppels 
gloeiend klaaggezang 
verheffen zich in het hart, 
laat het sneller kloppen 
aan de oevers van mijn 
zwanenzang en in de snaren 
van de ziel, door de magie
van klanken van alledag 
tot elkaar verbonden.

Het heeft mij verslonden,
veroverd met huid en haar, 
geketend sleep je mij naar de
spelonken van meedogenloze
melodieën, waaraan niet te 
ontsnappen is, laat me branden
in je vlammen, die dansen op 
akkoorden en waar ik niet vanaf 
wil vallen, behalve als deze 
breken, dat is uitgesloten, ik 
blijf met jou verbonden, de tijd 
was kort, die me was gegund, ik 
ruk mij los van jouw omhelzing, 
als ik dat had gekund.

“De avond van vertrek om 
nooit te vertrekken.”

Pama

Saudade 5 ( Adios Lissabon)












“Bacaljau"

Ik moest wennen aan de zon,
aan de smaak van bacaljau,
volksvoedsel in alle geuren 
van de ‘coleur locale’, en aan 
de moderate stijfsel van de altijd 
aanwezige was in de nauwe 
stegen, die als grauwe voile aan 
een schaarse hemel, ontstegen aan 
de mediterane rouw en  tijd.

Caroteen zich clustert in bladders,
naast het blauw op oude gevels
en in de felheid van ‘gitane
blikken‘, die ik in ieders ogen las,
pathetisch spel, in het ontembare
passionele tempo van het bestaan, 
in de strikte danspassen van een 
geliefde, flamboyante beweging van 
haar eigenheid, gefundeerd in stemmen.

Het ongeremde staccato van de 
onverzadigbare, doch rijk geaarde
snaren, overstemt een onderliggend
religieuze gevoel als zondeval, de
tragiek - naast een verheerlijkt, 
maar vaker een gelouterd leven, 
dé toonaard vanaf de geboorte
tot aan het reeds geopend graf, een 
immateriële heimwee die zich in de
zielen hecht, theatraal geopenbaard
misschien,eentje met een echte waarheid, 
onafhankelijk welke religie je belijdt. 

“ Ik hoop, dat je eenzaamheid je mag 
aansporen om uit een eigenheid voor te 
leven en voldoende blijkt om voor te sterven.”

Fernando Pessoa

 



















Mijn pleit beslecht?

Zinnen, geef mij zinnen als
het gulden vlies om mij heen,
onzichtbare deken van een al
betreden toekomst lijkt eerder 
dan voorheen, valt te hopen 
dat de nachten sneller vallen.

Vooruitlopen op de toekomst
zonder kwetsbaarheid, word ik
hoge priester in de schreden van 
de lente, snoer ik onuitgesproken
woorden om mijn lijf tot een
midddel, waarmee ik het vege 
leven rek tot in eigen vooroordeel.

Te kiezen, te delen om mijzelf 
weer te verliezen, maar wat geeft
het, want ik lijk – in de verte – 
niet op de mensen die ik kende, 
waait het stof op van alle dagen 
en slaat de tijd terug, zonder 
dat ik weet waarheen. 

Ben ik het groene gras dat door 
de wereld wordt begraasd met een 
brok van onverteerde waarheid in de
keel ? Het licht wordt stil omdat het 
woord zwijgt, zal ik opstaan als het 
duister stijgt en zal ik spoedig opgaan 
tot mijn pleit is beslecht ?


Saudade 3 ( de heimwee van de ziel )

 























Schrander dier?

Verlaten dier, treedt 
uit je schaduuwen,
wat zit je nog
te mijmeren hier,
er is brood, er zijn spelen,
loop niet in dood in je
levensspoor je lot achterna,
je verlangen versleten 
tot schrander dier.

Het is om even hoe je 
mag heten, toch
zal ik je strelen, om
zovele dromen met je te 
delen, de zwakheid
van je kracht, tot mij zal 
blijven spreken, tot je
droeve ogen zullen breken,
in een morgen of in de pels 
van een nieuwe nacht. 

( Saudade 2, groet uit Lissabon )







schrijver




“Saudade” ( Heimwee van de ziel)

De dichter wendt het slechts voor,
hij veinst zichzelf door en door
dat hij voorwendt zelf de pijn te 
zijn, een gewortelde gevoelde pijn.

En zij die lazen wat hij bedoelde,
zich invoelt in de gelezen pijn niet 
de twee waarvoor hij geleden had
daarin ook de hare niet kon zijn.

Hij rijdt op zijn rails in 't rond,tot 
groot vermaak van de bourgeoise rede, 
een speelgoedtrein uit de volkse mond
naar het " dichtershart" gemeten, de 
smart verweten aan zijn brandende liefde, 
een levensveer die brak en hem verslond.


“ Vertolkt en vertaald uit de 
volksmond van Lissabon”







schrijver




Conflict?

Evenwicht in het extreme
de wereld uitgesneden,
langs sjablonen van het 
gedoceerd geweld (?) gevoegd
uit de specie van ongelijke bouw -
stenen,ingelegd met zweet van 
het zwoegen,waar geronnen 
bloed niet meer uit kan treden.

Daar groeit geen tierig mos, zelfs 
geen onkruid welt in gave grond,
het dode licht erboven heeft een 
eigen plicht, mens verwondt,uit 
evenwicht geraakt, hemel en aarde 
van elkaar losgemaakt,claimen 
duistere schaduwen hun status 
achter de tralies van de tijd,soms 
ligt de toekomst in het extreme.


“Gelijkheid baart geen geweld”

Erasmus











Uit alle poriën,

 

Door je poriën parfumeer

je mij, van beider willekeur
zijn we vrij, handen smelten

op zachte dijen en in donkere

plooien van de nachten, na het

waken van de ochtenden kan

alleen die ene geur mij raken.

Je lachte om de verwondering,

ik moest wachten tot onze tijd in

as zou vergaan, en die verging,

jij bleef om een naam te dopen

in herinnering,  geschreven als

volwassen vrouw, ik huiverde

toen ik je oprechte kleuren las.

 

Voldoening met het juiste

accent, koestering uit een

vroege levensbron, druppels

dauw uit het blauw en uit de

hemelen van de oceaan, herkent

in een golvend ritueel, afwisselend,

zacht als fluweel, lijkt 't of ik niet

anders heb gekend, of krijgt

intimiteit een andere naam. Gewoon ?

Misschien, toch altijd weer verwend.

 

“Wat kun je met liefde anders

  doen dan liefhebben.”

 

Shakespeare













Galerij van wensen,

Vreemde gedachten verlopen 
in een goede orde en in hun 
gemeten pas en tempo die 
niet zinloos zijn, slechts 
herinneringen die voorbij 
gaan in hun intrinsieke schijn
in een vervallen aards gerief,
wanneer het oude stierf nooit 
meer in z’n originele lijst te 
zijn gehangen in de galerij 
van onvervulde wensen.

Wat smeekt naar nieuw leven,
naar een onbezonnenheid wat naar
nieuwe kleuren leidt en in de 
duidelijkheid van ‘meesters hand‘ 
herkenbaar blijft, als creatief niet 
te ontkennen valt, herkent talent 
zich in tweespalt in de spelonken 
van de ziel, komt hoorbaar boven 
drijven, rechts of linksom is om 
het even, zichtbaar en gescherpt 
op de drive van “slijpers wiel”.
















Het laatste woord,

Zonnen als behang, onbeweeglijk
boven werelden als medaillons
waar de toekomst ligt geschoren,
in het onkruid van de golven, draag
het tij en ontij in gelijke maten met 
me mee, om de nek van de tijd geborgen,
een doolhof van de aardse stee en
in de boezemkamers van de hartslag
in het ongezouten leven, gedolven
uit het ritme van seizoenen en uit
het schuim op de lippen van de zee.

Ik zoek toegang tot mijn nieuwe 
dromen, waar de maan zijn witte 
hand op legt, stromen zilveren wolken 
door het duister, in een plas van zuiver 
licht op geluidloze vlindervleugels in 
een gewichtloos gedicht.

De dood smeedt een smalle streep 
aan de Godse ginder en mijn horizon 
en in de morgen verbreekt de dag 
zijn zwijgen om de schoonheid te 
begeren en wordt levensecht en
krijgen de nederigen het laatste 
woord, waarheid is niet te keren, 
wordt een levensrecht.

“Tart de toekomst niet, onderga
hem in nederigheid “

Aurelius













Te wijde mazen?

Iedere spartelende letter
als vis vaak gevangen in 
vertroebeld water, het 
wijze net met wijde mazen 
bleek te groot, om daarmee 
nieuwe alinea's in te blazen, 
ketter tot in de schoot.

Iedere verwachting
teruggevallen als
afgeschoten pijl,
bedoeld om doel te
raken, gegrepen door 
de zwaartekracht van 
het cynisme, terug te 
vallen op de aarde, 
zo zwaar als lood.

Begrijpend luisteren zonder 
iets te doen als dat eens kon, 
om simpel lief te hebben in 
de woordenzon, in wat stilstaat 
verandert niets, sterfelijkheid 
vergaat, wordt toegankelijk in 
alle verzonnen namen van de 
dood, naar letter en geest.

Ik mag hopen dat zinnen 
zichzelf blijven schrijven
om ze naar behoefte in te 
lijven in geletterde dingen 
die ik lief heb en in vrije verzen 
waarin ieder hart geneest.















Vastgeroest?

Het einde, mijn voorgeplande dood,
vermaan mij als je tot mij spreekt,
ik stond aan je deur te luisteren, wat
voor boodschap je brengen zou, berooft 
mijn zinnen van elk schaduwwoord wat 
mij opbeurt en weer breekt, de rust 
predikt in mijn overladen hoofd.

Gelijk een zwaan, die schuchter de veren 
strijkt, zich dompelt in het koele meer om
de lange slaap te vinden in een donzen bed,
gebonden aan het strikte heden, in de 
brekende golfslag van de tijd, schuddend aan 
mijn levensboom, waarvan de vruchten maar niet 
willen vallen, in het stof van opgewaaide verzen is 
het moeilijk keren in een vastgeroest syndroom.

“ Het “einde” dient vooral te blijven waar het 
nu is, ik zal hem toch wel eens ontmoeten “

Boudewijn Buch















De maat van herinneringen

Zijn het oude vriendinnen of 
schaduwen van ongrijpbare 
schimmen die mij de rust niet 
gunnen om de raven van 
de nacht te weerstreven?
Verzuurde woorden stijgen
uit hun duistere graven 
die zich aan het gemoed
van de ochtenden laven.

Een glimp, waarin het 
eerste licht als stille traan
geboren wordt, gedachten 
verleggen schaduwen over
mijn verweerd gezicht, 
geleefde wraakgodinnen
hangen zich aan gouden
ringen, alles is al gewogen, 
blijft zonder gewicht, in de 
krappe ruime en in de maat van 
alle kwetsbare herinneringen.

“De nacht is een reiziger, die
zijn mantel over de aarde sleept
om zijn sporen uit te wissen “

Cicero



 










Bedwelmend ?

Oh die liefde, als kind te spelen
dat ik onder het hart zal dragen,
we zullen er samen van eten om 
aan ieder te verdelen, ook als zon 
en maan hun baan zullen vertragen,
tot in de diepste kleuren van Eros 
fluit, door de zoete dood getroffen.

Spreekt hij de mythische voorspelling 
uit, steekt al zijn geuren in het verlangen 
van een bedwelmende wijs, te ontwaken 
in de schemer van symbolen, zwervend
door het minnespel van drank en spijs aan 
de tafel van het paradijs aangeschoven
tot hij mij de lust en blinde ogen sluit.

“Reizen door de liefde is een
onmetelijke Odyssee.”

Homeros



 











Kwetsbaar?

Het kind slaapt naast de
schelp, nóg ongebonden, 
nóg ongeschonden, voor 
haar als winnaar is een 
lauwerkrans geraapt.

Stil verschijnt licht in haar 
verhaal uit een versje op 
een kaartje, uit het hart 
verzonden, een ongeschreven 
taal, opent het inzicht dat 
een vers iets levends raakt in 
de schoot van het ongewisse. 

Wat dat kind niet weten kan, 
waar de bron van dat versje 
ligt, daarvan zeker drinken 
zal, zag de aarde roze rijpen, 
zag de lente bloesems dromen, 
overzag werelds wensen die ze 
niet begrijpen kan, liet het
maar bij tranen stromen in de
rivier van aardse onwetendheid, 
heb het bij de hand genomen.




 









Zandlopertje,

De zandkorrels
ruisen door de
vingers van haar 
kleine hand, hier
heeft zij gespeeld,
hier is zij gestrand.

In een oorschelp
ruist de echo van 
het eeuwig leven
wat zij ontdekte 
in een beweging
met haar hand, 
fluistert de zee
wind haar naam 
in ieders oren, ze 
bereed een eigenwijs 
dolfijntje over de 
golven van plezier, 
maar kon daarmee
het tij niet keren.

Door de zandloper viel
de stilte, een laatste
korrel liefde, om die ons 
te schenken, daaruit valt
alles nog te leren, meer
kon ze ons niet geven.

- Opgedragen aan vrienden voor een groot 
verlies en alle kinderen van de wereld.-





 










Bloemend hart,

Vaak komen mijn trouwe
dieren, dichterbij de haag,
veulens treden uit de stilte,
wachtend in ongeduld 
op fourage, breken uit
de beklemming, smeken 
naar het groene klaver naast 
het simpele haver, uit de 
smekende emoties stroomt
de ‘courage’, dromen zij het 
knellend bit te mogen vieren.

Ik berijd hun vuur als bagage,
ongezadeld op hun ruggen over
de onbeperkte weiden van een 
ongebreideldheid, in een laatste 
sprong over hindernissen van het 
leven, de ruimte die ik hen gaf, 
een vrijheid zonder barrage met 
bloemend hart en nieren, in dartel 
bloed vervult het avonduur de gloed 
van mijn slaafse erfgenamen, misschien 
wel nooit, misschien maar even.

“ De dromer berijdt onbeperkte 
vrijheden en gedachten zonder bit “

Camu




 









De laatste act,

Ik zit begraven in deze eeuw, ik 
teken mijn gebreken in de tijd,
op witte grond met het zwarte krijt
van hoogmoed, niet moedwillig want 
morgen valt de eerste voorjaarsregen en
worden schetsen van mijn zonden grillig.

Vroeg bloesemtapijt sneeuwt de bühne 
onder, sneller wat ik had verwacht, 
bewonder ik het schrale vuur al was die
wat kwijt, las de liederen van de blind -
gedoekte jaren, schreef de teksten in as, 
die weer te vegen, onthul de zinnen 
dieper achter elk woord, souffleur 
en acteur in een laatste act, voor het 
doek zal vallen om samen op te 
trekken in deze merkwaardige klucht.




 










De aarde vertakt zich,

De nacht vertakt zich door de dag, er schieten
nieuwe loten uit exotische vruchten en instabiele 
grond - misschien nog wat onrijp - maar mensen 
delen brood en bezit zonder elkaar te duchten.

Zij dansen op de oude zerken, van rood geaderd
marmer, waar eerst nog bloed en staal moest stromen, 
spitte vloeibaar goud uit de schoot der weelde, 
gefolterd en humaan gespleten, deelde hebzucht de 
aarde in tweeën, een lege triomf zonder geweten.

Na lange jaren zal de regen van de hoop de woestijnen 
kleuren, vol getooid met bloesems aangezet uit eigen
lijf, de “ Djins” hebben hun fata morgana’s gewogen, 
wortelen droge stromen tot één welige oasis, weerschijn 
van een nieuwe loop gevat in een gezamenlijk gebed.

Veegt een niet te stuiten wind het lange zwijgen weg, 
bundelen duiven hun witte lelies tot een eindeloze 
droom, de verdeling van gestolen buit, heersers wagen 
te blijven zitten, leveren zich niet uit in hun moraal, maar 
een springtij is niet te stoppen, vertakt de aarde zich in 
ons aller mededogen, groene weiden worden autonoom.

” De aardse vrucht kent slechts een grote smaak,
die proeft naar vrijheid en zelfbeschikking “

Ghandi





 











Weer (spiegeling)

Weer verbleekt de herinnering 
van een gezicht, weer worden
straten leger, intens bevolkt
met schimmen, weer verdween 
de ziel van de betekenis in 
de onbeantwoorde vragen, 

Weer minder bleef je de stappen 
trouw wat zo lichtend terugviel in 
het stof, opgewaaid in berouw.

Weer te snel begraven, gaf je het 
af met beide handen, ontpop je 
van de rag, zo kan je niet berusten, 
je zocht het op elke dag, alleen.

“Ontberingen laten zich makkelijker 
dragen wanneer de ziel beter wordt 
bejegend dan het lichaam “

Rousseau
















Houvast?

Afgeworpen in de tijd
in een doel wat heiligt, 
door innerlijke strijd
decennias gepijnigd en
gestenigd, oneindig
rollen stenen af en 
aan om in het volle 
uur van de waarheid 
tegen elkaar te slaan.

Vonken reinigen de loop van 
mijn fossiele natuur als ik doelloos 
rondzwierf om keien naar de top 
te sjouwen, kan ik op mijn dromen 
bouwen zonder mij te laten boeten ? 
Blijft de horizon gelijk, zonder 
haar stappen te tellen?

Ik vond steentjes voor 
mijn voeten, ik schopte
ze niet weg, wachtte tot 
ze bergen werden en de
juiste houvast vond om 
omhoog te klimmen.














Ontvolkt ?

Gevlucht, zomaar een mens,
die opnieuw zijn grenzen trekt 
waarvan hij is verdreven, z’n 
heil en haard over hem zijn 
uitgestort, de ideologie vermijdt 
die hem reeds de rug heeft 
toegekeerd, niet te staken 
waarna hij heeft gestreefd.

Dat leven van ver gezien maar 
er nooit kon binnengaan, verbergt 
het gelaat in beloften en schreit, 
hij vocht zonder om te zien, bepakt 
en verblindt door schrale hoop. 

Staten en steden vervallen tot 
ruïnes, lopen leeg, wat in de 
straten achterblijft zijn slechts 
ontgoochelde soldaten die de 
grens van hun ontvolkt gebied 
bewaken, zandstorm van macht 
versluiert hun aanwezigheid.


“ In geweld is de waarheid het 
eerste slachtoffer, gelijkheid
de tweede, etc. “

Erasmus














Mijn buurmeisje

Wie zoekt niet, met groots allure,
het mystieke in zijn avonturen ? 
Ervaring in verdriet en zonneschijn,
Sibylle zoekt het in het kleine, 
verdiept zich in de echtheid van 
de mensen, richt zich op onontdekt 
gebied, treden naar onmogelijkheden,
loket tussen hemel en de aarde.

Schildert een liefelijke waarheid 
in de schijn van haar penselen tot 
heldere stenen die ze uit de sterren 
steelt, een energiebron die zij met 
haar vlinders deelt, verovert de 
stralende zon, de weg van het hart 
naar het hoofd, van de groene weide
naar de gene zijde betovert zij het 
paradijs,handleiding van haar 
levensreis, tegen welke prijs?

“ Een lente per jaar en in het leven 
slechts één jeugd is te kostbaar
om zomaar te vergeten. “

Simone de Bauvoir













Deken van herinneringen

Weer zovele getelde dagen 
strijkt het lentelicht zacht
over het purperen land en
door het zwarte raven haar, 
het is alweer een jaar, het
is niet waar dat zij daar nog
steeds in ruste ligt, de 
grond met eigen woorden koos 
als een onvoltooid gedicht. 

Ik slijp haar gratie in mijn
hart van steen, ik ween haar 
naam in hout en de taal om die 
in haar geest voort te laten 
gaan tegen mijn beter weten in,
ik spreek haar aan in een 
teloorgang, een plek waar 
hoop en in haar beeld volmaakt 
gedijt, zich als warme deken 
over ziel en aarde spreidt. 














Tekens aan de evenaar

 

In het voorjaar schuilt haar 
vrouwelijkheid, winters lonken 
alleen vermoeide oude mannen, 
zomers spelen kinderen onbevangen, 
dan ben ik in het najaar tot alles bereid,
dan bestaat er geen verlies aan tijd.

En komen we elkaar vervangen, 
wordt de hengst van passie als 
overwinnaar bereden, beteugeld, 
gevleugeld van verlangen en 
verschuiven tekens aan de evenaar.

Dolend op de wieken van de molenaar, 
schrijft de wind z’n intieme taal, beleeft 
de liefde in de schaduw van een korenschoof, 
ongebonden in een wolk van zuiver 
haar aan het eind van elke regenboog. 

Zaai– en oogstgoed in één oogopslag van
schoonheid onderschept, silhouet van de liefde 
blijft ongerept, wat op onze horizon kan bogen, 
raken we in onze muze meer en meer bevlogen.
Mijn lief, daarin is nog zoveel meer te geven.

“Door de wetenschap bereiken we veel,
alleen de liefde neigt naar perfectie.“

















Een adem, een hartslag,

Gedacht, verbeeld en
zo helder raakt de nacht
ons waar wij liggen, tussen 
grote Beer en Stier en alle 
sterren in het hemelse gewelf, 
belichaming van verbeelding, 
wat we in elkaar en de aarde
zien, verlichte huid en ziel
uit het stof van alledag, niet
door de tijd te zijn versleten. 

De dromen worden wakker 
naast zichzelf, wachtend op 
een teken, als tweeling uit een 
schoot, telen we de eigenwaarde,
gezaaid, geoogst in avondrood. 

We maken de eeuwen samen 
door, vanaf begin der tijden, het
licht waarin we sliepen, in één
hartslag voor ons beiden, in één
adem zonder geluid, brak de dag 
open in waaiers van perspectief 
die voortvloeiden uit het ‘zelf.’


“ De liefde lijkt een paradox, 
waarin twee gelieven versmelten, 
maar toch autonoom blijven.”











Harde lijnen ?

Emoties glijden door sloten de 
akkers in, in lekke boten vol 
hoorngeschal, stuift zand in 
rauwe stemmen, lichamen te 
groot voor peddels waar zij
mee roeiden en werden zij 
intieme vrienden in de woelige
wateren van de nood, een reis op 
beider deugd waarop zij roeiden,
voor jeugd en waterland.

Verpakte littekens gaan van 
hand tot hand, geschreven op 
een bevlogen krant van gisteren, 
waait ritselend op in een gestorven 
zucht om de tijd te ontmoeten 
buiten mijn medeweten om. 

Op mijn schouders wacht een 
verlangend kind dat lacht, mij 
toedekt en haar handen strekt 
en worden harde lijnen zacht,
in een meetloos mededogen
tot aan de sluimerende dood, 
die ergens op mij wacht.

“ Schoonheid en jeugd
kunnen niet lang genoeg duren “

J.Vondel















Waterzon,

De stad meldt zich als ik 
de balkondeur open, het 
straatgewoel zwelt aan door 
jengelend logistiek, scherp 
geluid van tramrails snelt 
door geest en ijle lucht.

De linden werpen met een
hoofse neiging in hun kale
kruinen elkaar de zwarte 
jassen van de kraaien toe,
boven de daken en in deze
verbale dramatiek schildert 
een onhoorbaar voertuig zijn 
helwitte strepen op de blauwe 
zijde van de februarihorizon.

De waterzon speelt met mijn blote 
voeten in een uitnodigend spel als 
een tevreden kind en ik voel de 
donzen stem van de lentewind,
beleef de zot – en zoetheid van
kleine dingen die mij omringen. 

“We leven, om naast de zotheid,
de schoonheid te zien, verder
blijft het afwachten”

Kahlil Gibran














Het vege lijf ?

Als de dag z’n zegeningen telt
en zijn blik laat lopen over mens en 
dier waarin het licht zich in de
schaduw versnelt, vermaak ik mij met 
spellingen, speling van herinneringen 
op een onafgemaakte tocht, het hart en 
hoofd op papier te hebben opgeslagen. 

In een strak regime uitgevoerd, 
waarin ik menig dagboek heb
verbrand, verhoedt de werkelijkheid
in de waarheid te verdwalen, om 
gelijk herhaald te worden, het verband 
tussen antwoord en de vraag.

Vervreemd van oorsprong, als ik 
schrijf vervalt het snel tot leuren, 
getroost met aangereikt gereedschap, 
waarmee ik het vege lijf wil redden,
een niemandsland waarin ik mij waag, 
een handgemeen met taal en tijd om 
die in geordendheid te plaatsen, winst
of verlies maakt weinig onderscheid om 
direct te handelen, anders ben ik het kwijt..

“De taal is een huis, het verdient
wel enig onderhoud. “

Pama














Kunst van het weglaten

Een lentevroege morgen 
nog zonder breuk of smet
ik heb met mijn penseel en
pen een breuklijn ingezet,
de gedachten als aambeeld 
op de werkbank van de dag.

Door klanken licht door de ruit, 
strekt zich een chaos uit, het 
snijpunt van veelvoud, levend
wit en zwart, gevulde caleidoscoop
van een wisselende mozaïek 
met een prozaïsche verwachting. 

Weg naar vrije wil, proeven van het 
bitterzoet in stilte, de gedroomde 
daden maar te laten, als ik dat had 
gewild, maar niet anders gekund, 
laat me schuilgaan in volledig 
zwijgen, als mij dat wordt gegund.

Om in dit labyrint te falen, voor 
zover de muze mij dit toestaat,
ben beducht voor eigen ademhalen,
slaat mijn gedrevenheid op hol 
strooi ik slechts de fijnste zaden,
stof voor nieuwe ongerepte paden.














Zaagselsporen …. (3)

Zwaan bezingt zijn kroost,
zang van zwaluwen vangt aan,
de band te breken.

Ritsels in gebint,
sprookjesboek wat openspringt,
oneindig verhaal.

Portret zoekgeraakt,
jongen met een oud gezicht,
gebleekt morgenlicht

Achter prikkeldraad,
wordt willekeur versneden
tot lappenpoppen.

“ Ieder is het kind van de
rekening zijner daden.” 

S.Freud















Zaagselsporen… (2)

 

Ongeschonden droom,
kasteel aan de hemelzoom,
zonder in – of uitgang ?

Laat kinderen lezen, 
dat zij hun naam en oorsprong zien,
gebeiteld in marmer.

Hoever moet ik gaan, 
blikken uit ogen te vergeten,
wat kinderen is aangedaan.

Oud en vertrokken,
vanaf die tijd gedoofd in mij,
haar zwavelstokken.

Houten speelratels
kleppen kinderdromen
tot madeliefjes.

“ Wie een kind door het duister stuurt
staat in eigen schaduw “

G.B.Shaw











Zaagselsporen…(1)

Zaagselsporen uit
oude beren van de tijd,
doodgeknuffeld.

Kind ziet grootogig, 
haar eigen schoonheid aan, in 
spiegels van geluk, 

Jongen met schooltas,
droomde dat hij kroonprins was,
toen hij Shakespeare las.

Meisje stelt haar vraag,
briefje opwaarts langs een draad,
vlieger die het verstaat. 

“ Liefde is het mooiste kind
van de wijsheid “

Victor Hugo














Zwarte zwanen,

Wie nog tranen over heeft
of daar tegen moet weren,
zal opgaan in een wereldzee,
waar zwarte zwanen leren zich 
te spiegelen met de sterren mee. 

Als beleven kijken is, wijkt
alles voor het nietig menselijk 
stof, géén pakkende gelijkenis en 
worden ideeën snel geschiedenis.

Verleer mezelf niet te overschatten,
verwen dan maar liefst een eenzaam 
kind, is het moeilijk in te schatten
waar je de oprechtste tranen vindt. 

Eerst misgunde ik mij die waarheid, er
bestaat geen wereld in gelijkheid, nooit 
een schoonheid zonder broosheid naast 
de dood, verspeel de tijd met zijn energie 
niet want alles blijft in wezen onvoltooid.









Wallenkant

Waar is de loopplank om als 
dichter bij je aan te leggen, 
helpt de tijdsbrokken te verleggen 
in het onvoltooide droomlied van 
vroeger, als dwaas te dromen 
van reizen om dan te zeggen ik 
ging vrij in jouw wereld rond, 
werd die valreep mij ontnomen. 

Gehechte waarde aan onze stappen
herinneringen aan het onuitgesproken 
woord, leg het dove oor te luisteren 
aan de zeeën van gevleugeldheid, zo 
leg ik avontuur vast in mijn verhaal,in 
de tussentijd een laatste sprong te wagen 
naar de wallenkant, het oeverland van 
woorden die nu niet kunnen spreken, omdat 
de bijpassende oren nog niet zijn geboren. 

” Woorden zijn bedoeld om achteruit 
te beluisteren en vooruit te zien”.

Remco Campert













Geboortegrond ( haiku’s)

Zal de kosmos zijn,
verbindt haar geboortewond,
zonder lidtekens.

Lach op stembanden
lied vastgelegd als zangtekst,
trilt in lendenen.

Etalage pop
haar wereldbeelden beziet,
met lede ogen.

Tastbaar op de huid.
één hartslag voor ons beiden,
geluid uitgediept.

Vertaald in woorden,
een ware levenscodicil,
schelpdier van liefde.

Tweeling uit één schoot,
verkent de geboortegrond, tussen 
leven en de dood.


















Woordmolens.

Vermijd de woordenschat op 
lange duur waarin ik onderga, 
machteloze strijd tegen taal en tijd, 
vaak niet te begrijpen wat te doen, 
vertil me aan een lege letterkast, 
streep de barcodes van gisteren. 

Denk ik de waarheid te benaderen, 
er zijn zo velen, mogen die bestaan
om tegen wil en hoon, de vlinders
van de Muzen aan te mogen raken, 
strooit de zinnen in de goot, die 
verder drijven zonder vlagvertoon. 

Laverend langs de echo’s van wat al 
reeds geschreven werd, projectie op
een blanco scherm, de eindeloze blik 
gericht op sluimerend talent, het hoofd 
getand met lauweren, geloof gevuld 
met klatergoud, die waarheid is met 
ongeduld te denken aan rottend loof en 
meterslange losse einden, blazen nederige
woordmolens nieuw stof in mijn gezicht.











Bladwijzer,

Woordenzon in mij, poëzie 
waarin de kleur veranderd, 
verankerd lief en leed 
tot een homogeen verhaal, 
verslaat vergetelheid tot 
over de grenzen van moraal 
of een ander woord gebruikt
als de toekomst zich ontsluit,
geweven melodie, compositie
van de stilte, boreling van het
zwijgen waarin ik zoveel meer
te zeggen had.

Tot in het beeldend schrijven 
van de rollende golven in de 
dag en tot in het holst van elk 
gedicht, ben er letterlijk voor 
gezwicht, word er door bedolven, 
vergrijp mij aan de bladwijzer
van het tanend licht, daarin is het 
beste nog niet geschreven, het 
ligt ergens verborgen in de taal. 

“ Poëzie is het enige wapen dat 
het woord kan verslaan door
middel van de taal zelf.”

Bertrand Russell










Van boom tot as ?

Krakend ben ik gevallen, te 
vroeg, mijn stammen in de lente,
een droom droeg mij weg op
vlotten, op een bed van kale takken,
waarop ik het avonduur op schreef
langs steile oevers waarlangs ik dreef
langs wolkenloze nachten,
langs de schroom van liefde
naar de droogten van de zomer.

Zal ik mijn hout met mededogen,
tot vuurvonken hakken, tot 
op een winteravond, zal ik 
gloeien in jouw warme haard,
hartverwarmend zul je nestelen,
tevreden in mijn diepe stoel, je 
voeten warmen aan mijn 
onverteerde as, waarin je mijn 
visioenen las, is het heerlijk niets 
te hebben en niets te willen, samen 
te verwaaien in osmose van licht, die 
vreugde is het doel waarvoor ik voel.












Boven de taalgrens

Tergend langzaam worden 
gedachten weer begaanbaar,
verbleken metaforen in de tijd,
zwerven purper deeltjes taal
in kortstondige regenbogen,
gekastijd door toevalligheid, 
kwinkslagen schieten droom –
kastelen aan flarden, associaties 
van herinneringen uit het niets en 
uit wollige kluwens van overtal
en hernieuwde nalatigheid.

Toch weer dezelfde clichés te 
vinden en de woorden goed te 
praten om vergankelijke gedichten
te vullen die kennelijk zijn zoek 
geraakt, boven de taalgrens waar alles 
ijl is, vrij te ademen soms in oeverloze
regels die geen twijfel overlaten.


“Soms dicht een vers zichzelf en
soms slaat de dichter dicht ”

Pama















Begraasd ?

Zinnen, geef mij een mantel
als een gulden vlies om mij 
heen, onzichtbare huid uit 
het verleden, de morgen lijkt 
eerder dan voorheen, zal
hopen dat de nacht sneller valt.

Vooruit te lopen op de toekomst
zonder kwetsbaarheid, word ik
hoge priester op de schreden van 
de lente, snoer ik onuitgesproken
woorden om mijn middel tot een
levensgordel, waarmee ik leven 
moet in eigen vooroordeel.

Te kiezen, te delen om mijzelf 
weer te verliezen, maar wat geeft
het, want ik lijk – in de verte – 
niet op die iemand die ik ken, 
waait het stof op van alle dagen 
en slaat de tijd mij terug, zonder 
dat ik weet waarheen. 

Het licht wordt stil omdat het woord 
zwijgt, zal ik opstaan als het duister 
stijgt en zal ik moedig zijn en vooropgaan
in een innerlijke strijd tot het pleit is 
beslecht ? Ben ik het groene gras dat 
door de wereld wordt begraasd met een brok 
van een onverteerde waarheid in de keel ? 

“Er zijn mythen en de werkelijkheid,
wie houdt ze uit elkaar ? “

Orson Welles.












Diafragma

In het licht van de leeg 
gewaaide januarilucht, de 
ijsblauwe zon net onder,
de sterren lui en nog niet op,
het doet er weinig toe hoe ik
mij voel, met wie of wanneer 
ik de dag zal delen of dat ik 
er morgen nog zal zijn, of ik
de ontnuchterende morgen kan 
velen, ben ik een makkelijk 
te verwijderen beeld op de 
hemelse camera, waarmee 
met een kritisch diafragma, 
mijn zekerheid wordt gewist, 
ben bang dat ik, als eerste, 
zal worden afgewezen.

"Waar je ook gaat, je neemt 
hemel en aarde met je mee".

Plato












Duizend en één,

Gelegen, naast je in het bed,
zag ik het uurwerk lopen op je slapen, 
bewijs van het kloppen van je bloed,
een oceaan van gloed, waar getijden 
tot elkaar komen, om de hemel 
op te rapen in een bonte stoet. 

Samen vloeien in één adem, in een
moment van tijd die even niet bestaat,
op zachte kousenvoeten verder gaat,
vermomd achter de uitgeworpen kleren 
op de plankenvloer, onderworpen aan 
de glimlach rond je mond, jou zo uit 
duizend en één nacht te herkennen. 

De morgen kleedt zich in velours van 
stilte, de zon drapeert z’n stralen in 
de bedstede, tekent ornamenten op 
een vergeeld plafond, vluchtig contrast 
van vlinderachtige licht, de nieuwe dag 
heeft zich met open armen opgericht, 
om ons z’n beste uur te gunnen.














Onverslijtbaar, onbreekbaar.( Haiku's)

Scherp als de zinnen
verwoestend als de bliksem,
zachtheid in een woord.

Verstild in ruimte
leegte zonder verdriet,
gewogen door beweging.

Leven dwaalt te ver
vertaal mijn oude angsten
in een nieuw akkoord.

Verlicht ijskristal
als reisgezel van een nacht,
dan vloeibaar verder.

Eierschaal gevuld
met zongekweekte tranen,
gedroogd in eigenheid.

Vroege herinnering
onverslijtbaar, onbreekbaar, 
toetssteen van wijsheid.

Naam van kinderen
vergeten in onwetendheid, 
verlicht de notendop.











Dezelfde passen ?

Te gewillig liet ik mij verleiden, 
in een bekoorlijk, tevens gevaarlijk 
spel, ik was te gretig, te roekeloos,
ook al wist ik dat wel, ben daarom 
de zwakste schakel van ons beiden.

Het besprong me onverhoeds en snel,
geen tijd de aanval te vermijden, soms
kan en wil ik niet meer bevrijden, de
pijl trof doel, onbewust en onstuitbaar fel. 

Te laat, er valt weinig meer te kiezen,
voel de doodstrijd in mijn hart, laat het 
bloed eerst bruisen om dan te bevriezen,
een pijn die tot stikken toe benauwd.

Gisteren nog te vroeg en morgen te laat, er 
komen ogenblikken dat een van beide de 
competitie lijkt te verliezen door te wijken 
voor een andere dans, om daarin te bezwijken 
met berouw vervuld.

Toch in de rol te schikken, met herhaling 
van de passen, kennelijk zijn we in dat ritme
het beste en daarmee het meest vertrouwd.

“Gewoonte is de leider van de tweede natuur, zoek 
naar een derde en wissel eens van danspartner”


















Een woord ?

Ik weet niet of er 
zinnen bestaan die de 
geur van je huid kunnen 
vangen, de bewegelijke 
spirit in je ogen, een bron 
die wordt verwend als 
de prille knoppen botten, 
het fluisterstille gebaar van
mijn vingertoppen in je 
rulle haar, de koelte in de 
schaduw van je oogleden,
die altijd te beminnen.

Als ik daar een klank 
voor vond, als bede uit te 
preken op een zonnetrede
van de lentestond, die te 
beschrijven op lelieblank
perkament voor alle uren 
als je mij niet kent, als ik 
dat woord mocht vinden, 
vraag ik jou dit verlangen
te verwoorden, wat eerst 
niet over de lippen kwam,
te spreken uit jouw mond.
















Liefst nog vandaag

Onheilspellend laag
hangt de humane zon
boven de graven aan een
getergde en verre horizon,
regeltjes tooien hun scherpe 
doornen over mensen die de hoop 
al hebben verloren, het lijkt een 
kleine daad, misschien wel een 
druppel op de aardse gloeiende 
plaat, geboren uit de wanhoop 
van verwachting in het licht van 
een uitgestoken hand mag gloren. 

En uit te vloeien tot een ware 
vloedgolf, die bijdraagt tot een 
aardverschuiving om onze ethiek 
te verzwelgen, dit onveilig signaal 
het tij zal moeten keren, voordat we 
ingeslapen zijn, daaruit is nog veel 
te leren, misschien in een andere wereld 
als dat kan, liefst uiterlijk nog vandaag.

Naar aanleiding van de mogelijke
uitzetting van de zieke Abiram , 
8 jaar oud uit Sri Lanka. 














Adempauzes ( Haiku’s)

Bodemloze put
te verdrinken in je ogen,
wel zo makkelijk

Overtollig woord
ingepakt en uitgekleed
tot naakte waarheid.

Winterzon tekent
mist op een bladloze tak,
schildert zonder kwast

Mijzelf verloren,
kwam de dood tegemoet, ook
hij scheen de weg kwijt.

Gaf haar twee rozen,
dankbaar gaf zij mij één zoen
houd nog wat tegoed.

Stilte tussen woorden
in brede zin, daar put ik 
de adempauzes uit.















Meesterhand

Ze kneedt haar klei, in de ogen 
van verwondering, omlijst door 
een ranke schoonheid, polijst 
door ranke handen. 

Geroerd door water uit de schaal 
van broosheid, het aanzweet gestileerd
tussen schuld en goedgelovigheid, 
in de creatieve verwachting te zwerven 
door haar onschendbaarheid. 

Het licht laat dolen door de toekomst 
van de kosmos, ze ontleedt de eenvoud 
aan de betrekkelijkheid en los van
zelfgenoegzaamheid,.


Ze steelt het vuur uit vruchtbare grond 
voorbij de norm en middelmaat, heelt 
de aarde in onbewerkt gebied, waarmee
met meesterhand de liefde is geijkt. 

Ze reikt de kunst met uitgestoken hand, 
oneindig verder dan men ziet, ze baart de 
vrijheid uit de simpele klei, een nieuwe vorm 
ontstijgt haar ziel, iets anders kent ze niet.














Ballonnen vol confetti,

Bewoon het klimaat waar ik in 
schrijf, in de kleuren waaraan 
ik ben gehecht, geloof in feiten 
en non-fictie, met een eigen 
dictie van de realiteit betaald
maar evenzo onecht, perforatie 
van papier met de pen en gevonnist 
tot de prullenbak, mijn schrijvers 
loep stelt elk detail in een scherper 
diafragma vast, versnippert de 
verheven kunsten, dingt naar de 
gunsten van de muze, gefilterd uit 
de letters van de moraal, verknipt tot 
confetti en gestrooid over de hoofden 
van een beeldverhaal op mijn levenspad, 
in elke stap verstrooit de geletterde 
wind alles wat ik reeds geschreven had 
na wat ik koos, maar net niet schrijven 
kon, opgeblazen ballonnen vol confetti, 
uiteengespat en gezaaid in mijn woorden – 
schat, herschikt naar beeldspraak van de 
tijd om de juiste taal te vormen, wat er 
overblijft is voeding voor de wormen.


















Zielekruimels

Zij heeft haar rondingen bloot
in een horizonloze verwachting, 
ze nam de blanke sneeuw uit haar
boezem, verdeeld tussen zon en 
maan in de levende en de naakte 
nachten, zekerheden ver van haar 
vandaan, geketende geheimen 
door anderen verteld, ze streelde in
gedachten de mildheid van de dromen, 
nipt met de lippen van het bloed uit 
de tijd om niets te willen missen,
geborgd in eenzaamheid, zij verzorgt 
het komen en het gaan van de passies 
ze draagt in blikken trommels haar 
vermoedens om de hals, waarmee zij 
de zielekruimels van het lot aan de 
vogels voert. Buiten bloedt de winter 
leeg, in de uitgestoken hand van de 
vroege lente verkleurt haar droefenis 
tot bottend groen, kornoelje geurt naar 
haar en naar de dauw, ze blijft de 
gekozen aarde getrouw tot de dood.

“Schoonheid is een ander woord
voor de vrije fantasie van gedachten.”






  





Dualiteit (Koans)

Bladstil, ik zie niets
alleen de zwijger zwijgt,
ik kan hem horen.

Ogen van mensen
zien de blinddoek van hun god,
van eigen schoonheid. 

Liefde streeft ernaar
al het eerdere streven,
achterwege te laten. 

Een vroege vlinder
accentueert tijd met beweging
sculptuur van het licht.

Gericht op eigenwaarde
ben de sterren vergeten,
maar herken het licht.

Al vervalt tot een,
dat ene keert tot alles,
voordat het verscheen.

Zicht op dualiteit
bespreekt de moeizame weg
tot individualiteit.










Parelmoer.

Steeds als je mij met je ogen raakt 
wordt ik als kristal en doorzichtig,
transparant, waarin regens licht
door alle bloedbanen stromen, om
uit te uitmonden in de delta van mijn 
amazone en in de druppels van haar 
regenwoud, overleeft ze voorzichtig 
in de parelmoeren palm van mijn hand. 
Kijk, het water ademen waarvan we 
zijn gemaakt, nog aarzelen onze lippen, 
eens zullen we elkaar drinken, maar 
misschien zijn we morgen al te oud.

Jaren later, een beetje ouder
op een klinkende dag, vol met
een herkenbaar geluid en de
geuren van je aanwezigheid 
in de boezem van ons huis, 
drong je helderheid in het diepste 
van mijn bron, lispelend zacht 
werden je ogen, waar vloeibaar 
parelmoer aan ontsprong, verscheen 
je even ten voeten uit, verwachting 
ingelost te dromen van omzwervingen 
die nog zullen komen, in de peilloze 
schaduwen van je ogen, mij verzoenen
even bij je stil te staan, voor je me 
verlaat, beloften na te komen, in de 
schaarse tijd die de dood mij nog toestaat, 
waarin ik mijzelf niet kan vertrouwen.
















Schuchter bewoon ik de
verlaten vlakten, er is niet 
meer te verlangen, ook niets 
meer te verwachten, dit 
niemandsland kan ik niet ruilen,
voetstappen hangen als gedempte 
geluiden in de mist, onbekende 
stemmen van vroeger vrienden 
dringen tot mij door, waarom 
zou ik antwoorden om met hen 
weer te huilen of te vrezen boven
houten kisten, daar ontbindt het 
verleden zich in de toekomst. 

Blindelings levend, in het verlengde 
van hen die voor mij gingen tot hun 
dood, verwijder mij stilzwijgend 
van de vragen in mijn hoofd en 
van alle graven neem ik afstand van 
wat ik moest beloven, onmerkbaar 
de weg van het mijne, toch blijf ik 
ademen, lach ik uit gewoonte, dat is
misschien nog het ergste van alles.








Appeltje schillen ?

Uit de chaos van het vuurwerk 
de flappen en de bollen,
met een voorgevoel opgestaan,
zintuigen en gordijnen open om 
het wereldnieuws weer op te slaan,
filterend licht breekt door om de 
geluiden te verstommen, met een 
helder doel de eerste dag te verslaan, 
gister bleek de toekomst zich achter 
voornemens te vermommen, vandaag 
komt het erop aan, vallen maskers, 
zoals het is geworden, nu wordt het 
anders en valt de peuzel op z’n plaats,
zal gebeuren zoals we voorspelden
en willen, met het verleden hadden we 
nog een appeltje te schillen, nietwaar?














Zonbeschenen, (Haiku’s)

Zee kun je horen
handen voor beide oren 
in kokkels bij zee.

Hond, die onzin blaft
tegen ontvreemde manen,
gingen hem voorbij.

Zonbeschenen steen,
heet zonder af te koelen,
zijn wij, in het nu.

Boot, die het land verlaat,
zon die op de toppen schijnt,
gevlucht zonder doel.

IJverige mier
die met dode vliegen sjouwt
wordt een centaur.

Naast mijn schouder loopt
een vriend die niet meer bestaat,
straks word ik ouder.

Ganzen in vijvers,
wat kunnen ze foeteren,
bemoederen kroos.














jaarspiegel,

De stoutste dromen die ik droomde
bleken fundamenten van een oud verhaal,
in de beleving opgeklopt tot Kathedraal, die 
oprijst uit de schimmen van vergetelheid en
van de tijd, dié onverzadigbare gastronoom,
met zijn meedogenloze paukenslagen van 
herinneringen aan chocolademelk, wat
uitsterft in een troebele tempel van mijn 
horizon, in contouren zie ik steeds beelden 
verrijzen, een wederkerende droom, een 
drempel die onherroepelijk mij is geërfd, 
bewijzen dat de laatste tonen mij verraden, 
verlangend naar een voorbestemd gemis, sla 
ik mijn hunkering gade in de jaarspiegel, 
wend het gezicht af van dezelfde gelijkenis.














Verveling?

De hoogste piek van berusting
zal ik niet bestijgen, ik blijf
steken onder de toppen van 
herinneringen, doemen de 
schimmen op van het verleden,
peinzend tuur ik naar boven,
om te ontwaken - op de door 
de tijd - versleten treden en op 
een mistige winterdag, verlaat 
ik mij op de dromenmaker die 
ik op de helling zag, ‘zeil ik ab ‘ 
langs versteende gletsjers, om 
uiteindelijk op het gladde ijs en
door het doolhof van mijmeringen 
te dwalen, scheer ik langs de diepe
dalen van goede bedoelingen die aan 
mijn moed voorafgingen, verstomd in 
eeuwig zwijgen van een stille wereld 
en in de verveling van mijn paradijs.














Natuur is in gebed,

Als de vorst z’n kroon afzet,
voor een schaduw van wie 
daar gaat, ingepakt in stijve 
kleren voorzichtig over 
straat, het hoofd in livrei 
verbonden, stram als een 
lakei, onder witte mutsen 
door de sneeuw gehaakt over
de tuin en schutting allebei,
laten zich verdwijnen over
glibberige paden heeft ook 
zijn stil verlies gekend tussen 
vervallen muren, strijdt de dag
in de hengsels van de tijd,
gefixeerd in bevroren regen
want als de vorst z’n kroon afzet, 
bevriest de dood slechts een 
ogenblik, verkiest alleen zijn 
duistere wegen, natuur is in gebed.













Boodschap?

De boodschap trof haar als een dolk,
een pijl die trillend in de roos blijft steken,
soms gaat zij varen op een grijze winterwolk
gehuld in sneeuw, langs witte hemelbeken,
koos zij voor het zonlicht in haar hand, die 
haar een helder en fonkelend uitzicht bood,
door liefde overmand een altijd brandende 
diamant, die zich liet ontvallen uit haar 
schoot, eten de mensen uit haar hand. 

De witte zwanen zweven om haar heen, 
die de halzen en de vleugels strekken, 
zweeft zij mee omhoog naar niet ontdekte 
streken, er is iets - in haar - wat naar de 
wereld trekt. Wat later staat ze onbewogen, 
vol verwachting aan haar raam, op de 
lippen fluister ze een naam, er welt een 
traan in haar blauwe ogen, een Messias 
wordt niet voor de tweede keer geboren .














Voetafdruk

Seconden gaan te rap om 
de uren te vergaren, wat ons 
bindt is tijd, gesponnen op 
spinnewiel van het oude, - en 
het nieuw jaar, als we ons in 
vluchtigheid ontmoeten dan 
zwaaien we misschien wel 
naar elkaar en terug, al 
moeten we bekennen dat we 
elkaar nog steeds niet leren 
kennen, wat mensen scheidt is
gezaaid door onbekendheid en
angstige gedachten om samen 
door die ene poort te gaan, die
alleen door moed opengaat, één 
universele habijt om te slaan om
niet in het bloed van eeuwen te 
verdrinken, dan vervagen angstige 
gedachten in beider voetafdruk in 
de stuifsneeuw om als fijn kristal 
te laten klinken. Was dat niet de 
boodschap uit een herderstal ? 

Uit mijn bundel:
'Is mijn oude jas wel versleten?'














Doornen van de roos, ( Haiku’s)

Doorn van rozenstruik
aureool van eeuwen strijd 
hoop in druppels bloed.

Onuitgesproken
zoals de decemberwind, 
woord op de lippen.

Het ‘zelf’ zonder vorm
niet de dood te verzwijgen,
in ongeborenen.

Gedreven wolken
biedt vredebewonderaars
hun rustpauzes aan.

Moeizaam beklom ik
steile heuvelen, bewonder
braamstruiken in bloei.

Sneeuwjachten plukken
van witte bloesem hun kleur,
schoonheid blijft bestaan.













Niemandsland ?

Steeds sneller en pijnlijker 
dan ooit, onderwerp ik mij 
aan terugkomende vragen, 
zinvol of zinloos, beide dragen
bij tot de aard waarvoor ik koos,
tot het lijden is verjaard blijft 
de gekozen vorm van schijn 
onvoltooid, knelt het geweten 
en de tijd haar ongenoegen telt, 
het hoofd ten ruste legt op mijn
levensloop en ik de knopen draai 
om niet te vergeten, zal ik blijven 
zoeken en is het de moeite waard 
in het onbekende door te dringen, 
gemaskerd in de schaduw, achter 
de dagelijkse dingen, al zijn ze 
klein in schoonheid, zal ik dromen 
over grenzen heen, een geluidloos 
gevecht tussen verwachting en 
wanhoop,waaraan ik ben gehecht, 
een niemandsland ver weg van 
mij vandaan waar het woord 
"hoop" opnieuw wordt gespeld.













Zonder schroom,

Vluchtige, schuwe schaduwen
waarvoor de nacht de ogen sloot, 
glinstert kristal van aardse
sneeuw op zerken van hen die 
wakker leefden en zij er boven, 
wier gemoed in aarde slaapt, 
licht hernieuwt zich in z’n baan, 
de tijd waait de nieuwe dromen 
schoon, op hun hoofden rust de
luchter van een keizerkroon, het 
zicht op de kortste dag is dood,
het heeft zich uitgeput en laten 
kussen in de langste nacht en 
verlaat ons zonder schroom.














Kruiend ijs

Noordenwinden gieren zoals ze 
meestal waaien en zaaien twijfel 
in het hoofd, spoken sluipen door 
de kieren, magere lijven gekluisterd 
aan ketting van de tijd, glippen
langs de gekozen paden om de 
daadkracht in te lijven, slierten 
wierrook waart langs vagevuur 
en blinde hellegaard, dooft de gulle 
lach om al té vastberaden lippen, 
maakt dat ik dit niet kan verklaren, 
waarom ik in de nog te tellen uren
niet mag blijven zwijgen, ongezien, 
en ongehoord is niet beluisterd, 
hete as wordt grijs en het eens zo 
stuwend bloed stolt tot kruiend ijs, 
bewijzen in mijzelf ontluisterd.
















Ondeelbare gedachten

Het lijkt allemaal vreemd,
ideeën en wetten gespeend
van naam, ongrijpbaar, wie
zal weten hoe het er voorstaat,
vervreemd van sterren, daglicht
dat in het avondrood opengaat,
in gezicht van goden die verdwijnen,
overdaad in verholen stilte, vergaat 
weer in een nieuwe vraag, hoe zal deze 
in een andere vorm verschijnen?
De tijdelijkheid van het gerijpte gras,
bloot te staan aan ondeelbare gedachten,
levend wit wat eerder groen blozend was,
de plaggen zijn nog vers en onvolmaakt, 
als de doden zijn geborgen, voor ons 
zelf te zorgen in een niet volmaakte dag.














Winterslaap

Ach de liefde, opwindend
dichtbij en wat onbereikbaar,
zoals de sterren staan,
vaak niet met het blote oog
te zien, als levend stof
van licht voorzien, waar
uit ik dagelijks ademhaal,
verkleeft met de schemer
van de wintertijd, getekend
in het eelt van beide handen
wat zienderogen vergeeld, 
wordt het weinig van de zon 
in zijn lankmoedigheid ons 
toebedeeld, wordt vruchtbaar, 
als we worden bevrijd uit de 
hardnekkige warme schoot 
van een lange winterslaap.












Geaderd marmer ( Haiku’s )

Wie de sterren in 
de ogen kan zien, baart het 
kind van de aarde.

De tijd schiet gaten
in het heelal, waardoor 
de eindigheid schijnt.

Mensen hebben hun 
parasols geplant, zon schijnt 
op een halve bol. 

Zon lekt over graven,
tekens van ontmoetingen,
geaderd in marmer.

Vermoeid licht rekt zich 
in luie schaduw, herpakt
glazuren dagen.














Intens ?

Als de dood mij vraagt
alvorens mij te komen halen;
"hoe heb jij de tijd behaagd?"
zal ik moeten zeggen;
" Als ik ben gedwongen
mijn streken af te leggen
de poëzie heeft gewonnen."

Als de dood weer vraagt:
"Is het niet wat overdreven
in het leven, zoveel energie 
hieraan te geven?”
Dan is het antwoord heel beslist:
"Zonder deze odyssee, waarin 
dichters wel eens overdrijven, 
naar ethiek en geest de pennen 
blijven slijpen, de taal en teken
in hun voortgang te laten weken, 
in het onbewuste te laten rijpen,
maar op het juiste uur geoogst,
tijd en dood kan overstijgen, een 
immense reis intens beleefd, blijft 
het een troost, dat in mensen, 
de daad in het dicht herleeft 
en nooit kan worden gewist"

“Een gedicht herhaalt 
  alle gedichten “

Harry Mulisch














Zonder voorbehoud,

Gisteren zag ik haar werkelijke 
gelaat, waarachter appels rijpten, 
haar contour sneed door mijn blik,
gloeide na in een ondergaande snik 
van zonnen glanzend in de ogen, passie 
gehouwen uit geaderd marmer, polijst 
verlangen in een tijdloos ogenblik, het
bloed als onstuitbare beek die haar 
bedding kweekt, onverzadigd als een 
ster die met haar schaduw breekt. 

Geen misvorm in haar leven, misgunt 
mij niet de illusie waarom ik vroeg, 
gekweekt uit de duizend schoonheden 
die ze droeg, uit elk van hen een nieuwe
levenskleur ontluikt, de adem van de
wind steels haar wangen vindt als zij zich 
vangen laat, raakt alles ondergeschikt 
aan de geur van erotiek die ze 
zonder voorbehoud predikt.












Vrucht zonder pit?

De aarde, blauw aangezicht
in het kosmisch kille licht, 
ik wrijf je warm, op de vlucht
tussen de planeten, waarvan we
de namen kenden en toch weer 
zijn vergeten, ik dicht een 
arm om je middel heen. Zijn 
wij nog dat argeloze kind, dat 
zich aan haar wil kon overgeven ?
Daarin komen we liefde te kort, 
een woord waarom gelachen wordt, 
het blauw wordt ijs, daarna grauw,
niet in staat innerlijk te bloeien, in
de kou wordt alles ontkent, vruchten 
zonder pit, de aarde in twee delen 
getekend op oude perkament, is 
dat de band waarmee het leven ons 
aan een wereld vol geheimen bindt?

“Daardoor is de wereld juist des te 
mooier dat zij een geheim blijft."












Volmaakt gerijpt ?

Kleine Ster, we zijn lichtjaren zo ver
van elkaar, als polen op een oude planeet,
een stap zo dichtbij, als het oude – en 
het nieuwe jaar, duidelijk gericht op
twee profielen uit één gedicht, versmelting 
van parallelle gedachten, verschrompelt tot 
een doel van beider harten, drinkbaar uit 
de poel van klare wijn, een volmaakte 
afdronk, gisting van een gerijpt festijn.

Overstijgt gevoel, om een gelijke
horizon te zien, wat een begin – en
tevens eindpunt zou zijn, ook weer
vreemd en gênant als je die vrijheid 
claimt, verwant aan gongslagen van 
verandering zoals we die in elkaar
herkennen, om het mechanisme te 
verleiden, de wijzers van het uurwerk 
– tijdelijk - te stoppen, pijn te mijden,
die van tijd en ruimte te scheiden, in de 
stilte van de schoonheid te verdwijnen,
om de natuurwetten te foppen.









Insha'Allah ?

Gezichten in een gloed en
waas van kaarslicht en wierook,
bedachte stemmen weven het 
gesprek, niets dat mij kan raken, 
niemand om bang voor te zijn, 
op één gedachte na die ik niet 
kan remmen en door mijn ogen 
vlucht naar de leegte van het raam .

Daarachter in een dal tussen hoge
gevels en spitse daken steken minaret
en kerk de vingers vermetel op om als 
hun God het wil - als enige - de hemel 
aan te raken, in de witgevlokte najaarslucht,
het haantje draait beducht op het kruis zijn
ronde in de weerschijn van de halve maan, 
het lijkt of zij beiden een val hebben gezet
om mij in dit late uur nog te bekeren, 
in dat idee van het ware woord en een
ethisch leven, wat verder gaat dan nu.












Als de tijd rijp is,

Als de tijd en maat vol is
het seizoen rijp en de uren 
gunstig staan, werk ik een 
aan een symfonie, in een
wervelende universele ouverture
wat onmerkbaar de vervelling 
van natuur en de verveling van de 
mensen tegenhoudt, compositie uit 
de achterkant van mijn repertoire, 
noten van melancholie, ontsproten uit 
de couleur locale, een roes waaruit 
het onmogelijke mogelijk lijkt om
vrede te sluiten met het bestaan, wat 
recht geeft aan volstrekte zinloosheid 
en daaruit haar zin ontleent, hoe 
ver ben ik daar nog vandaan?

“Tijd heeft slechts één abstractie,
wij maken er honderden van ”.









Jutters

Gedachtenstromen lopen niet 
parallel met de getijden, 
lijken stil te staan, kosten 
kracht om tegen moraal en 
mening in te zwemmen, als 
drenkeling - op nog te ontdekken 
kusten - te vondeling gelegd. 

Drijfhout van onmacht 
ebt mee naar open zee, 
waar de verstekeling uit 
ervaring leert dat gevoel 
en wijsheid zich niet onder 
een paraplu laten scharen, 
alleen uit een tolerantie, 
zijn visie moet vergaren 
in een nog te componeren 
refrein,waar hoofd en hart 
één kussen van de rede zullen 
delen, boodschappen verpakt in 
transparante flessen, voor de 
juiste jutters te vinden op 
een denkbeeldige vloedlijn.












Zuurstofrijk

 

Ach die tijd, onze tijd
van ondergang en overgang,
scheidt de dag de dauw die 
we vertrapten, in de middag al 
verdampt, klampt zich aan
het tempo van elke hartenklop 
waarin we mochten hopen, 
wat in elke seconde start en 
eindigen kan, in de avond ligt de 
overvloed met ivoren plaveisels 
ingelegd en in de kristallen nesten 
waarin we rouwden, in de avond 
weer geslecht, resten de morgens 
waarin we lachten en steeds hoger
bouwden in het zuurstofvolle bloed 
van liefde en herkenning door beider
rijpende navelstreng gevoed .


“Men laat slechts uit het hart lezen
als de ander zich daar in laat kennen “










Zilte voeten,

Wij leefden, grazend als de dieren
in het stille dal van een duinpan,
spelend in het licht en zon en met
elkaar om steeds een eerste bruiloft 
te vieren, beschut tegen raadselen 
van de toekomst en de wind, wie van 
ons het ruisen van de golven, het spel 
van elementen wilde zien, besteeg 
het helmgras naar de top, tuurden 
naar de kim en verder tot ons andere 
werelden invielen en naar de zilveren
meeuwen keken om hun zwaartekracht
te meten, de top van het duin was de
troon, soms onbereikbaar en vol hoon,
een zeewering tegen verdriet,
om die eerste stilte te ontmoeten, 
de getijdenbries op zilte voeten..














Maat - en meetlint

Zinnen, geef mij je woorden
terug, huid van perkament
een lege slaapzak op de rug, 
om inzichtelijk te worden 
blindheid op het papier, het 
wordt me aangepraat misschien, 
geblinddoekt naar een einde 
streven naar gelijke strofen
en ik de inhoud nog niet zie 
en me op de private tekst verlaat, 
het ene dicht de ander toe in de 
maat- en meetlint van de poëzie,
fluitend riet waar de wind van de 
me toegemeten tijd in blaast, steeds
hoger en altijd gehaast, reikt naar 
de toonhoogte van mijn verdriet en
naar een remedie tegen dyslexie.









Vuurkorf


De winter telt de roest 
door de ruit en in de nerven 
van de transparante jaren,
waarmee het seizoen vervelt 
tot in de huid, strekt zich op 
duizend vleugels uit, warmt 
zich bij het reinigend vuur 
van de winterbruid om de 
herfstmuze uit te luiden,
klinkt als vrolijk lied wat op 
z'n toverfluit de glazen telt,
kristalen tonen over bladeren, 
schrijft een naam met houtskool 
naast de hare, houdt de luiken 
dicht voordat de noordenwind 
de as van letters veegt, de liefde 
haar lichte wieken weegt, 
verzuchting naar het lonkende 
zuiden, waarna de uitgebroken 
lente de vuurkorf leegt om z’n 
temperament te openbaren.


“ De natuur is ons levende temperament,
zij weegt de veranderingen “

Paul















Nectar en ambrozijn

Geen schaamte ligt in eerbaarheid 
als hij zichzelf tot koning kroont, 
de (wan) hoop van een stijve, voor 
de spiegel of voor een vrouw, bij 
het verlaten van de intieme woning,
voor dag en dauw, een bekroning
van het pochen van een pauw in een 
kleur die met veren wordt beloond de
verzadiging ondervindt hij aan den lijve.

Een vrouw liggend in het warme zand,
beweging over blanke heuvels en zachte huid
in de virtuoze zetting van haar hand, voor roos 
en rozengeur, de nectar en ambrozijn waarvan 
hij blind blijft proeven voordat hij de ogen sluit.

Nooit wordt dit beeld verstoort wat in 
de niches van de geest een mythisch 
raadsel blijft, een weergaloos moment, 
ontrekt zich aan de zwaartekracht waarin 
geen schaduw kleeft, op intuïtief gevoel z’n 
lichaam leest, bewust te zijn dat hij leeft.

“Liefde verkwikt als zonneschijn na regen “

W.Shakespeare



 








Iemand anders?

Zo-even ontwaakte ik zo zacht,
ik dacht dat ik kon zweven, waar 
eindigt de dag en begint de nacht
in hoeverre reikt de macht tot leven?
Kan ik de noorderzon nog raken, het hart
te groot, omdat ik mijzelf er buiten sloot,
verloren in de nevel van de atmosfeer, 
aan de overzijde lonken groene weiden,
beweeg het aangeboren leven heen en 
weer, zwijgzaam roepend, in angst 
een andere stem zou horen, als ik 
in iemand anders was geboren, om 
mijzelf te vermijden, schudt een droom 
mij wakker, waarin ik wordt herkend


“Een mens is een gevallen blad die 
zich soms de boom herinnert.”

Paul













Binnen de krijtlijn ?

Schrijven over geloof
en waarheden, dichters
nemen het brein in eigen 
hand, woorden kaarsvet 
lekken op geschreven
tafels, waarmee papier is 
bevlekt, in de kantlijn van 
een verstilde melancholie 
omfloerst de glorie als 
zij de nacht weer doven, 
tevreden achterover leunen, 
om daarin zelf te geloven , 
steunt op een onvolprezen 
goed, wat uit de mond en 
ogen bloedt, de zinnen
te wegen in de zonvloed 
van het levensbloed, zwijgen 
als we dat verstonden, binnen 
marges en de krijtlijn van
talent, wordt gejaagd op
blanke bladen koele vellen, 
blauwdruk van een literair 
verlangen wordt de scheidslijn 
weer vervangen, weggepoetst 
wat is neergeschreven ook wat 
de prullenbak niet vrat, heeft 
een kort bestaan, onverschillig 
voor de dood of leven, warm 
of koud door niets ontroerd.

"Goede literatuur bezit het vermogen ons
met andermans ogen te laten zien."

Gerrit Komrij



 








Ze bewoont de stilte.

 

Ze bewoont de stilte,
ze bedrijft haar moraalvoor
mij in een nog te o
ntdekken taal.
Hoe is het wonen in
de stilte, vroeg ik haar? "        
Geen geluid kwam
over haar lippen,
toch antwoordde zij:
- Als ik in de stilte
van de sterren woon
is er geen geluid
meer nodig om de
alles omvattende
leegte te verwarmen,
daar buiten heerst
alleen koning winter,
daar ben ik eeuwen
lang vandaan, alvorens
om tot mijn kindsdom
terug te gaan, zal ik
immer zwijgen en alle
geluidloze woorden in
mijn grafsteen krassen,
om onuitwisbaar
alle grond en gave
schoon te wassen.-















" Opus dei "

Haar mond ontvlucht,
zwermen witte vogels
in wit brokaat.

Volle moederborst
begeerlijk voor het mensenkind
altaar van de zon. 

Onbezonnen zijn,
het witomrande doodskleed
in de knop te sterven.

Kweek zoete tranen
in een kelk, dag tot dag
het brood van schoonheid.

Tussen de lippen
kastijdt een dorstige ziel
‘Opus dei’ in verwijt.


 








Trajectum ?

Ongeëvenaard in aard, 
stuwen oceanen bloed 
door beddingen, gedenktekens 
zonder bestemming, merkstenen 
van tijd, geërodeerd tot stof, 
gedragen tekens vloeien
door de argeloze dagen. 
Het ‘zijn’, heeft een nieuwe 
betekenis en woorden nodig, 
om te bekeren en de leegte 
te omarmen, de hemel taant in
kracht als ze veroudert, vingers 
wijzen naar de voortekens dat 
werelds macht verkeken is voor 
leken, wanneer je goed z’n 
bleekheid leest, vloeien tranen 
in het tanend schemerlicht als 
vrijgeleide, naar een eindpunt 
waar de stilte wacht, het leven
zwerft langs wegbewijzeringen 
van het lot, wie de dans 
van de woestijn doorstaat, 
draagt de zon in beide ogen.









Literair onkruid ?

 

Aarde is hij, gestampte vreugde en verdriet
geur van grond en late teelt van gisteren, 
een visie op de onontgonnen velden van z’n 
te vormen taal waarin hij het onkruid wiedt. 

De woorden ontstaan in trage groei, maar
breekt de muze open, gebaard in het labyrint
van de lome emulsie in z'n literair bestaan,
daar komen bottende pennen tot bloei.

Theatrale inkt wat de dramatiek herschrijft
wat verloren gaat in de overspelige vlagen van 
de wind, weerlegt de wereld in de holle frasen
van de ironie waarin hij cynische tonen legt.

Zwoegt hij voort als regeldanser in pulserend 
evenwicht, ploegt voort als gulzig dromer, die 
spoort tussen de leugen en de eigenwaarde,
in een tijdloze carrousel van realiteit waarin 
de proza het best gedijt, maar hij als verrader 
met de voldongen waarheid achterblijft.







Contouren,

Wie bij daglicht de 
gordijnen van de
wereld sluit en de 
kaars zal doven, 
beleeft de toekomst 
in een droom, een 
vermetel gebaar om de
tijd te willen ophouden, 
verwijzing naar vroeger 
eeuwen, zo de mythe wil
geloven om in elkaars
armen en gedachten te 
verstenen als lot, dat 
geluk niet zal benijden, 
vandaag te beitelen in
contouren van de morgen
vloeit samen in een angst,
in duisternis verborgen,
te verliezen en te wenen,
terug te kijken naar alles 
wat men heeft lief gehad 
en misschien zelfs meer 
om zich te bevrijden.

“ Geluk is niet een ideaal van het 
verstand , maar van de verbeelding."

Immanuel Kant










Juk ?

en gekweld onder het juk
van twee goden, de ene held
die zijn krijgsverhalen telt, daarin
zwelgt in eigen hemel en zielen
knevelt met geweld, zijn tanden zet
in de kwetsbare delen van het lijf, 
dan die ander, een supervrouw, tiran
en meesteres tussen de tafel en het bed,
tovert netten passie op haar spiegels
liegt over geluk, ziet het als een 
komisch spel, en ik daar tussen, in 
de liefde en het alter ego als grijze 
muis in het nauw, ben ik een kwezel 
die de vrede niet kan vinden, ik wordt 
geveld door beide goden, zo wordt ik bij 
hun slachtoffers geteld, moet ik leven 
naar het oordeel van de doden, moet ik
kiezen zonder beide te verliezen, maar 
wat geeft het, ik weet nog steeds niet wat 
ik ben of toch slechts een assimilatie?.

“ Ben ik een God of
een slechte plagiaat ? “

Plato


 










Schrijvers wiel?

Slijp mijn nachten 
en de pennen in elk
uur, wet de tijd op 
slijpers steen, 
verscherp het drijvend 
vuur op anoniem papier, 
heb geduld met de nog 
verszinnen dag, al 
lijkt die te zijn gehuld 
in sluiers licht, waarin 
de tranen net zijn 
opgedroogd, waar 
de inkt in de as van 
memoires is gedoopt, 
en schrijvers stem en 
avontuur nauwelijks 
worden gedoogd en 
de heldere vlam van 
de ochtend nog niet 
ontstoken was, tot
het klagend wiel 
van de scharensliep 
mij uit de dromen hielp
en tot de orde riep.....

‘La patience est l’art d’espérer’
‘Geduld is de kunst van de hoop, ‘

Voltaire

























Prelude ?

Deksels vallen van de wolken,
een slagboom aan de horizon,
een paraplu van dromen houdt
de afgedwaalde zinnen niet tegen,
ieder woord een uittocht, snel
verdwenen over de paginarand,
van achter de oorsprong koersend
vanuit een gekend verleden of naar 
een onbekende einder, refrein op
een onbeschreven blad, uitvlucht
voor zovele kunstgrepen, thema neigt 
naar overdrijving en naar eindigheid, 
wrange paukenslag van ouderdom om
een dwaling te herschrijven, voor -
en naspel tot wedergeboorte blijft een 
geheim, prelude tot een nieuwe attitude.












Tijdserosie ?

Tijdschokken van voorbijgaande aard,
stuwen beken bloed door de beddingen,
slagaders in hun strijd, we plaatsen 
merktekens die zullen eroderen door de 
jaren om die om te zetten in woestijnen
van zand, gerangschikt in de archieven 
van het hart, mijlpalen hebben woorden 
nodig, hoe vaak zeer ontluisterend om de 
ontstane leegte in te vullen met wijze
- en troostende teksten, te wachten op 
de schaduwloze getijden die we kleurrijk 
verluchten, wat ons terugvoert naar een 
toekomst vol herinneringen, wat we heimelijk 
al vermoeden, maar dan zonder bitterheid.




 









De zon schiet gaten,

 

De zon schiet gaten,

in de wereld vallen kraters,

één deel blijft schaduw

 

Bevangen stampers,

honing die wespen verleidt,

ontlokt vruchtbaarheid .

 

Katten van de maan,

jacht op de zonsondergang,

lichtval blijft bestaan.

 

Graven geleden,

was de aarde nog één tuin,

nu een Fata Morgana.

 

Licht zichtbaar in leegte

op de grens van het duister,

door onzichtbaarheid.

 

Ziener met één oog

tovert blinde tekst omhoog

bloem van gedichten












Vlinder zonder vleugels?


De aarde, blauw aangezicht
in het kosmisch kille licht, 
ik wrijf je warm, op vlucht
tussen de planeten, waarvan we
vandaag de namen zijn vergeten, 
ik dichtte een arm om je middel heen.
Je kwam liefde te kort, een woord
waarom gelachen wordt, het
blauw wordt ijs, daarna grauw,
niet in meer staat innerlijk te 
bloeien, in de kou wordt alles 
ontkent, de regen berijdt het
blad waaronder de vlinder geen 
tehuis kon vinden en tot in
de lente zal zwijgen, een kale 
boom op een oude prent, dat in 
elk seizoen van kleur verandert 
en z’n wortels voelt verstijven, 
de vermoeide armen naar de 
zon gericht om die in te lijven.













Stilte van verzadiging

 

In november is het licht

zo ijl, zo dun als de

doorschijnende huid

van een stervende berk,

hij wil z’n blad en zaden

niet langer vasthouden,

zijn hand opent zich tot

in de kern van het verteerde

hart om die los te laten,

skelet in een decor van de

opkomende maan, die

draait om zijn eigen wil en

as in de groeven van de

herinnering, daarboven het

onverstaanbare geprevel

van de najaarsregen, roerloos

leunen de oude bomen tegen

de avond aan, er hing een stilte

van verzadiging over de aarde.











Haar natuur,

Als ze danst, wordt een werveling
universeel, ze betreedt met beide 
voeten elk werelddeel, op de sterren 
en de zonnestralen, op alle windstromen 
wordt haar beweging waargenomen, ze 
draalt niet in haar zinnelijke vlucht, 
in de wenteling wordt de aardse 
zwaartekracht vermeden en deelt zij
met mensen haar serene vrucht, zaait de
liefde uit een heilige natuur, woestijnen 
worden akkers op den duur, groene ideeën 
spruiten uit de grond, er baart geurende 
bloesem uit haar mond, zij speelt de 
hoofdakte in een mondiaal gerucht, zij 
maakt wat ziek leek weer gezond , want 
zij is dé boodschap wat in het land zal 
gisten, naast de verlosser in onbegrepen 
twisten, haar dans zal enten, maar de 
beweging zwelt, ver over door de mens 
gemaakte grenzen, bestuiving leidt ons 
naar haar gewelf, om de hemel opnieuw 
te bevruchten, de sterren een beter lot 
te wensen, want ze is de kosmos zelf.

"Ieder kind is een liefdevol kunstenaar. 
De moeilijkheid is er een te blijven als 
het volwassen wordt."

Pablo Picasso













Monogram

Als seizoenen vernauwen
tot een trechter met kille
duisternis moeten wij nog 
hechter slapen gaan en het
licht laten schijnen over 
dromen die ons benauwen,
zelf zijn we de armen die 
ons weren tegen gestapeld
grauw en tegen de ondeelbare 
wereld die buiten ligt te 
wachten en getekend in de 
nerven van doorschijnende 
gedachten. Mist en regen 
verspellen ons een begin in 
een geluidloos sterven tussen 
verwachting en de wanhoop, van 
een tijdloze monogram in 
scherven waarin we staan.











schrijver



Harry

Welk mens heeft de macht om 
naar geest en gave en met 
zijn creatieve pen de kracht 
in het literaire het hele 
scala kan beschrijven en te 
laten overwinteren in elk 
tijdsbeeld tot mogen kiemen
en tevens te laten bloeien ?
Er bestaat geen einde in de 
fictie en in de tijdloze non –
fictieve verhalen. Het bracht
het oeuvre van slechts één 
man die in eigen akte regelmatig 
de eigen horizon naar de wereld 
wist te verleggen, maar ook hij 
aan de laatste grens van bladzijden
is gebonden, waarin nog altijd
een open einde ligt verborgen.


Naar aanleiding van de ziekte en overlijden
van schrijver/dichter Harry Mulisch




 








Noorderlicht

Onder de jachtige wolken
sprong de wind voorbij, een 
roofdier zonder hol, koud 
en onvruchtbaar uit het 
noorden, het verborg haar 
aangezicht gevoed door
beide borsten, het vroeg 
de tol in winterlicht, een 
herinnering die binnendrijft 
alsof er geen hoop meer was op 
een schuilplaats voor geluk, de 
onrust jagend in een wolvenpak
door grijze luchten en dakloos 
als een te vroeg geboren kind.













Geurtuin,

 

Ik weet nog steeds niet 
of er juiste woorden 
bestaan die de geur van 
je huid kunnen vangen, 
van jouw golvend haar, 
het bewegelijk licht 
van je ogen, wat mij 
onbewegelijk maakt, 
verlangen vanuit de 
vingertoppen, strelend 
gebaar van verwachting 
op het puntje van je lippen. 
Als ik hiervoor woorden 
kon vinden zou ik de ogen 
sluiten en geblinddoekt 
dwalen in jouw geurentuin 
en vastleggen op tijdloos 
perkament maar niet kon 
zeggen op dat moment als je 
er niet bent en dat is vaak.

"Zoals de bloemen hun geur
verspreiden, hebben wij de
liefde nodig om mens te zijn ".

Francis Bacon


 








Glimlach uit het avondland (5)

Zon verliest zijn kracht,
niet omdat hij veroudert,
schaduw rekt z’n tijd

Als men tekens leest, 
hemellichamen zonder naam, 
met ingetogenheid.

Vissende reiger
overleven op beide benen,
doet het ook met een.

Ongeboren kind,
bevrijd in het niemandsland,.
bron van vruchtwater.

Onvoltooide tekst,
waarin syllaben ontcijfert,
vergeelde bladen.

Hemelse schouwburg,
engelen dragen maskers,
doek valt voor de zon.




 








Paard zonder naam

Bestijg het diepste punt van 
de woestijn, te delen met een
verkoperde zon, gebeden
verbleken in uitgebeend gewas 
bij verdroogde oases, rode 
waas verblindt de ogen, 
gemalen hitte verstoft de 
horizon, waar een schorpioen
de staart doopt in een plas venijn 
van besluiteloosheid, gif als 
medicijn, angels verbonden in 
een doodskleed van zwart satijn,
daaruit is mijn onwetendheid te 
verklaarbaar, langzaam zichtbaar 
wordt een versleten maan, vergeten 
in werelds vijver, aan het vangnet 
van het avondrood gehangen, in een
stofstorm heeft dat paard geen naam.

Wat veel meer betekent dan alleen 
een visioen, ontsnapt aan de mazen 
van de zandgolven, gemeten aan 
de ijver van de oceaan, lonken oases 
nog begeerlijker in de waan van de 
dagelijkse dingen en met zachte 
heelmeesters van de geest is het 
twijfelachtig of dat geneest en zal ik 
verdrinken in de Fata Morgana van de wereld.


 










Van de brug  af gezien….


Vergeefs begeerde zekerheden

beroofd het hart van een nauwe vrede 

van de brug af heeft dit geen gewicht

als die is opgehaald, is dat met een rede,

het herkent de vele vormen,  argeloos 

is het vergezicht, het speelt met troebel 

water, er was geen verleden meer, 

maar ook geen later, een oneindig 

spel verbindt de tijd, maakt zich 

meester van eentonigheid, naar links 

en rechts steeds onbevangen, in 

verwondering voel ik het verlangen,

wat onontbeerlijk scheen, lost zich op 

in een panorama van gedachten, soms 

wild, soms sereen, gevoelens zo aards, 

wat bij tijde weer verdween, spiegelt 

het geluk in één moment gevangen in 

licht dat de tederheid omspoelt, lopen 

we over water, nadat het ijs is gebroken.


"We kijken allen van dezelfde brug, maar 

  we  hebben niet eenzelfde horizon “  


Seneca






 




 











Aarzeling,

 

Telkens als je mij
met je ogen aanraakt
en ik in de ochtendmist
ontwaak, word ik licht en
doorzichtig als een druppel
dauw in de mediterranen
van je hand, waar levend
water stroomt waarmee
je mij hebt gemaakt, nu
aarzelen je lippen nog

waarmee je mij eens zult
drinken, zal zien en begrijpen
als je dat gedurfd had, nu
kan ik alleen maar hopen.

 

 




 








Glazen bol,

Koud en onvruchtbaar
als de polen, de glazen bol
gevuld met winterlicht, in
een draaiend beweging van 
een kleine hand ontkiemt 
het noorderlicht, wolken 
sneeuw die behoedzaam 
binnendrijven, hoe hard ik 
ook zal draaien, het zijn 
souvenirs van herinneringen, 
die opspringen en wil bedekken 
aan de binnenzijde van deze 
minuscule wereld. Achter glas
vertekend de pijn zich in tijd, 
de teruggekeerde rust dekt met 
stilte dit tafereeltje toe, 
draait de aarde door in de 
palmen van volwassen handen 
om die te openen in de lente.

"De herinnering is een 
kerkhof dat bloesemt."

Johan Daisne














Gerstenat

 

De duivel zegt, dat ik
een fust moet zijn met
houten duigen, met een
ruggengraat geringd met
ijzer, tot rand gevuld met
gerstenat, verlichting
vanuit het tapgat, waaruit
ik alleen mag tappen, alleen
daarop rust het voordeel
van de twijfel, de overgave
telt in onverzadigbare teugen
van gelagerd bokkig bier, de
grappen te weerleggen, met
de lippen van een halfvol
vat te nippen, in een stroom
van onvertogen woorden
die in de ontstane holle
ruimte resoneren, waar ik
een bloemrijk betoog in
onderhield, mij de toegang
te ontzeggen naar een ander
aangeslagen vat, maar die
klonk uiteindelijk nog leger,
wat me lang zal heugen, misschien
daardoor een beetje wijzer.










Resurrectie,

Mijn troubadour, mijn heraut, de zon,
geestdriftig krijger voor de deugd
en louter vreugd voor velen, zuiver
als het pas gedorste graan, jeugdigheid 
uit de eenvoud van het hart, een 
verlosser en de boodschapper tegelijk 
van de oogsten zover men ziet, 
verlossend maaier in een wervelende 
show van stralen, in een oceaan van 
hoop, de ogen vlammend gericht op het 
aards verdriet, deinende ritmen door 
de weidse ruimten, vormt het zout uit 
de kleur van stuwend bloed, gelijke 
stolsels van de twee geslachten, uit 
de schaduwen van het licht naar evenbeeld,
waaruit de Goden de seizoenen boetseren,
herrijst uit aarde die ze met de mensen deelt.


“De Goden hebben zout in onze monden gelegd,
zodat we dorstig blijven naar geluk ”

Augustinus











Kristal kinderen,
 

Zachte winden om de slapen,
haren baden in een gouden licht,
ze plukt de zoete dromen uit
haar heelal, in haar schoot 
voedt zij ongerepte zwanen in
een oneindig ritme met de houten
klossen aan een zwierig touw,
ze beschrijft de lessen van de
aarde in de hemelboog,  ze kust 
de dieren van haar spel, drijft ze
tot oprechte daden, in relatie tot
de schoonheid van haar wezen, 
onbewust van een voorspellend
voorgevoel, past het kleed van een
volgroeide zwaan, nu nog kind,
straks volwassen vrouw, vanwaar
zij uit haar aard in onze ziel en over
een horizon kan kijken, om op vrije
vlucht de grenzen te verleggen, een
zucht naar te ontdekken oorden, in
het belang van haar bestemming
kromt de tijd en aarde om haar heen,
ze openbaart zich als rechtschapen
mens, trouw aan eigen norm, een
intuïtie zonder woorden, perceptie
van een ongeschreven waarheid,
in alle tijden zo helder als kristal.















In een oogopslag,

Mijn ruimte is te klein,
ik schuif de luiken dicht,
je kracht omhelst het bloot, 
de nacht is ver en zo dichtbij,
het morgenlicht is boterzacht, 
smeert mijn hart in een peilloos 
meer, zo weids, zo diep, levend 
wit van golvend schuim als je 
glimlacht om je tanden en
mijn zinnen te ontbloten weet 
ik wat je van mij verwacht, ben 
daarin geen partij voor jou en
wordt een vluchtweg afgesloten, 
beleef ik de wereld in een vluchtige 
oogopslag, om een hemels spel te 
loven, toen mijn weerstand brak.

"Liefde doet de wereld niet draaien, 
maar ik geef toe dat een tocht erover 
de moeite waard is."

Voltaire











Mijn domein ?

De dichters worden steeds
verhuld in de betamelijkheid 
van emoties als zij worden 
gekroond met de kale lauwerkrans 
van onwetendheid, wat afdaalt
naar een onheilspellende niveau 
van een weerhaan, die maalt en 
keert, in een opkomende bries 
verteert, op een hoogte die is 
afgemeten, daar rust een embargo op. 

Het is helaas de weerschijn van 
de realiteit, waar hete as gloeit 
in de moederhart der dichters, 
waarin de taal jongleert in de 
blinde anonimiteit, zich niet
bewust zijn in de wetenschap
waarin zij denken heer en 
meester te mogen zijn en waar 
alleen zij de ruggen rechten.











Kwatrijn,

Omringd door zwarte kammen,
mist verhuld gelijk een nauw gewaad,
kille gezichten op alle stammen
omlijst het blozen van een teer gelaat.

Bevende bloem in een bevroren staat,
waarin het tij de kleuren niet wil verlammen,
geen dichterlijke nevel haar geur in kan dammen
broos in schoonheid bloeit naarmate ze vergaat.

Gedreven door de nachtelijke coryfeeën,
meer bizar dan de wildste orchideeën,
bevruchting van haar eerbaarheid, 
met honingzoet de bitterheid verleidt.

Al die innigheid in beider blik ontloken,
op het rijke klankbord van verlangen,
rijpt een bonzend hart onafgebroken
in haar schoot, kwetsbaar maar onbevangen.


“ De ritmische creatie van schoonheid 
vertolkt in woorden heet poëzie”

W.Shakespeare












Nog aanwezig ?

Mijn adem wappert na, als 
spinrag in de kamerhoeken,
het web waarin de glinstering
van tranen zich edelstenen 
waanden, alhoewel ik in het 
heden al voorgoed vertrokken 
ben, in dat bed hoeft de tijd mij 
niet te zoeken, op de spiegels 
van het verleden hangen nog de 
druppels wasem van mijn stem, 
één goede schoonmaakbeurt en 
de ruimte is weer vrij van resten 
of sporen aanwezigheid van mij.

"Liefde meet zich vleugels aan
om in vrijheid te ontsnappen."

Vergilius.











Glimlach uit het avondland (4)

Perfect is datgene 
waarin we ons in de liefde 
imperfect maken.

Als goden straffen,
hoeven we niet te vrezen, 
wij zijn hét gebed.

Het lot is geen doel, 
maar een opdracht anders te 
kijken naar onszelf.

Ervaring is de som 
die aan de opgetelde 
fouten blijft kleven.

Denken meester te 
zijn over de wereldgaard 
niet over eigen aard.

Hebzucht is het 
allerlaatste toevluchtsoord 
voor al het falen.













Opgespoten land

Wisselend licht scheerde
langs de stadsrand, over
een horizon van waterplezier
van een gastvrij merenland
opgespoten tot een zanderij,
het fijne zand stuift over het 
speelkwartier, de lege ramen 
op de kade staren blind over 
een woestenij, het vrije zicht 
voelt zich verraden, afgegleden 
naar een andere tijd, achteloos 
gaat de wind er aan voorbij,
de lucht welft zich over vaal 
en levenloos terrein, verlaten
spiegeling van het blauw, nu 
somber en eentonig grauw.
Dit zal de einde van mijn wereld 
zijn, sluimerend en ontraadseld 
in heimelijke trouw naar wat 
vertrouwen gaf in een verloren 
strijd ontleent aan de herinnering, 
de dood ploegt de voren strak naar
ander leven, het einde van de dagen
draagt de sporen van een nieuw begin.











Glimlach uit het avondland (3)

Als we liefde zien, 
hoeft ze ons niet te zien, 
ze is er altijd.

Vertrouw de dichter, 
wantrouw zijn verhaal, gebouwd 
op eigen visie.

Schaamte of zonde, 
zijn de onrijpe appels 
uit de boom van de geest.

Eenzaamheid is stilte
waar gekoesterde dromen 
tot stilstand komen.














Blindelings ?

Zomaar een morgen als alle
andere in het vrome licht, 
aandoenlijk zonder stekeligheid
van de nacht en nevel, waarin de 
dagen hun bitsheid hebben afgelegd 
en het duister zichzelf met zwart 
fluweel heeft gedrapeerd, waarin 
een minstreel zijn fluisterwoorden 
onbelemmerd uit zijn hart en luit 
laat stromen en in alle toonaarden, 
na jaren van eenkennigheid kan ik 
mijn gekozen vrede blindelings 
componeren om met iedereen te 
kunnen musiceren, is het of de 
ring van het bestaan zich sluit.

"Het leven is een karwei dat je strijdbaar moet klaren.
La vie est un travail qu'il faut faire debout."

J.P.Sartre










Opgedroogde bronnen


De vreemdeling werd naakt
geboren, de huid en broek 
zaten hem te wijd, de riem te 
strak, muilkorf van discriminatie
stak over beide oren, bij voorbaat 
een verloren strijd, achtervolgd 
door gesmoorde stemmen, die de
wereld in bezit namen, kon het
denken niet remmen, bleef daarin 
trouw, respect naar zichzelf is 
niet te temmen, gebrand in het 
eelt van elke hand om zich in 
zijn eenzame pad te keren tegen 
de ideologieën van de door de 
goden geteisterd land, waagde 
het zich tegen blinde macht
te weren al sinds jaar en dag, 
zag het gistend vat van onmacht, 
kon het onrecht niet bezweren, 
hoop bleef over om uit dat weinig 
van de opgedroogde bronnen nog 
enige menselijkheid te destilleren.














Chromosomen

De ruimte van geluid
vullen met gedichten,
de stilte niet bruskeren
aards moraal gevangen,
in de mens verwerkt, de
verwarring versterkt de 
beelden, om die mee te 
voeren in “dood tij “om me 
argeloos de mond te snoeren 
met onbekende woorden, om
de sterfelijkheid met zijn 
handlangers te bedwingen, 
zwervend voor de poorten
van de onmacht, blijven boeken 
zonder lezers, tot stof vergaan, 
teruggebracht tot schimmel,
worden niet verbrand tot 
louter inhoud van de dromen 
om die beter te ontwarren dan 
de beste therapeut, berusting
in mijn chromosomen.

"Ik zing zoals de vogel zingt, 
die in de twijgen woont."

Goethe













Verzin een list

Ik wil niet lijden
aan dromen, die de 
gaven van de geest 
verwart, verbijt de 
pijn, ik schenk je een 
dubbelleven in een
ander hart, dat jouw
realisme tart, om een
ontrouw te vermijden.

Laten we samen de 
duivel te grazen nemen,
met wie jij in je slaap 
op wil trekken die in
ons midden huist, met 
genoegen zal ik mij
voor de daad lenen, 
deze schim te wekken, 
om deze met zijn streken 
uit de boezem je leven
naar de noorderzon te 
laat vertrekken.

En streel ik je wakker
in het morgenlicht,
onderzoek waar jij
in hebt beslist, vervloek
het moment, waarin je 
z’n makker werd, verdoof
hem met een duivelse list,
of zitten spoken alleen 
maar in het hoofd ?

"De geest die alle dingen 
leven schenkt is liefde."

Oscar Wilde













Vier wegen ( haiku’s )

Hemel van bladeren
bres geslagen in het groen,
weefgetouw van tijd. 

Mensensporen dekt
een dikke laag ervaringen 
vervagen nimmer.

Vlinders begraven
hun beelden in het herfstlicht, 
mist als berusting.

De dood getemd, wordt
ontdaan van zijn verschrikking
in een jaarlijks verdrag.

"De dichter heeft slechts één voorbeeld:
de natuur; slechts één gids: de ruimte
tussen leugens en de waarheid."

Voltaire













Jaarringen

De tijd heeft mijn bast afgepeld
het verwonde vel over mijn geest,
een lang verhaal in jaarringen verteld,
kwetsbaarheid van onbehandeld hout
door bijl en beitel menigmaal gefreesd, 
tot er niets te pellen overbleef, bewerkt 
uit ruwe staat, te lezen in de oude zonden, 
diep geworteld tot in de ruggegraat,
in de laatste nerven wordt het koud, 
schors ligt overal, vermengt zich met 
druppels bloed, gemorst mengsel kan 
het verval niet dichten en kan met 
tranen de gewonde smart niet verlichten,
stroomt taaie hars uit iedere knoest, 
blijft het karakter onafhankelijk en 
onverwoest, verwerkt tot geschaafde 
planken, het hart bekist het zachtste weefsel, 
en wordt het uit het juiste hout gesneden, 
dan herpakt zich uiteindelijk het verleden.

"Ervaring zonder theorie is blind, 
maar theorie zonder ervaring is niet 
meer dan een intellectueel spelletje." 

Immanuel Kant
















Onvolmaakt?

Kijk mij niet meewarig aan
met een keurende oogopslag
gun mij louter dit ogenblik 
even langer dan we nu bestaan
tederheid grijpt me naar de keel
in onuitgesproken zelfbeklag
moeilijk te ademen als ik stik, je 
hoeft deze strijd niet te vrezen
in de keuzes krijg ook ik mijn deel,
het verleden heeft dat uitgewezen
verwacht niet dat je mij daarin kent,
als de momenten ondragelijk leken
ben in jouw gedogen niet gekend, 
uit onvolmaaktheid bewezen in
het minnespel volmaakt verwent.









Reflectief ?

In de reinigende stroom 
in palm van seizoenen 
heb ik de mens in mij
afgestroopt, leek het
bijzonder om niets te
hebben of te willen en
alleen met de liefde onder 
een onbedorven hemel te 
staan, een zon die zich een 
ongerepte weg baant naar 
de essentie van het bestaan, 
het zwijgen betaald met een
allerstilste klank als blote 
schaduw van een onbeschreven 
blad, waarop tekst en uitleg
niet werden vertrapt, een 
begraven pijn op hagelwit 
papier waarop nog niets 
geschreven staat en daarop 
alleen verliefdheid te uiten. 
Lijkt het niet heerlijk te dwalen 
door een labyrint van visioenen 
van de menselijke natuur waar 
enkel passie telt en de toekomst 
met het heden te verzoenen ?











Verre horizon.

In het vervallen licht
van een leeggewaaide
vale blauwe hemel, de
zon half onder, kale
bomen stijgen naar 
mijn kop, het doet er 
weinig toe wat ik voel 
of waar ik ga, met wie ik 
de gedachten delen zal, 
nu nog alleen, straks 
misschien met velen, of 
dat de morgenstond er 
nog zal zijn, waarin de 
nuchterheid is uitgelicht,
het lichaam doorzichtig
naakt, valt dood bladgoed 
van nerf en ziel op tot het 
met lot doorweekte grond, 
bekleedt een transparante 
lauwerkrans mijn koude 
voeten om die laten wortelen 
in een verre horizon.














Nachtrefrijn

Alleen ging ik op pad, floot me
door het duister, omdat iets in 
mij ontstoken was, nog lichter 
dan het uitgedoofde avondlicht,
zocht langs wanen, de snoevers 
in hun stijf ornaat, in rusteloos 
beraad, op armlengte van elkaar,
versloeg gestaag de lust te 
luisteren naar mijn geestesoog, 
doorgeschoten, zweeg het in alle 
talen, alleen te zijn in een 
nachtelijk refrein of ik in 
lokaal en kroeg welkom zou mogen 
zijn, leek het of alles om me 
heen verdronken was voordat ik met 
Jan en iedereen uit feilbare glazen 
gedronken had, geklonken op alles 
wat mensen delen, weerklonk door
uit vooroordeel, sprak om bij 
elke slok te preken, vocht aan 
dwingende lippen reeg, bleef de
vraag of gemoed in lege kruiken 
te kweken was om in vers licht 
andere potten te breken, waarin 
de weerstand allang gebroken was.











Compost van tijd.

Eiken roesten met bleke 
kroon, geteisterd in storm -
doorweekte regennachten, 
reikhalzend over zwart satijnen
grachten, waarin zomers licht 
onverbiddelijk voor het najaar 
zwicht, wacht - rood en geel - 
geslagen bladgoed op de laatste 
dolkstoot van de wind, onwetend 
hoe die op te vangen om naderend 
onheil te verzachten, de maan in 
stervenshoon de laatste stralen 
van de zomer treitert, verstoten 
op het altaar van een dun vergulde 
troon, toont stervensweeën met 
betraand gezicht, valt uiteen in 
de onheimelijk geur van gekozen 
scherven, eenzaam verwerkt tot 
compost van een tijdloze willekeur.

"De natuur haat al het gekunstelde 
en wat door geen kunst geleden heeft, 
tiert verreweg het weligst."

Uit: Lof der zotheid ( Erasmus )












Gewichtloos ?

Herfstbladeren zo bros, er
waren tranen opgedroogd,
strijden stralen in zeeën licht,
gericht op komend seizoen,
de boezem van ander zicht, 
gaat het gerucht dat de zomer 
daar sterven wil, kiemt zaad 
onzichtbaar uit de prille vrucht, 
onomkoombaar voor elke vloek 
of zucht in een bekend bestaan,
veegt de laatste zon de sproeten
van mijn gezicht en de gewogen
woorden uit een gedicht, in de 
kromming van de tijd vergoten, 
spiegeling uit voorspelbare bron, 
gewichtloos, doorschijnende 
bestemmingen voorbijgeschoten, om 
op onbekende kruispunten ideeën te 
ontmoeten, krijgt alles z'n gewicht.


De daad uit het denkvermogen, onbeteugeld 
en wispelturig als het is, zwerft rond tussen de 
dingen van de aarde, volgt haar eigen weg….

Bron: de Bhagavad Gita












Mythe?

De allerhoogste graad in
een zin of regel, die geen 
twijfel laat bestaan, van 
wat ik zeggen wilde, 
daarin zou nog menig 
onversneden boodschap 
moeten staan om al wat 
mee - of tegenzat, uit 
losse hand geschreven, 
uit ervaring of uit leed 
bedreven, met tol en 
taal betaald, zich braaf 
verhaalt tot het heden 
vanuit het gekuiste dicht, 
blijft slaaf van literaire 
daad, wars van plagiaat, 
de mythe van de muze 
verslaat, het hele scala 
van de overdaad waarin
ik tomeloos verdwaal, 
meer kon ik niet geven, 
daar kan ik mee te leven.

“Als de wereld begrijpelijk was, 
zou er geen kunst bestaan."

Camus










 Taalgrens

Een woord wat niet 
bevriest, warmer dan 
mijn bloed, zoek ik, 
wie het vindt mag het 
roepen wat alle pagina’s 
beslaat uit woordenboeken,
wat ik lees is lopend vuur 
verliefdheid zó heet, dat 
de dood ontdooit en waar
mensen gaan, de haat
verbleekt, tot er zinnen 
vallen, als bladeren 
gestorven zijn in beide 
handen, verbleekt maar 
ongelofelijk rein, dat 
woord is waar en stil 
genoeg, taalgrenzen voorbij 
toen je er naar vroeg, ligt 
die toekomst buiten mij.

"Ad surdum
Tot in het gerijmde".

Cicero











Verzoening ?

Wanneer je mij met
je ogen raakt, word
ik licht, vloeibare 
bovenaardse regenbogen, 
zo volkomen waarbij 
de laatste zilveren 
druppels stromen in 
de palmen van het hart, 
met tederheid bespeeld 
het smachtend water, 
waaruit de lichamen
van de wereld zijn 
gedeeld, weerspiegeld
verlangen hemelsbreed,
toch aarzelen je lippen 
te drinken uit een oase
van verzoening, te klinken 
op het einde, die kiemen 
draagt van een begin.

Ween niet,
wees niet verontwaardigd,
maar begrijp!

Spinoza












Over drempels

Onzichtbaar
vaar je mij tegemoet
op mijn eenzame tocht
langs wijde oceanen
van de grenzeloze tijd,
onhoorbaar
dringt je wezen
door tot mijn intiemste 
luisterpost,
je kent mijn wegen,
die je ontcijferd en 
gelezen hebt,
vaak gezwegen,
omring je mij,
ik adem met 
een brok van 
afscheid in mij keel,
ik zal huilen als
mijn lot mijn kist 
verzegeld heeft 
naast jouw gestalte 
van onzichtbaarheid,
onhoorbaar leid je
mijn geschonden lichaam
over drempels van de dood.

"Tempus te citius quam 
oratio deficiet "

"Tijd zal u eerder 
ontbreken dan woorden."

Cicero
















Gaten in emmers

In het dorstige land tasten 
daklozen in het duister, ze 
zijn de stralen van een 
getergde zon en goddeloze 
geloften al tijden moe, 
papieren regels rotten in 
het hout, een leger van 
houtwormen splijt de wereld 
open, dekt de aarde met hun 
maskers toe, in de vlijt van 
alle gestorvenen treft alleen 
de hoop geen verwijt, de nachten 
woelen twijfels bloot, er lekken
zure vruchten door de gaten 
van de emmers, geworpen in de 
onkreukbare morgenschoot.










Illusie?

Mijn geest waart rond
langs vreemde kamers,
passeer de mensen die
ik kende, hun verleden 
getekend op onverlichte 
muren, daar hangt nu een 
leeg raamwerk,waarin een
favoriete droom werd 
ingelijst, sta ik op dezelfde 
vloer, alsof ik hem zelf 
heb opgeborgen in een kist, 
die men in de grond liet 
zakken, dat moment draaide 
knopen in de zakdoek van het 
bestaan om vrede te sluiten 
met wat ik zie, allang niet 
meer voel, zelfs de namen 
bij gezichten verbleken, 
bijgezet in de nissen van 
het tijdgewelf, wat aan 
tastbare zinloosheid de zin 
ontleent, geplaatst in de 
mortuaria van herinneringen 
die mij voorgingen en moet
missen, wanneer ga ik zelf ?

Diem perdidi, ad veritas victoria est.
Ik heb een dag verloren, maar 
aan waarheid gewonnen.

Ovidius.














Alibi ?

Zolang de natuur buiten 
haar oevers treedt, zolang
er mensen zijn, ontstaat bij 
allen die leven op het rand 
van hun bestaan een ondenkbaar 
leed, daar zijn we mee begaan, 
nippend aan de rode wijn en 
voor de buis zijn we voor het 
avondeten - soms vertraagd -, 
altijd thuis. In de vensters 
van de wereld komt deze tastbaar 
dichterbij, de afstanden 
huiveringwekkend klein,
we verdrinken in de alibi’s van 
afzijdigheid en inderdaad het 
maakt het geweten waterdicht,
maar toch betrapt op heterdaad, 
in hoeverre zijn we vrij?.















12 gordiaanse knopen

Voor avontuur bedoeld, 
was het scheepje getuigd,
werd het door passies 
overspoeld, als vliegende 
Hollander, een jachtig 
galjoen, bolde winddruk 
de zeilen met de kracht 
van 12 gordiaanse knopen
stuurloos op een bevroren
kompas, overtuigd in een 
nauwe wambuis, geankerd 
en gekapseisd bij onbekende
kusten, waar het lot het
zwaard in vast liet lopen,
om verleidelijke sirenen 
op de klippen te mijden, 
viel tegen krachten van 
emoties niets te winnen, 
door alle 12 knopen door te 
hakken, vanuit windstilte te 
beginnen, alvorens het schip 
voor nieuwe tochten uit te 
rusten, om de steven naar een 
gezamenlijke koers te verleggen,
om het goede maar te hopen.

“Quid vesper ferat, est incertum 
spes ultima dea.”

"Wat de avond zal brengen is 
ongewis, hoop is het hoogste goed."










Woordkeuzes?

Woorden wonen niet in boeken
ze leven in het hoofd, onder stenen, 
tussen rottend blad en struiken, 
witte sporen van paddestoelen
wel gesponnen, niet klaar om te 
gebruiken, vloeken over herkomst en 
afkomst in regenplassen te voorspellen
of om in schaduwen van het schemer
hun gelijkenis met de maat der dingen, 
een ongelijkheid als onvoltooide tekst 
te spellen, wollen draden van nog 
te breien truien, opgestoken op de 
lettergrepen van syllaben, afglijdend
op de pennen als bedoelde muziek, 
ontcijferde betekenis van nieuwe 
woordkeuzes, gedachten verwoord 
met een andere blik, drijvend in 
het kwelwater van elk gedicht.

Verba volant, scripta manent
Woorden vervliegen, het geschrevene blijft.

Seneca











Alsdan,

Dat ik haar hand 
die zoekt nog vind,
alsdan,
dat mijn verloren mond
haar nog verhoren kan,
alsdan,
dat ik droom dat zij
haar aangeboren 
schroom verlaten kan,
alsdan,
zij onze tranen weegt,
mijn wind die van haar
spiegels veegt,
alsdan,
planeten in 
elkaar verstrengeld
raken tot regenbogen 
in de ochtendstond
alsdan,
kleurig als het avondrood, 
waar geen klaproos aan kan 
tippen, de horizon op 
haar oneindige lippen,
alsdan…...

“Als jouw compassie niet voor 
jezelf geldt, is die incompleet.” 

Boeddha










Dakloos dromer,

Zonnen wil hij vreten
zich nestelen in haar 
cellen zonder de ogen 
te kwellen die zich 
branden op het netvlies,
kind bij een kloppende 
rivier, verloren hart in de 
illusie van het avontuur, de 
aarde bewegen elk kwartier,
te herontdekken bij elke slag,
op te lossen in de mist van 
erbarmen, hoogtepunt van 
een drankgelag, verstijfd 
bij menselijk geblaf, onder 
de hemelse straf peilt hij de
in – en uitgang van de wereld,
een droomplaats waar hij 
het licht laat doven, zich 
geruisloos strekken kan, 
diepweg in het binnenste 
de gemiste dag mag loven,
zonder het echt te weten












Glimlach van het avondland (3)

Schiet vazen bloemen 
naar je ergste vijanden 
ze zijn je dankbaar.

Medelijden staat
ver van mensen, gedogen 
slaat bruggen naar eenheid

Overtolligheid 
te verdrijven heet moed, loont
zich met onthechting.

Harp zonder snaren, 
milde toehoorders horen 
veel instrumenten.

Gans verliest een veer, 
voelt zich tonnen lichter
en vindt de dichter.

Wonderlijk te kunnen:
- horen, te zien en te mogen zeggen -

Boeddha.













Rusteloos?

In de klimmende jaren
moet steeds veel worden 
weggegooid, het idee dat
verwachting en geluk
mild en duurzaam zijn, een 
subtropisch klimaat, een 
omhelzing als warme deken, 
in plaats van verzilting van 
mentale aanslagen die naar 
gelang het duurt, steeds 
levenslang vragen bij zich 
dragen en gekoesterde
littekens achterlaat in het
verstand met z‘n wonderlijke 
inblazingen en dat het er op 
neerkomt, wat slechts een 
uitstel van executie is, raakt 
iedereen, maakt alles relatief 
en gelijk, toch in de ziel een 
rusteloos heimwee broedt
naar de stilte van een vroeg
begin, resten van een ander
leven wat de weerstand naar het 
einde voedt die bijzonderheid
te ontdekken, zolang dat kan.












De prijs voor later ?

Klasjes kinderen rennen uit school 
parapluutjes werpen schaduwen
over zon en regen en het aureool 
van het verleden, door hun praatjes
de hemelen te bewegen wordt 
alles gewist, boort hun schater 
duizenden kleine gaatjes als een
zegen die in plassen aan het asfalt 
kleeft, zweeft moraal van schaamte 
in een veinsend boetelicht over 
werelds arsenaal, steeds hetzelfde, 
maar dan wel in een andere taal, 
zeeft verontwaardiging in minderheid 
van een langdradig verhaal, de prijs
te hoog, tijd voor de waarheid
is voor later, wordt niet minder 
zwaar voor een nieuw gedicht.














Het geluid van stilte

Talloos het geluid
waar zon en maan degens kruist, 
ruist de kleinste twijg.

Paarden uit een droom
zijn sneller dan de stilte,
hoefslag van winden. 

Kind uit de sagen,
stilte in haar koninkrijk, 
verlicht haar gelijk.

Roep van anderen
overstemmen hoge bomen,
geluid te verdragen.

Tijd draagt de dag in 
geluiden van de stilte,
zonder oordelen.



















Bekentenissen ?

In de voorbijgaande hitte van 
het bos, spreken vlinders de taal 
van een verstillend stemgegons,
waar de wandelaar zich in waagt, 
met als levensproviand in de ransel 
het zingen van een kind, geborgd 
in de plantaardige traagheid van het 
koele mos waar hij de weg in vindt 
van nieuw ontdekte geuren , borgt 
de kleuren van de hoop, bereidt 
zich met bekentenissen te omringen, 
zonder de uit - en afkomst te bedriegen,
slaat bressen in betekenissen, door
de scheuren een menselijkheid schijnt, 
zijn waarheid zit in het mededogen.
















Mijn veulens,

Dikwijls komen de
veulens in stilte
dichterbij de haag,
ongeduldig zonder
fourage, willen uit
de omheining, de roep 
naar verse klaver naast 
eenvoudig haver, uit 
de strelende ogen 
dromen zij van tijden, 
om het bit te vieren 
over onbegrensde weiden, 
ik berijd hen op de ruggen
van de vrijheid, in één 
sprong over hindernissen 
van het leven, zonder 
barrage met bruisend hart 
en nieren, in dartel 
bloed druist vuur van 
deze slaafse erfgenamen .











Droog in mijn mond,

Ze liet haar kleren 
vallen, natte afdrukken
van haar voeten in het 
zand en in terugwijkend 
water, de zee leek moe,
eb viel droog in mijn 
mond, vingers schreven 
vier woorden in de lucht, 
ik voel en ruik je huid, 
je haar, je lichaam tegen 
het decor van de getijden, 
golven murmelen tevreden 
met zichzelf en ons en je 
weegt die stem in zinnen die 
je draagt, die ik begrijp.










Zeven bronnen,

Zoek mijn mond niet 
op jouw lippen, zoek 
de vreemdeling voor 
een gesloten poort, er 
vloeit water waar licht 
in gloort, in zeven dagen 
waarin ik niet kon wachten
op de zeven warme harten 
met ons bruisend bloed, 
ontsponnen in zeven 
dromen in zovele tranen
van zeven rozen, één voor 
alle nachten gekozen, 
ruisend langs dezelfde 
bron, zich een weg te 
wanen in de zeven 
gewassen jaren, waar 
de tocht begon.

“Handel en denk als een pure 
bron, de liefde zal je 
volgen als een schaduw, 
niet af te wassen.”

S. Rinpocher












Schipbreuk ?

"Covers"op triomfantelijke gelaat 
en op de boeg van tijdschriften, en 
op het verdeelde schip van staat, 
om de bestemming te kiezen op 
het kompas van kiezersbedrog,
laverend door de platte landen 
in z'n zog een vertrouwd model 
laat zinken, in een kleur die
naar polarisatie overgaat, zal 
een nieuwe wind de zeilen van 
het vaartuig moeten bollen, om 
het niet te laten stranden op de 
kusten van een sluimerend dictaat

Hun motto:
“We zijn er klaar voor !”

Ons motto:
“Daar zijn we mooi klaar mee”! 


“De fijnste humaniteit openbaart zich in de wens om 
anderen schaamte te besparen." 

Nietzche











Spiegelplas

Ik zag je bij de levensbron
duizend schonen in het gras
oceanen bloesems, luikend groen
fragiel, transparant als glas, 
liefde gedronken zoveel dat kon,
uit water, satijnen spiegelplas, 
toen zonder kleur, verdroogd, 
verdronken in woestijnen, de 
tijd verloren, voordat je het 
verlaten moest, tranen gedempt 
op geboren spiegels van de ziel, 
was een nieuw gezicht te zien, een 
beeltenis die geen twijfel overlaat,
kwetsbaarheid, aarzelende osmose 
wat vrij ging stromen in een dicht 
ontleent aan strijd, ongeremd als 
duister uiteindelijk in licht overgaat.


Amore vitrea est: tum cum splendet frangitur 
Liefde is als glas, als het schittert, is het breekbaar.

Virgilius













Borelingen

Ik werd door tijd en dicht te 
vondeling gelegd, boreling 
van stilte en gedachten die aan 
het papieren kraambed hebben
gestaan, kon al begrijpen wat 
de omgeving wilde verzwijgen,
zonder iets te willen missen, 
zal verder niets ontstaan, wordt 
er niets gedeeld uit oprechte 
vragen die zich tot onbegrepen 
antwoorden laten rijgen, leeft
in wat ik heb geschreven 
om op eigen vlucht te gaan, 
markering van een opstandige 
tooi, geankerde eigenheid, 
wat eerst lelijk leek, werd ook 
weer lief en mooi, er is maar 
één leven om te slijten, waarin 
de holten zijn dichtgeplakt met
veel omhaal anders raak ik de 
draad en de essentie kwijt 
waarin ik de levenszin vertaal 
naar een nieuw perspectief, zonder 
de tong en draak te steken naar de 
strekking die ik lees en ademhaal.


Poeta nascitur, fit orator ?
Wordt een dichter geboren, de redenaar gemaakt ?

Plato












Trouwe tijd

Naast mij een vorm die zich strekt
wanneer ik naast haar lig en haar 
perfectie bemin in een film die 
op mijn netvlies voortbewoog, 
zich schikt, verwekt, wikt, naar 
eigen naar ziel en zin, was geschapen 
voor mijn oog, een gracieusheid
die er niet om loog, rekt de nacht
van het einde en begin met alle
innigheid daar tussenin, werden
wakker en dachten de dag en 
slommer is ons vergeten, het was 
de trouwe tijd die op ons wacht.

Tempori parce 
Wees zuinig met tijd.

(Seneca )














Niet beschreven, niet bemind,

Wat wetenschap beweert te zijn
is slechts de weerschijn van de 
moedertaal waaraan zich alle literaten 
hechten, in een uur die alle dichters 
knechten, denken hun heer en meester 
te zijn, zich voltooien in lauweren 
gehuld, zich te schikken waar leed 
en schuld z’n eigen regels maakt, 
verzoend met tergend ongeduld, in
uitersten gedreven bedrijft de tijd 
in tegenspraak, een chirurchijn 
die twijfel zaait en in een onbedoelde
droogte meteen verzaakt wanneer 
zon en maan hun eigen weg willen 
gaan.Ik schrijf wat ik wil, als 
woordbloem, schuchter wachtend 
op een tekstbeurt op een boekenbal, 
waar resultaten recht van spreken 
hebben in de maatschap van de poëzie, 
als ik dat landschap nuchter overzie, 
raak daarop niet uitgekeken, wat niet 
te beluisteren valt in de wind, dat 
laatste woord waar alles mee begint,
wat niet beschreven is, blijft onbemind.

"Vox viva, Het levende woord "










Heel gewoon ?

Ween niet op wat
gestorven is, haar 
frêle schim op winden 
rust, begeleid de leeuwerik
- in volle vlucht - in een 
oneindige klim, naar 
dat ene streepje licht,
ontrokken aan de 
duisternis, een 
smetteloze vlam, met
haar vonken mijn hemel 
heeft ingericht en tegelijk
alle hete as ontnam,
gebalsemd hart in een
lauwerenbad, hoofd
gekranst met geurend 
duizendschoon en menig
doolhof heeft ontward, haar 
kracht ons heeft ingelijfd,
tijd verstard haar beeltenis, 
géén smart weerspiegelt in 
een zacht ongesproken toon, 
waarin de wereld is vertederd, 
licht is alles wat overblijft, 
meen niet dat die gestorven is, 
de wezenlijke pijn beschrijft
dus blijft alles gewoon ?


“De pruimenbloesem geeft zijn geur 
ook aan de tijd die hem snoeit.” 

( Boeddha )

 











Zaden van de berk

Een woud van zwijgen, 
rijgt zich in de twijfel 
tot een mythisch toverbos, 
onder kalend dak, waarin 
de bladeren zich herkenen, 
iets geleerd , zeker weinig 
verteerd, pompt leven door 
de nerven, te denken dat ik 
straks niet meer ben trek 
een vaag gevoel in de maag, 
kwaal van eigen dogma’s 
die ik veel langer ken,
iedereen zal herkennen, 
niemand kan het zeggen 
wat zich afspeelt onder 
dat sterfelijk mos, beloven 
kan ik alles, beneden is 
waarschijnlijk niets, slechts 
gedachten waarin ik verdwaal, 
op het eind te trots om te 
huilen, onmogelijk mijn tijd 
te ruilen tot plek verkleind 
tot afgezoomde zerk, waarin 
ik me kan verschuilen, daar
boven jagen wolken van de
associaties op mijn zaden 
van de zilverberk, die ieder 
jaar weer vrucht zal dragen 
te rijpen aan de stam der 
tijden, hoe meer ik weet, 
hoe minder ik begrijp.














Zwart en wit decor ?

Langs gelijke stations 
elk uur, jagen wijzers 
op elkaar, misschien
zal de kleinste het ooit 
winnen op de langen 
duur, is de hoogste stand 
bereikt aan eigen slag 
gebonden, luidt de klok 
voor nieuwe ronden, zijn 
mensen aan de wijzers van 
hun natuur gehecht, al wordt 
de finish steeds verlegd.

Wijzers van de tijd krommen 
verder door, zwart en wit in 
een mondiaal decor en elke 
tik de wereld verder draagt, 
de pragmatika van regelmaat
in het tijdsbeeld met haar 
uitgesleten treden, spiegelt 
zich naar verbeelding op een 
denkbeeldige trap, geplaveid 
door lijden en gebeden, verandert 
alleen de kleur van het raderwerk,
bestaat er meer tussen zwart
en wit in de smeltkroes van 
diversiteit, maar dient na 
elke misslag, het uurwerk van 
de hoop te worden herijkt.


Tempus omnia relevat, verba pius volent..
Tijd onthult alles, vrome woorden vervliegen.

Cicero










Woordenschat

Woorden lijken moeiteloos 
te vallen, teksten van het 
hart als ik ze drink, ze te
ademen, te proeven als ik
ze geschreven heb, zoals ze 
te begrijpen zijn, zinnen 
in een begrip als nasmaak 
van een taal, achteraf gelezen 
waarin een bittere bijsmaak
niet te ontkennen valt, maakt 
de ziel van de wereld wijder, 
verblijdt hét drinken uit de 
vruchtbare beker van haar 
tijdloze moraal, vaak te 
groot voor onze woordenschat, 
zoekgeraakt achter muren 
van de duisternis, naar de 
letter van de dichters in de 
geest geraakt, te schrijven
en menigmaal heeft gewist, om 
dat beter te verwoorden, wat hij 
al wist, maar niet bedreven had.











Kennis, de hoogste graad ?

De doden zijn niet dood,
de levenden niet levend
de tijd van het verleden,
verkeert te lang in niet 
geschreven tekens, wat
uit angst wordt vermeden,
verleert de mens wat door 
het kind is aangereikt, het 
leed lijkt een eentonig spel, 
afgrond als een ondiepe kwel,
waarin een vis zich spiegelt 
in z’n eigen hart stilstand. 

De hemel telt z’n spiegels,
waarop het licht zich deelde, de
sterren baden zich in de weelde,
bewezen in de stelling van 
Fermat, in het karakter van 
het kind in haar natuurlijk besef 
wat met dit axioma speelde, 
verspreidt zich een ideaal in mijn
gedachten, leef ik in het heden 
op gespannen voet, hongerig 
naar waarheid houdt mij nog zoet, 
waarin ik hopen mag, om die
omstandigheid te verzachten, 
begrijp dat kennis niet in tijd
te meten is, daarop te wachten 
duurt te lang, moet het doen met 
mijn theatrale voorstelling, éénakter, 
waarin het doek maar niet wil vallen. 

Pulvis et umbra sumus ipsa scientia. 
“ We zijn stof en schaduw van onze kennis." 

Vergilius















Tijdloze horizon

Zon als behang, onbeweeglijk,
de wereld is een medaillon, 
waarin gedachten zijn geborgen
als onkruid van de zee, draag
ik om mijn nek gehangen,
als doolhof met me mee,
slaap op stenen veren, drink
uit schelpen de hartslag van
hun zoute leven, gedolven 
uit het schuim op de lippen
van de golven, zoek toegang
tot nieuwe dromen, waar de 
maan z’n witte hand oplegt,
stromen wolken in een plas 
van licht als vlindervleugels, 
gewichtloos, tijdloos onthecht,
de dood is slechts een smalle 
streep aan een menselijke horizon.
In het heden, de schoonheid 
te begeren dat is levensecht












Het fronst als het regent ( haiku’s)


Hurk naast een stronk , ik
hunker naar woordenwolken,
vrijen met gedachten.

Zonder slapen maakt
de pen de streken korter,
waakt bij gedichten.

Rimpels lopen op
gezichten van de winden,
fronst als het regent.

Verkoeling vragen
aan tranen van de nevels,
lotus troost ze. 

De luchten trillen
van de vrije libellen,
gevleugelde zon.

Witte sterren, hun
geisha’s bewaken poorten
van de melkweg.
















Mijn huis, mijn lichaam.

Spinnenrag vangt stemmen, 
uit de verste nissen van 
de kamers, opgerakeld 
door mijn adem, hoewel 
ik vertrokken was blijft
er een vage afdruk op een 
leeg matras, die dag 
hoeven ze mij niet meer 
te zoeken, op beslagen 
ruiten verschijnen de
wasem van beeltenissen, 
één goede beurt, de ruimte 
maakt zich vrij van stof 
en van enig spoor waarin 
mijn schaduw verscheen, een 
tocht door kale vensters 
van de wereld, ging teloor 
in een kwade nacht, ontsnapt 
op lemen voeten, ben benieuwd 
in welk dwangmatig net ik 
zal boeten, in welk nieuw
gesponnen web ik strand, 
koos een huis zonder ramen,
waaruit draden van een vorig 
leven mij achtervolgen, aan 
mij blijven kleven als een ijzig
spiegelbeeld wat niet smelten wil.
















Onbekwaam?

De geest en lichaam
dat genoegen neemt
met een andere ziel
en onbereikbaar bleek,
moet gedwongen 
toestaan dat bewustzijn 
de moraal ontwijkt naar 
een vergeten uithoek 
van het geheugen, pleegt 
selectief verraad aan 
het ethisch woord en 
daad, blijkt gevoel niet 
met de rede gebaat, 
laat staan voor enig 
begrip, daarin verblijf 
ik verder onbekwaam.















De eerste of .. ?

Het aandacht vragen
van de telefoon, krijgt
een rituele klank, voor
afgaand aan een 
omfloerste stem, het
beperkt me eeuwen in een 
seconden lang moment,
realiteit in eigen bestaan,
dwingend in hun moraal
klinkend als metaal, de 
exacte tijd is opgesteld, 
duidelijk, schel en digitaal,
hebben ze het eerste -
en het laatste woord.












Tot aan het voeteneinde…?

Het diepe ademen
in zovele nachten, wat 
naakt en ontspannen
in haar droom de mijne 
onderzoekt, te lezen in 
een zucht wat liefkoost
het avontuur van ziel, 
en zaligheid, genezen
van rug tot aan het 
voeteneinde en terug, 
voel me ik bevoorrecht, 
angstwekkend kwetsbaar, 
wonderbaarlijk, tegelijk 
dan wel zonder bijkomend 
gevaar te worden afgewezen.














Half open of half dicht ?

Onmerkbaar, bijna
in willekeur, heb je mij
ingelijfd, in muziek die 
me niet raakt, in de taal
die ik niet spreek en niet 
wil verstaan, mij bij jouw
van wie je niet houdt. Was 
er iets veiligs en vertrouwd 
bij maaltijden die ik maak ?
Of iets wat niet in te lijven
is, een eigenzinnigheid die 
tegen tralies van de sleur 
en middelmatigheid slaat ? 
Lijkt weemoed zich in gemakzucht
te herkennen, in ontnuchterende 
ochtendlicht, valt - onherroepelijk 
- het half geopende venster dicht.


D'une part l'amour est léger, d'autre part crédule.

Enerzijds is liefde lichtvoetig, anderzijds
goedgelovig.

Moreau













“Het staat gegrift,”

Heb geen foto van je gemaakt
jouw beeld staat in mijn ziel 
gegrift ontstaan in gelatenheid,
ben ik in verlegenheid geraakt.

Je knielde en telde lidtekens
van een zwaar verleden, verteld
door zandkorrels in het zand, ze 
gleden als waterige tijd door
de dunne vingers van je hand.

Neem geen foto van je schaduw, 
waarin geen gevoel en toekomst 
wordt ondersteund, buig het hoofd, 
spreek tot eigen goden die je had
verwacht, die je vrijheden hebben 
beloofd, tevergeefs op hebt gewacht.

Vrije scoop in seizoenen zag vervagen
in visioenen overgeleverd aan macht 
en willekeur, gescheiden door religie 
en geweld, zijn de lasten van eigen 
rede zwaar te dragen, ondanks de
nobel prijs voor de vrede.

Vingers tokkelen een rechtvaardig ritme op 
gespannen snaren in een dialoog die voortschrijdt 
om afstanden in ideologieën te overbruggen, 
blijft trouw aan jouw sporen in een ongelijke 
strijd, waaruit je nieuwe hoop kan sprokkelen.

Opgedragen aan:
Aung Sun Suu Kyi (Myanmar/Birma)
Voorvechtster: Human rights en Vredesactiviste.














Uitgeleende tijd, (Haiku’s)

Een wolk gekneusd licht
bloed stroomt in gedichten,
als het doek neergaat.

Dag en dauw laaft zich
in het schemer vol duister,
absorbeert schaduw.

Groots en wreed de mens
onvoorspelbaar grillig lot,
z’n grootste dwingeland.

Slepend teloorgang
volmaakte zinneloosheid,
van uitgeleende tijd.

In aardse spasme
ruist de zilte branding na,
in dwingend orgasme.

Maangesmolten meer
vertraagt in lichtend kwikzilver,
in tempo geringd.

Het laatste ballet
grimeert de wereldstilte
als ultieme beweging.









Eerst de tol ?

Je bracht mij een nachtbedrog
een waan in schijn van een 
korte droom, mijn schroom 
deed me vermoeden en heb ik 
je mijn slaap verkocht, het 
blinde in de eerste klacht van 
aanzwellende beloften,het masker 
door het lot gebracht in de 
lust van verhitte dorsten, 
ik vond mij terug in lege dromen, 
verzadig mij in het eenzaam zijn, 
je kussen doen bezweet ontwaken
in een onwetende barenspijn.

Zeker zal ik je weer ontmoeten, 
de duisternis gaf mij je hand,
je zonden zal ik strelen, in het
boetekleed van mijn verlangens
geef je mij een laatste nacht, laat 
je slagen beuken op een hijgende 
borst, de wrakken opgezwollen 
om het daarna te vermorsen, om 
een opening te winnen met de 
gouden sleutel op je moederborst,
vergeefs heb ik de maan gevraagd 
mij in koele armen te begraven, 
alleen mijn geschonden hart 
moet eerst de tol betalen.










Logisch?

Ben ik voor niets angstig geweest ?
niet voor donker of het schelle licht,
voor een optreden op een duister 
feest, voor langdurige stiltes, of het 
jengelend verkeer of in aanstormende 
dromen waarin ik bivakkeer, waarin
het zicht en afloop niet gunstig lijkt, 
daarop is geen afgewogen verweer.

Als ik me in dat gevoel verslik
ontrafeld wordt door ontnuchterende
rede, zijn de angsten van ervaring, 
gegrond in afkeer weer te ontleden, 
verstomd de reflectie van het spiegelbeeld,
verhult verder niets, maakt dat ik stik,
verstrikt aan lijnen als marionet vermomd,
onderschrijft de noodzaak in het spoor van 
oorzaak en gevolg, processen te herkennen 
in het heden te ontleden, wordt genomen 
afstand van het toeval beloond, in evenwicht 
de logische treden de toekomst volg…..










Echomeer

Op de rug van mijn hand
in blauwe inkt is deze tekst 
herschreven, de graffiti van het 
leven op roze gekleurd papier 
wat ik in teksten beleef, ook 
wat de prullenbak niet vrat en
een kortstondig streven had,
bleef nimmer een onbeschreven 
blad daarmee worden boeken 
volgeklad, er liggen opdrachten
klaar onverschillig voor de dood en
voor het zijn, ontroerd door leegte
van de muzen, verdronken in een
echomeer, weerklinkt vol van binnen, 
dolgedreven door lege lijnen, signaal 
wat opent de wegen van de taal en 
legt de zinnen bloot in een gedicht.







Loslaten?

Ze glijden van mijn schoot
het ruime water op in boten
waarvan de kiel al vroeg
werd neergelegd, gebreeuwd,
door nieuwe tijden, het geluk 
gekozen waarop de scheephoorn 
door mijn leven weg zal vloeien,
hun lichamen schieten weg als 
mijn vermaledijde schaduw 
te dichtbij komt, verstomd
de stemmen als ware het 
bevriende mensen, sinds zij 
bloeiden sta ik op vergrijsde 
voeten in een niemandsland, 
lidtekens van het loslaten gaan 
van hand tot hand, eigenlijk 
valt dan niets meer te wensen.










Walkuren

Zijn het de Walkuren of 
ongrijpbare schimmen die 
mij de rust niet gunnen
om de raven van de
nacht te weerstreven?
Verzuurde woorden in
duistere graven waaruit
zich de ochtenden laven.
Een glimp, waarin het 
eerste licht als traan
geboren wordt, handen 
verleggen schaduwen over
mijn verweerd gezicht, 
geleefde wraakgodinnen
verhangen zich aan gouden
ringen, alles afgewogen, 
blijft zonder gewicht, de
maat van kwetsbare dingen.










Gedane arbeid

Gelukkig diegene die bedaren, 
als oude schors van bomen wordt 
geraakt, waarmee echo’s smoren
in hun medeklinkers, gloort de 
kruisgang van de wind. Nu in 
ouderdom genieten wat glans gaf 
aan de jeugd, een rinse smaak van 
de komende tijd, regen kleurt 
zich in de geur van krijt.
In gelukzaligheid te dromen in een
zetel van gedane arbeid en haar
vruchtgebruik, drijvend op de witte 
wolken stromen en de tranen uit de 
laatste knipoog van het verlaten paradijs.













Gong

Ergens moest je zijn 
en overal ben je,raakte 
je achter de schermen 
van de dood? In alles 
te willen sterven, dicht 
bij me als vluchtige 
gedachte, als zucht 
ontvloot, te willen 
schrijven, wat klonk wat 
al geschreven was, gevat
in een laatste woord wat 
in me overschoot, de toon 
bleef zwerven in een vreemde 
tongval van de wind en de 
verwachting in wat je zong 
en daar alles tussen in. 
In je vertrek weerklonk de
diepe stem van een bronzen 
gong, de eindigheid voorbij,
gekozen vrijheid resoneert 
in klankenvolle beeltenissen van 
jouw afwezigheid, ongenaakbaar, 
althans voor mij, lui jij morgen 
de vrijheidsklok, zoals je beweert?









Stille wijsheid

Verstild hoofd, 
zo stil, ondanks ik 
altijd wat denk te
horen, stomme 
geluiden kwetsen 
dovemans oren en 
de witte vlekken 
van mijn geestesoog,
berusting is wat ik zoek,
verlamd en overmand,
doe ik de dingen die om 
een antwoord vragen, 
die komen niet, stille
wijsheid laat zich in 
een illusie dragen.











Gedachten spinsels

Gedachten fladderen af en 
aan likken verse wonden
behoedzaam van de maan,
verkeer jengelt in de straat,
blikken dromen verpakt in
monotone regelmaat, maant 
ongewassen licht tot nog 
groter spoed, ontneemt de 
eerste stap de prille moed,
wordt energie vermorst, 
voorbij de dagelijkse kost, 
wanneer de nachtdraak zich 
met irreële spinsels voedt,
zich breed maakt voor nieuw 
gebroed op vleugels van de 
dag om uit een hermetische 
kooi te ontkomen. Onder een 
glazen stolp valt de nacht 
ten prooi aan een nieuw
slachtoffer van z'n dromen, 
dat houdt mij weer even zoet.











Derwisj.

Het gezicht, het wezen
is niet veranderd, maar
toch in stramme lijnen weer 
anders dan voorheen, bloed 
als rivieren meandert tussen 
de planeten, langs de hoogste 
toppen en het diepste falen, 
weerspiegelt zich het averechts 
in dubbelzinnige verhalen, 
waarin ik mezelf blijf foppen.

Kloven op het gezicht
belooft een rusteloze geest,
vraagtekens in beider ogen
als ze zich sluiten dan draait 
het verleden als een derwisj 
om het zere been van iemand
anders, gedanst over alles heen.
Deze carrousel verslikt zich in 
de draden van de tijd, wat eeuwen
leek verdampt in seconden, in dwaze
lidtekens van gesloten wonden, een 
voortschrijdende droom verbonden.
en een eenzame strijd maskeert.









Wedloop

Gereinigd door stilte
en ongeduld, op jacht
naar volwassen zinnen,
gedachten en het glas 
rijkelijk gevuld, voelt 
hij leegte van binnen, 
elke streek bevat een 
daad, een woord, stuurloos 
bouwt hij voort, droes 
sleurt hem door de tijd,
bakt het dagelijks brood 
een plichtmatige roes, 
buigt meewarig over frasen,
waarvan de strekking niet 
begrepen, verbindt onmacht
aan onvermogen, in het
ochtendlicht wordt een nieuwe 
wedloop overwogen, sluit de 
ogen in gedichten waarvoor hij 
nog geen woorden heeft bedacht.












Fictief?

Laat mij mijn 
weg maar gaan,
deze ruimte is 
mij te verheven,
mij te schikken
naar diegene die
de grenzen stelt,
die eenzijdig te
bewaken, en in
eigen flexibiliteit
verstrikt geraken, 
zal stikken in 
verlangen, vrij te 
ademen, denk niet 
dat ik mijzelf al ken.

Onafhankelijkheid 
ingebed en gewend 
aan ruimtelijke 
vrede, verlaat me
op de dictie van 
de rede,wordt een
beoogde zekerheid
een louter relatief 
begrip, één door angst 
gevangen fictie,ver 
van het beoogde doel 
van zelfvertrouwen,geeft 
een misplaatst gevoel 
van verworvenheid in een 
begrensde duurzaamheid.











Merktekens ( Rythme en Provence)

Wijnranken in gelid
strelende zoete winden
waaraan gemoed is ontpit,
grond gedeukt, in kalk 
verstrikte horizon, een
zon die aan de hemel likt,
cypressen , metaforen 
van groen, geërodeerd om 
een droge dorst te lessen,
stilte van gehooide akkerland,
mengt in het gedruis van
cicaden, een bedwelmende
achtergrond op het grafschrift
van dorpen op de grens van
vers gedolven licht, spuwt 
erosie en tijd hun merktekens
uit, herplaatst zich in een 
ander perspectief en vergezicht,
rozet van tijm en lavendel 
gedragen schragen, monument
van rozemarijn, ontvreemd aan 
elke dood, tijdloze schoonheid 
te laten heeft geen woorden nodig.











Sporen in licht. 

Brokstukken van tijd
originaliteit verpakt, 
morgen weggegooid.

Hemel maakt theater
doek valt voor het bijgeloof,
toch geprolongeerd?

Onderhuids zaaisel
façade achter gevoel,
dichterlijk maaigoed.

Voetbal Guru preekt,
gewonnen, verloren is
welke kant je kiest. 

Spoor in morgenlicht
schokkende kar met dromen
je hoort ze kraken.









Stuifmeel,

Twijfel zaait onnavolgzame 
schaduwen over stoffige paden,
doelen die in de loze engten
van de verten lagen, bleven 
verscholen achter luchtkastelen 
en onbereikbaar bleken,
zorgeloos was ik vertrokken, 
met gebonden handen aan 
weerszijden van de akkers, 
strijkend langs goudgele aren,
verwaait het stuifmeel van 
rusteloze zielen tot waar de
wereld reikt, waarop ze zijn
gedoogd. Maar vertrouw de 
richting niet, alleen de liefde 
blijft toegankelijk en echt, al
zijn haar velden veel gemaaid, 
naast de sterren waarop zich het 
leven hecht, maar de hemelen 
die blijken te zijn gelogen.

“ De amoris non est disputandum ”
Over de liefde valt niet te twisten.









Woordenzon

Door het stopgat van 
mijn woordenbad blazen 
resten schuim een laatste 
adem uit, eisen hun tol op
als de dag de nacht doormidden 
breekt, als het duister zich 
verslaapt in greppels, beroering 
van ruimte in de morgen,zich 
te bruskeren met beelden,die ik 
reeds al zo lang verzon, me te 
voegen naar de dynamiek van 
vrije forellen, voorwaartse 
sprong in hun beweging, een 
opwaartse stroom van zinnen 
om mij mee te voeren naar 
stilstand water, lui laverend 
in de eclips van de woordenzon.










Uitzicht of inzicht?

Lawines van de wolken,
slagbomen van de horizon
houden dromen niet tegen 
in de opwaartse beweging 
van een luchtballon, verwarmde
woorden in nieuw gedicht,
naar de oorsprong van het 
onbekende in een vlucht van 
akkoorden om het inzicht te 
verspreiden van herinneringen,
te kiemen tot waar de stilte is 
geland, een bevlogen ruimte te
vullen met een hoopvol zicht.









Jasmijn

Dauw op de jasmijn, 
sterk en broos, de 
tranen opgedroogd, je
liet de schoot los, om niet 
in vooroordelen te worden 
gewogen, je streed in de 
boezem van een eeuwige 
bruid, wit gesponnen draad 
in jouw gedicht, brokaat 
van kiemend zaad, te vroeg 
geoogste vrucht, tederheid 
met een ruggengraat, vermeed 
wat iedereen dacht, koos voor 
een zelf uitgesproken zucht. Je 
vertrok zoals je het had 
geschapen, in een unieke 
daad, in een niet te wegen 
oordeel, besteeg de hoogste 
graad, van verbeelding om 
niet te worden gewist tot ook de 
voldongen nacht mijn geest omsluit.









Tien zwarte schapen (haiku’s)

Stapelwolkenlucht,
zwarte schapen van een jeugd,
niet te begrazen .

Na een natte tocht
verwachting op de bamboemat,
wast z’n voeten.

Voor de boeddha 
glimmen duizend vuurvliegjes,
in een lotuslach.

Zonder te springen
buigen ze voor hun prooien,
de tijgerlelies.

Sumoworstelaar,
meditatie, zijn adrenaline,
beheersing van macht.

Paraplu beschermt
huid tegen zon en regen
drupt verlichting door.

Vensters in het hoofd
over het hek van illusies,
springen lammeren.











Scherp getande zon,

Oceanen liggen rimpelloos te wachten
in witte en oranje gewaden, verdrukt 
verleden die ze niet af kunnen gooien
de loden mantel van de hetze en de 
haat, om de overkant te bereiken,
hun Nirwana betreden, gebleekte 
waardigheid van gouden tempels die 
men liet, weerspiegeld in kwetsbare 
oases zover men ziet, als vreemde
meeuwen de hand werd ontboden om een 
vrijhaven te verdienen, gestrand om 
de waarheid te dienen, geringd door 
een ideologie, voornoemd te vluchten in 
de hoop zielsverwanten te ontmoeten waar 
stemmen werden gesmoord, alles te duchten 
viel met het kloppen op de hemelpoort, 
door ongeloof en afkomst niet gehoord, 
in de loop langs gesloten deuren, net 
zolang, uit onuitgesproken trots en 
mondigheid, de muren van de kampen 
begonnen te scheuren en blijft als 
veenbrand onderhuids woekeren en voedt 
de kern van elke cultuur, zolang die 
maar niet onder onze eigen voeten woedt.

Ethiek kiest een plaats ergens tussen waan 
en wetenschap, de aarde zoekt een andere 
baan, dan verliest de wereld een belangrijke 
eigenschap in de humane stralen van de zon, 
alleen die weet wat speelde, hoe het verhaal 
begon, essenties gaan verloren als men die niet
kent op elk moment op een willekeurige plek, 
nemen wij de volgende stap in ballingschap?.

Opgedragen aan mijn geloofsgenoten: 
Tenzin Gyurme - Lhasa/Tibet (corr.)
Hosni Abbras - Ramallah/Palestina (corr.)










Scoop?

Onder een monnikskap, waaronder 
de kleuren zijn verschoten,waar 
door tand des tijds het bloed 
langzamer doet stromen, aanvaardt 
alleen het zaadgebruik, te strooien 
met getaande hand uit realiteit, 
zonder wachtend spoor van bitterheid 
in hart op horizon gericht en de scoop 
wat kleiner wordt, voorbij de gulle 
zomer blijven zoete herinneringen naar 
verliefdheid die zich over de aarde stort 
als water uit een bloemfontein, die stijgt 
en daalt als vrij gevoel wat zelfstandig 
ademhaalt, ijkpunt voor dichters dromer.











Morellen

Kan nog steeds niet wennen, 
getijden gaan vluchtig, ik vermijd 
dat ik hang aan een onvoltooide tijd, 
waar meisjes onbetaalbare kransen halen 
uit de lentezon, getooid met gekleurde 
linten, geschetste aquarellen van hun
vragen, waarin schuld en schande is 
ontlast,toch zullen dragen, de kleine
danseressen op de spitzen, stelen 
dansend madelieven uit gemaaide gras, 
delen speelsheid met libellen naar 
believen op een aards gazon,opgedragen 
op glazen vleugels, vertellen de intiemste 
geheimen in het struikgewas, waarmee de 
zijden kousen in eerbaarheid zijn bekrast, 
benen met schrammen door scherpe 
doornen in het krieken van het licht, 
zure morellen werden gedorst dan 
zijn zouten tranen niet vermorst, had 
men het bij het begin gelaten zoals 
het was, opnieuw beginnen als dat kon.











Zeeën van azuur

Bij gevaar, kruipt de 
krab alleen maar weg,
hij is geen lafaard.

Lentezon spreekt aan,
hoog meten ze hun krachten,
mijn leeuweriken.

Een bonte specht,
kiest slechts een simpele stam,
ver van de bloesems.

Bosviooltjes in bloei
wat klinken ze klaar en helder,
kinderstemmetjes.

Bloesem dwarrelt neer,
varen steekt z’n handen uit,
verpakt de zegen.

Eeuwige zomers,
badend in zeeën van azuur,
daar wil ik sterven.

In sterke winden,
waar natuur nederig buigt,
om niet te breken.









Op een klein stationnetje….…

De dag ijsbeert in kille regen,
marcheert over druilerige perrons
op een vroege, bleke zon gericht,
gedachten boemelen naar lege 
horizons, passagiers tot niets 
verplicht, lange stramme ijzers 
en gevoelens smelten samen in 
een optisch bedrog, uit synergie 
een eigen doel beramen met de 
losse eindjes in hun zog,
strakke teugels in luie loom, 
trage cadans verdwijnt langs 
kale biels en in rood en room
geblokte bomen, onveilige signalen 
werden genegeerd, niet opgepikt
in de tussenliggende stations, 
ondermijnt een refrein wat verder 
spoort in geblindeerde wagons, 
om zich in cadans te laten wegen, 
niet aan ijk en eindpunt gedacht, 
weinig balans op een dood punt, lijkt 
een halte te ver, blijf maar wachten
op een volgende trein in de regen.










Broos?

Choreografie van angst, 
het falen, een trein net niet 
te kunnen halen, mand vol 
levensschalen, uitgegleden 
op de medeklinkers, uiteen – 
gespat in zinnenloze verhalen, 
steeds voor gelijke droom te
betalen, een spoorboom die 
niet open gaat, vandalen op 
de hoeken van elke straat, 
talrijk zijn de klinkers met 
een eigen gelaat in de geest 
die ontspoort in eindigheid,
gesloten door de realiteit te
beliegen, zich te laten wegen, 
menigmaal ten onrechte gedacht
maar te laat, te veel verwacht, 
ten leste maar gezwegen, waarin
herstel niet werd geheeld, schrik 
wakker, knieën knikken, gedachten 
vervliegen waar de stakker dreigt
te stikken, tijd om de broosheid 
van verbeelde wonden te likken.










Stilte resistent?

Vanuit een verloren stilte,
boren miljoenen zielen 
zovele gaten in gordijnen
van het paradijs, steeds meer 
licht priemt door onwrikbare
schaduwen, waarin de onmacht 
wordt beleefd. Wanneer het
verloren bloed door de mazen 
van de schijn is weggevloeid, 
kleeft smart van arbeid aan 
ieders handen, geronnen de 
harten van rechtvaardigheid, 
geketend in peilloze plooien 
van het boetekleed, als brood en 
spelen aan de wereld uit te delen, 
het frêle lichaam van de berooide
aarde door latere generaties 
getroost, gezeefd en wordt nieuw 
kiemgoed wijs en resistent.


 









Glazen dak,

Schrijf wat ik niet kan eten,
kan bezitten, niet kan schilderen
schrijf wat niet stil blijft staan,
schrijf wat ik niet kan kweken,
niet kan vangen, niet kan vergeten
schrijf wat niet te raden is, begrijpen
om zelf maar te weten, schrijf over wat
ik niet omhelzen kon, verwennen of
verwijten, schrijf over verwildering, 
betreuren van herinneringen, schrijf in 
dromen die nog zullen komen,  schrijf
in zwart en wit, beschrijf het zingen 
in het roepen van de nacht, de stilte
van een euforie als ik ringen van
planeten zie in het prisma van het
glazen dak, waardoor het onomlijnde
blijft lokken, zichtbaar in een vast
contour, onomlijnbaar in lief enleed,
voert mijn slavernij, schrijf maar af 
wat ik niet weet, daar kom ik niet meer
bij, geloof niet alles wat geschreven staat.













Zwaartekracht

Zo-even ontwaakte ik zo zacht,
ik dacht dat ik kon zweven, 
waar eindigt zwaartekracht tot 
hoever reikt de macht van leven? 
Kan ik nog de sterren raken, 
het hart te groot, totdat ik 
mijzelf er buiten sloot,verloren 
in de ruimte van de atmosfeer, 
aan de gene zijde lonkt de 
bloeiende heide in kansen op 
het ritme van de genen heen 
en weer, zwijgzaam roepend, 
bevreesd dat iemand mijn 
stemgeluid zou horen, als ik 
in iemand anders was geboren.









Tweeslachtig?

De dichter verwekt tekst in stilte,
verwerkt de kilte in z’n dicht, verbindt 
zich met het vrouwelijke, verdekt in alle 
muzen, hij zingt het voort, belooft haar
trouw, verkent verrukking van haar schoot
en lichaam, verdubbelt de hartslag, de
uitputting nabij, door kansen die ze hem 
bood, zonder berouw en ogenschijnlijk vrij. 
Vervloekt onomwonden onrust in de 
baarmoeder van de morgenstonden of bij 
de schater van een ironische maan, als 
geen vorm of toon kon vinden, een ander 
pad moest zoeken, ver bij zichzelf 
vandaan, dan komen beide seksen dichter
bij hem staan,wordt geluk hem niet 
ontnomen, dat is poëzie uit één stuk.











Aambeeld van de poëzie

Aarde is hij, gestampte vreugde 
en verdriet, teelt van verleden 
en een toekomst op de akkers 
van nog te vormen taal, waarop 
hij alleen het onkruid wiedt, 
gewassen woorden ontstaan in 
trage groei, breekt inspiratie 
open, gezaaid in onwelriekende 
geuren van bemeste grond in 
een bestaan dan komen literaire
knoppen geleidelijk tot bloei, 
spottende maan met z’n bottende 
streken schrijft bigamie in dicht 
en morgenlicht, drijft de wereld
in een zee van ironie, waar 
alleen het sceptisch cynisme 
overblijft,ploegt voort in 
schemerig evenwicht als gulzig 
dromer, balancerend op een 
laatste pennenstreek tussen 
bedrog en eigenwaarde in, op het 
aambeeld van ongebreideldheid 
waarop de poëzie het best gedijt.













Uit het juiste hout

Ik hebt mijn basten afgepeld, 
verwondde vel over mijn benen, 
hoe kwetsbaar ongekorven hout 
in de jaarringen geteld door 
botte bijl en beitel geschonden,
onbewerkte in ruwe staat, wat 
terugslaat naar onbedekte schenen, 
verwijst naar oude wonden. 
In diepe nerven wordt het koud, 
geraspte krullen leven liggen 
om me heen, vermengen zich met 
druppels bloed, hartsap kan de 
pijn niet lichten, zo rasp en 
schraap ik iedere vezel, harstranen 
de barsten niet kunnen dichten, totdat 
er niets te pellen overblijft uit de 
ziel van de onbedorven kern, dan ben 
je uit het juiste hout gesneden.

 











Parels voor de zwijnen ?

Wat heb ik het verloren, toen ik 
omkeek en vele zonnen ouder was,
vergeleek me toen ik geboren werd,
leken beiden helften even echt, 
in gevecht met een al verloren duel ,
leven met de dood begint nu pas,
zocht naar de bron van kwalen in het 
hof van Eden, verzonnen waarheid
reikt verder dan het adamsblad, 
ogenschijnlijk lagen parels verder 
in het verleden, gekozen kiezelpad langs 
roze zwijnen, verpakt in een verveelde 
krant, geschreven uit een vergeelde hand.













Dimensies

Een zwerfkei vergroeid
z'n wezen tussen wat 
zand en klei. Kijk, 
hoe hij vrijelijk ademt
hij voelt zich kei.
Niet anders dan los grind
waar dimensies minder tellen
en vriendschap wordt bemint.









Paradigma? ( Ergo Sum )

Alléén in geest is 
weinig gegeven
wat bij géén 
wezen lukt, 
blijft maar even,
onbeschrijfelijk
rukt de smart 
aan tintelend vel, 
de essentie van
verliefdheid, 
aangeboren, 
tussen heelal 
en de hel,
zit veelal 
tussen beide oren, 
paradigma om
bij de soort te
overleven, wat ziel 
en lijf niet scheidt, 
meer kon Descartes 
ons niet geven of wel? 












De Wiggelaar

Beneden voert een holle weg
waar groene heggen kronkelen, 
langs een nauw verleden waar de
stilte zich genesteld heeft in het 
‘omen’ van de olmen naast de kerk, 
verheft zich tijd naast eeuwigheid, 
daar huist een heremiet in z’n 
eenzaamheid, mens voornoemd: 
als Wiggelaar, ontvlecht de oude eiken 
van hun pijn, loogt de holle frasen 
van tijd in azijn, wiggelt wind en 
water om orakels in te zomen in 
dromen verhuld in een gouden pij; 
de vrijplaats van alle borelingen.

Hij beziet z’n zegeningen in het prisma
van de stervelingen, plaatst rozen van 
sterrenstof in uitgeslepen wegen,
zwarte spiegels van de kosmos, die om
een nieuwe trap naar de toekomst vragen. 

Hij schenkt geest en gave uit reine aarde, 
maakt de wereld stil en groot, daar houdt de 
dood haar adem in, zich op een baar op 
zijden voeten in eeuwen weg te dragen.

( “Cito pede labitur aetermum” ) 

"Waarop te wachten mijn schaduwvriend, 
om samen het houten kruis te schragen 
net zolang je de hemel vind ? “


 








Het ondeelbare

Uiteindelijk raak ik verzeild
in afgesloten kamers, door 
zinnen, stuwing van het bloed 
door aderen waarin het hart te 
groot de geest te nauw, ritme 
van zin en woord verstijfd in mijn 
roman, de plaats verkrampt in grijs 
en groen, in tijd niets meer vernomen, 
het laten een constante druk van 
wurging als ik binnen kom, tussen
aarden dekens kan ik rustig stikken,
beklemt en luchtgebrek keren 
zich in het ondeelbare en voltrekt 
uit het hermetisch zwart, zonder 
dat op schrift in het lijf is gezet,
kom ik thuis, als kraaien in een
zwarte schim die kleur en kracht 
van grond hebben gestolen, als 
klauwen touw een gedicht ontwindt 
en kluwen transparanter wordt, 
zich vergelijkt , verdicht 
- tijdelijk - even opgeschort.


 










Herens wegen

Ver in het druisen op de wegen 
van de heer, wordt mens en dier 
opgejaagd tot dat ze hun rustplaats 
vinden, wat geschreven staat in 
het bloedend hart van tijd, in draf
rennen ze de aarde rond, ver vooruit 
de zones van ideologieën, onafgebroken 
zonder tussenstations, spannen ze zich 
in en de vermoeide paarden uit, 
aangeklaagd in landen, waaronder een 
lege zon de nachten blijven heersen.



 







Heemtuin

Zoek een plekje in de heemtuin op 
het gras, let maar niet op mijn gelaat,
uiterlijkheid lijk ik anders, ben 
wat stekelig behaard, als u mij uw 
hand toereikt moet u niet schrikken 
het geeft misschien een vreemd gevoel, 
het is niet wat het lijkt, daar mag 
u niet van schrikken, van inborst 
ben ik zachtaardig en fijn besnaard, 
als je me wil kennen op den duur,
om zich te keren naar mijn aard,
integreer als rechtschapen buur in 
uw geboorte grond maar in kleine potten 
wortel ik niet gezond, wat indruist 
tegen een vrije cultuur, dan nodigen 
wij u uit voor een kopje netelthee, 
gebrouwen op een sacraal komfoor 
op een tijdstip dat mijn halve maan 
uw hemel kruist, voor beider horizon 
als metafoor, als u uw mening kuist.


 














Onuitwisbaar

Niet meer van deze wereld
verankerde hart en nieren
in een levende weerbaarheid,
geen diepe smart, een sterke
eigenheid valt niet uit de toon
onmiskenbaar consequent voorafgaand 
aan een onverwachte dood, een talent
in een tijd, zichzelf de niches ood
waar die creativiteit in wordt herkent,
niets te verliezen, om alleen te kunnen 
winnen, een gave om voor een toegevoegde 
waarde te blijven kiezen, voor zichzelf 
of voor een geselecteerd publiek om uit 
karakter vooroordelen te bedwingen. 

Morgen zullen deze tekens onuitwisbaar 
blijven, geschreven rimpels voort - 
geblazen in een lentebries, herkenbaar 
in wat bleef, zal de kilte wat verdrijven, 
het zal je zeker goed gaan beste Driek.













Glimlach van het avondland 2 ( zen)

Waar de tochten gaan
dragen bloeiende sterren 
mij in een zetel.

Brengt de schaduw licht
in harten van kinderen, 
als de zon ondergaat.

Weidse grasvlakten,
lotussen aan de hemel,
verdiept de melkweg.

Blauwe regens
aan de verre horizon,
valt zonder druppels.

Veel schapenwolken 
hemel vol verwachtingen,
waar is de herder?

In meditatie
dwalen verholen blikken 
naar werelds schoonheid.

Rode klaprozen
bloeden als ze rijpen,
rouge op gezichten.










 



Glimlach van het avondland ( zen)

Waar licht komt baden,
lekken trage schaduwen,
tranen uit de maan.

Afgeschoten pijl
beheersing van de snaren,
de boog ontspant zich.

Op een steen gehurkt
kijk ik naar de woordwolken,
vrij van gedachten.

Vuurvliegen in tal,
dronken van het bruisend bloed,
om mijn lampion.

Pioen straalt licht uit, 
wat hij overdag tot zich nam,
lampion in duister.

Verdeeldheid zaait zaad
in de verbrokkelde grond,.
het blijft aftellen.

Sporen van stilte,
glimlach van het avondland,
zon op bamboestok.

 












Wijde mazen

 

Iedere levende letter
in vis vaak gevangen
in vertroebeld water, 
het wijze net met wijde
mazen was te groot, 
om daaruit een nieuw 
begin te blazen, ketter
tot in de schoot, iedere 
gedachte teruggevallen 
als afgeschoten pijl 
bedoeld om terug te 
vallen op de aarde 
zwaar als lood om
begrijpend naar luisteren
zonder iets te doen als 
dat kon en simpel lief te 
hebben in de zon. In alles 
wat stilstaat verandert 
niets, wat vergaat wordt 
sterfelijk, in de namen van 
de dood vind ik geen troost, 
hoop dat woorden blijven 
zonder schrijven in alle 
geletterde dingen die ik liefhad.














"Gek op z'n berg"

De wereld als wondertol, spint rond als 
carrousel, caleidoscoop van fragmenten,
geklommen naar de top, ontstegen aan het 
aards gareel, herken ik mezelf niet in
veranderingen van dit aards tijdbestek 
en hou mezelf voor gek, lijkt ieder stukje 
zichzelf te spiegelen, niet ieder krijgt 
dat deel, aanschouw dat menigeen aan
eigen berg zal moeten bouwen.

Gewassen in zure regen , ruizen 
beelden als waterval voorbij in de 
cyclus van visioenen, gedachten door 
het slijk van macht gehaald, seizoenen 
van verwachting getijden niet keren, om 
een andere toon te vinden, gecomponeerd
op een blanco toetsenbord, aan mijzelf 
opgedragen, waarvan ik niet wijzer word.

Perspectief waarin het besef louter relatief 
wordt onderkent draaien mijn droomwieken 
rond als 'spinning tol', moet ik aan een trager
ritme wennen anders draait de boel weer dol, 
schimmen gieten molenstenen om mijn nek,het 
blijft een zware klim naar een hoger doel,
waarheen de maalsteen van de tijd niet te 
sjouwen is, bergafwaarts rolt in dat kielzog holt
de wereld met mij mee of was het andersom?












Vergulde wijsheid

Badend in z'n stralend 
ego staat hij van zichzelf 
verguld, draaiend op de 
wieken van de wind en wereld
zoals wij hem altijd hebben 
gekend, om zelf nimmer aan het 
firmament te verrijzen, scharniert 
een stilte van victorie luid over 
daken,loyaliteit in de windroos 
van geduld, staat hij fier aan top, 
weigert klachten uit de krop 
te slaken, arrogantie straalt uit 
z'n virtuele vrijheid en blikken 
veren en de kop, weerschijn van 
het aardse kunnen hem niet deren,
als de tijd zich in tegenwind zal 
keren, z'n kam een tegendraadse 
richting kiest, dan ontstaat pas
ware wijsheid, in zijn positie 
boven iedereen die naar hem wijzen.











Klein telraam

Hoe de dagen aan mij
ontkomen, telkens loopt 
een ander tegen het
openstaande raam. Het
kind in de keuken eet
niet uit mijn hand, zelfs 
de blikken pannen heeft 
ze roerloos laten staan, 
zeldzaam telt ze haar 
uren op een houten raam, 
daarop is het echte leven 
pas begonnen, zij kan het
niet helpen want ik ben 
het enige dagboek wat ze 
ziet, waaruit bladzijden zijn 
verdwenen en dat van mij 
erbij wat ze leest om te 
hechten, verpakt de genen in een 
lied, geeft zich een eigen naam.











Klein testament

Ach, konden we maar terug 
gaan naar die lentetijd, te
verdwalen in de regenbogen 
van beider ogen, in overtal 
de kansen wogen, bevlogen 
van geloftes naar de wereld 
en onszelf, ingetogen 
onbedorvenheid, fundament 
van het onvermogen, de 
kwalen van het ongeduld,
onbegrepen en miskend..

Ach, konden we dat ene holle vat 
aanslaan, gevuld met een naïeve 
zekerheid, waaruit de vermolmde
bodem werd geslagen, rozen -
water zich tot wijn liet schenken, 
in het labyrint van onze mythen 
te dwalen, verdronken in de droes 
die de vurige horizon nog niet 
gekruisigd had in spijt van bitter
geperste tranen, nooit bedoeld te 
drogen, treft beide geen verwijt.
Wie heeft de onzin uitgevonden 
dat tijd heelt alle wonden en toch 
als blijvende pijn zo werd gevoeld.











Fixatie 

Verhul me met het duister,
liggend in een luie stoel,
verwacht dat sterren vallen,
buiten rukken koeien - in zwart 
en wit - aan grassen voor die
kunnen gaan bloeden, traag 
trekt de beek aan het sompige
bit van de horizon voor die 
begint te gloeien, licht gericht 
op mijn ongezoolde voeten. 
Ik kwam raad te kort, koos 
voor de samenloop van het 
ongeschoolde sentiment zonder 
daarvoor te boeten, er was
niets omhanden om de tijd te 
doden, las vlijt en vlucht in 
de ogen van afstreepte nachten, 
maant de maan tot vrije val, 
dof kristal van het verleden, 
zaait kometen in een mal, om 
dagen te ontginnen, voordat 
ze zijn begonnen, legt de tijd 
mij aan gefixeerde banden, 
begraven onder naamloze zoden.






 



Zoetste vrucht

Uit haar schoot weerklonk 
sirenen, gezang zonder 
woorden, stapte ze uit haar 
lichaam, gebaarde met de
ogen en haar lippen, vast
besloten, alsof ze mij haar
zegen gaf,- wacht met wegen
niet te lang -, er ligt een 
een zoete vrucht te rijpen 
met onontdekte pit, die zal 
botten, als de Alpentoppen 
gloeien tegen het decor van 
het naderend ochtendlicht,
ranke dalen nog half gesloten,
ontbood ze mij, voorbij een 
onbereikbare voorstelling uit
het ultiemste van ons wezen.












Vuurdans

Twee ongelijke stenen
in melkwegen vol vuur
ontstaan in een tomeloze 
energie van warmte, de 
ijskristallen waarmee ik je
huid bespeel, kippenvel
ontdooit op den duur, 
verbrandt de littekens uit 
de as van het verleden, 
alleen de vonken houden 
stand, trekt de werelden 
strak, vrijwillig verlangen
in onzichtbare tekens, van 
kwetsbaarheid ontbloot, 
steelt verwondering naar 
elkaar, in een tijdloos 
liefdesuur waaruit de passie 
van de levensbron ontspringt,
voorbij de vage dood, die
in eigen lied verzinkt, kies 
de vuurdans van het leven, 
in dat éne glorieuze moment,
al was het maar voor even.











Erfgoed.

Als ik op een lentedag
mijn huisdeur zal openen
vloeit mijn gezicht over 
daadkracht, getekend in 
een gele zee van velden 
van gisteren,in zoverre mijn 
huidskleur die weelde kan 
verdragen, stroomt de natuur 
van onbegrepen zinnen over
mijn gelaat, onbehagen 
schept een tijdloze adem van
onbegrip in half bereikte 
doelen. Zien zonder te denken, 
kunnen zien wat ik werkelijk zie, 
in de eenvoud van het erfgoed van 
een paardebloem die geduldig 
wacht totdat een gegeven bries 
het zaad zal dragen naar een 
hem voorbestemd gebied.











Onverveerd ?

Tinnen soldaatjes
onpopulair gesmolten
tot nieuwe figuren.

In het rood en wit 
schuilen de vrije mussen, 
het blauw is in rouw.

Stilte op het plein,
siddert in verbaal geluid
morgen nieuwe ronde. 

Vrij lijkt onverveerd
van angsten te bevrijden,
hoop blijft ongedeerd.











Passanten ?

Droom op droom te bouwen, de 
wolven hebben de nacht gemerkt, 
wat eerst op zwarte gaten leek, 
sloot zich op in een verbond 
als schapenwolken op de vlucht, 
in het licht tot het duister 
als een klucht geketend door
list met de tong verscherpt, 
verwerpt het zuivere wiel van 
geest en ziel, absorbeert de 
energie tot beelden waarin 
de helderheid ontbreekt, zijn 
te repareren met oprechte daden 
in een echte drang te ageren, 
is in 'mond en mind 'gesmoord, 
verlamd tot verbale angst,wat
in het verleden werd vergeten 
in het heden weer versleten,
waaruit de stilte spreekt tot
ik op de hoek van de straat 
passanten ontmoet, die met 
de obsessie breekt, geeft mij 
“en passant” wat verloren moed 
en houdt vele burgers zoet. 



















Ongezouten

Als ik nog ongezouten tranen 
overheb uit alle zotheid van de
tijd, die zich vrij laat stromen in 
een verbond met een bodemloos 
gelegen zee, schep ik ongenoegen 
in een emmer waar de bodem is
uitgeslagen, waar des ondanks 
de dromen ongestraft uit blijven 
komen in het kielzog van de 
zelfgenoegzaamheid, tegen alle
zwarte gaten in, dein ik geblinddoekt 
in de wals der sterren mee, verkoos 
mijzelf te overschatten in verwachting 
van bescherming van het nog te 
verwekken kind, tot dan zal ik mij 
mateloos bezatten, net zolang totdat
ik ergens haar verloren tranen vind.















Voor vrienden

Heb voor mijn beminden 
het mooiste bewaard in de 
bloesems van de linden, in een 
geknutselde populier boven
onkreukbare schermen van de 
vlier, ontstaan uit hachelijkheid 
en angst van het verraad van alle 
spitsvondigheid, waarin de tijd
het evenwicht bewaard op de vlakten 
van bos en akkerrand, felheid bestreden 
in klare zinnen van een oogopslag
aan de waterkant, waar dove netels
- in hun soort - zijn vertaald en 
op de blaren werden terugbetaald in 
geboorte en de dood, een levenslicht
zag in een broos geheel, waarin de 
essentie werd gevouwen, verval 
gekozen uit de diepste pijn zonder 
daarover te moeten rouwen, maakt
een einde aan de sleet, is dat 
tijdperk gedoemd tot verder snoeien?











Drooggevallen

Gedragen gewaden van wier
in wind verwaaid roepen ze
wat ik had willen roepen, ze
wijzen de weg, niet wetend wat 
me beweegt, roerselen die zij raken, 
watergeluiden steeds met andere 
smaken, kraken de spanen die ik
ontbeer, mijn schip schuurt het 
land, drooggevallen in profetieën, 
overvloed vlotgetrokken van de
wanen en hun klippen, geduld
spreekt uit murmelende lippen,
als melodieën van hun zinnen,
spreken taal maar niet de mijne.










Diaspora

Je woont waarin je het beschrijft, 
een bos kan niet lichter zijn, 
je stelt je in op dingen, die je 
drijft met groter diafragma vast, 
haarscherp raak je het beeld,
uitgelicht in elk tegengesteld 
contrast, ieder detail wordt in
kritiek getoetst, wisselend ontwerp
die dichters last verscherpt in 
schijn en verwerpt de buitengrens,
in de diaspora van het domein, de
verbijsterende werkelijkheid die
ik zie, de ontdekking van elke dag.










Niemandsland?

Ze plantte een heimtuin in mijn 
hoofd, fluitenkruid bloeit aan gene 
zijne zoals ze heeft beloofd, bloesem
legt een sneeuwtapijt over alle resten 
die zijn gezaaid, uitgedunde oppervlakte
laat zich niet bemesten, de overkant
behelst een ruw gebied, de dove netel 
claimt de overhand, weelderig onkruid 
bemant de horizon zover men ziet. Met 
de schoffel in de hand, lijk ik tegen die 
snoeiwijze niet te zijn bestand op de 
scherpe snede van het seizoen toen ze mij 
verliet, verwijzing naar het niemandsland
kon mij niet boeien, heimtuin werd weide
want daar lopen zwartgevlekte koeien....












Ze staan in het krijt"

Op een zwart schoolbord,
werden psalmen gekalkt,
ze staan in het krijt.

Hoge verwachting,
bespeelt de toekomstmuziek,
vervalst de tijden.

Geweest is geweest,
verpulverde gedachten
recycling van de geest.

Het is soms beter
de stilte te beschouwen 
tussen teksten door.

Wereldmuziek raakt
gevoelssnaren, vibreert niet
in elke toonsoort.








Milder?

Levenshonger, ongestild 
vertild in beelden die ik 
zag, soms oeverloos, ongewild, 
tergend achter mij en ziedend 
kielzog aan, daarop de woede 
te verkwisten, bleef 
genoeg te redetwisten, 
begroef de nachten in dat
éne woord wat kwijnde, als 
milder antwoord schuldig 
bleef, beproef de bittere
kruiden tot het einde,
maakt het niet jonger…










Cocon

Met z'n poten had de morgenspin
me in de nacht besprongen
met haar tranen ingesponnen
verstilde lijnen van geronnen 
uren, verzonnen in krap gemeten 
tijd,ongeduld bleef aan me kleven, 
een keurslijf wat de toekomst bleef 
verzuren waarin het bloed niet wilde 
stromen om het gewicht te wegen, 
verder dan de vaste pijn, verleidt 
tot eerder gekozen doelen, verdriet 
ontplooit in eerste voorjaarsregen, 
schuilend in een cocon van onvermogen,
as van verlangen in kruiken aan de aarde 
toevertrouwd, in de ochtend uitgestoten 
hangen loten van ervaringen te drogen 
in de lentezon om dan weer uit te lopen.










"Versleten"

Mijn verhaal is tot
de draad versleten,
ik stop mijn ogen 
dicht en schrei, gebed 
diep in oude dromen, 
zonder eb of vloed,
in kansarm tij, in een 
toonloos duet door
menig dichter reeds 
bezongen, een ultiem
lied, van ziel tot hiel
gedoopt in een literair
verbond tot herhaalde
daden werd gedwongen, is
het moeilijk te verklaren 
wat Achilles en mij zo
hebben verwond, tot 
welke soort ik hoor 
of uit welke ruif ik 
werd gevoed weet nog 
immer niet en moet 
ervaren wat me het 
meest bekoord,als 
vogel uit het lot of 
hand z’n nest beschrijft
op smalle rand van z’n
bestaan, houdt de schaduw
van mijn schim het 
langste stand tot ik op
korte wieken met beide 
poten op de grond en
realiteit ben aangeland.













Eigen wil?

Ik heb mijn leven niet
in eigen wil gezocht, het
beleefde zich in wat ik 
wilde of niet kon zien, 
bedrog van regenbogen,
prisma’s van de ziel, waren 
alleen maar enkel ogen, 
dat wat ik wilde zien, 
werd in verbeelding 
even vaak bedrogen,
bij gratie van de tijd
die hun maat opneemt,
zou anders willen zien 
dan aanschouwen, verder
dan de vorm, zonder tijd 
en ruimte zou ik alles
kunnen missen gezien in de 
intuïtie van de werkelijkheid
zou dat beeld verrijken,zonder
me daarop te verkijken,wil 
dingen zien die echt bestaan.













Vloedlijn

Het is niet alleen de
dood die me najaagt
waarmee ik strijd, die ik 
aanklaag en zal verliezen, 
me in de nek ademt, oceanen
stuwt en albatrossen draagt,
houdt z’n geheim verborgen,
verbond met wind en water 
wordt betaald als hij op de 
aarde beukt, breekt alleen
in branding op rafelig land 
wijkt terug met schuim op 
kaken, berusting in het zand
als warm gemoed als geduld
hem wacht, het land gebruikt,
wordt versleten, zet zich te 
kijk als weerloos slachtoffer
in resten van het leven op de 
vloedlijn van het verstand, waar 
het in windstilten goed toeven is.






Onzichtbaar lot.

Spinnenrag vangt beelden 
uit mijn verste hoeken,
opgerakeld door onze adem,
hoewel ik al vertrokken ben,
van dat luxe matras, die dag 
hoef je mij niet meer te zoeken. 
Op beslagen ramen verschijnt 
nog de wasem van mijn stem,
nog één voorjaarbeurt en de kamer 
maakt zich vrij van stof of spoor
waarin schaduwen verschenen,
in aanwezigheid van mij, een tocht 
uit geordende vensters verdwijnt, 
teloorgang tussen avond en de nacht, 
ontsnapt uit beider mond en aandacht, 
benieuwd naar de bestemmingen die 
mij wachten en in welk onzichtbaar
lot ik zal belanden.









Windkracht 12 ?

Als luchtig avontuur 
bedoeld, hebben we het 
schip getuigd, werd 
door angsten overspoeld 
een jachtig galjoen, als 
vliegende Hollander
overtuigd, geankerd 
in een nauw wambuis, 
gekapseisd in ondiep
water, waar het lot het
zwaard vast liet lopen,
bolde winddruk 12 zeilen 
met de kracht van de 
gordiaanse knopen en van 
een vaste koers verstoken,
stuurloos met een gebroken 
kompas, gedoemd in een
laatste reis de klippen te 
verleggen, viel tegen innerlijke 
natuurkracht niets te winnen,
vanuit ingehouden windstilte 
ankers te lichten, gelopen
knopen door te hakken, over 
een nieuwe boeg te gaan.









Schenk je dubbelleven

Ik wil niet lijden
aan een droom, die 
de geest verwart,
verbijt de pijn,
schenk je in een
dubbelleven in een
ander hart, dat het
realisme tart, om de
rouw te vermijden.

Streel ik je in het
morgenlicht wakker,
onderzoek waar de ander 
in beslist, vervloek
het moment, waarin je 
z’n makker werd, verdoof
die met een duivelse list,
die stalker waart alleen 
maar in het eigen hoofd.

Ik zal de duivel te grazen 
nemen, met wie jij in de 
slaap op moet trekken, met 
genoegen zal ik mij voor de 
daad lenen, om de schaduw 
te wekken, deze door de mist 
van het gevoel naar een
noorderzon te vertrekken,om 
doelloos zonder traan te wenen.










Harteklop

Ach die tijd, onze tijd
van ondergang en overgang,
scheidt de dauw die we nu 
vertrappen, in de middag al 
verdampt, klampt zich aan
het tempo van elke harteklop 
waarin we mochten hopen, 
in iedere seconde start en 
eindig ik, in de avond ligt de 
ommezwaai met nieuw plaveisel 
ingelegd, in nesten die we bouwden,
resten morgens alweer geslecht,
waarin we lachten en rouwden.








Identificatie

Vanuit een trage schoep
van lentewinden staan de 
bomen slapend, gras groeit 
in bewogen vlagen, passie 
gloeit in kippenvel wat over 
water rent tot aan een grens 
waarin de oever zich herkent, 
tekening van passie op de huid 
met scherpe naalden van weleer 
in duizend sterren, gekleurde
lampioenen waarin liefde hoort, 
waarover helden streden, hijgend 
bijgezet in beider adem van het 
verleden, gebalsemd in een 
kort moment van zwijgen, 
gescheiden prikkels waar de
dood en daad klaar mee zijn, 
zo bedoeld, verlangen op
volmaakte wijze, een omstreven 
gebied, angst voor volledigheid,
tegelijk begerig naar het leven 
en elkaar wat zich ten goede 
keert, nooit klaar en ‘het zelf ’ 
zich met inzicht identificeert.










Begoocheling?

Wanneer het in een gedicht 
weer over de muze ging, 
dacht ik dat dit de enige
liefde was. Maar tussen 
de zinnen door, staarden
mij de muzen aan, brachten
mij ontgoocheling. Te twisten
als zwermen bijen, vol ijver 
met de taal hun raten te vullen, om 
tot een hymne te breien, een
magere lofzang op een vluchtig
epos, waarin de goden elkaar 
beminnen en van de literaire 
honing smullen, op hun 
bizarre tocht, de emoties laten 
gisten, tot aan de gewraakte
tonen die ik zocht, om dan een 
draak te moeten onthullen van
een herhaalde hersenschim, tot 
aan de gene zijne van de Styx , 
waar het voor stervelingen 
moeilijk aarden is en voor luie 
dichters die hun geloof belijden .









Ontlopen ?

Ontloop ik me, dan
ontloop ik vele anderen,
als een boom die ik zie
zich vormt tot bos, in
beken herken ik de spiegel
van een jeugd in een 
gevalganiseerde zinken teil
en in de voortgaande oceanen 
die ik zag, geen hand die 
zich daarin kon wassen van alle 
twijfels en nooit gekozen kansen,
als hond die de druppels van zich
schudt, blijven die hangen in
mijn pels en lopen met mij mee,
steeds meer huiden werp ik af,
het laatste vel maakt mij
kwetbaarder dan ooit.










Andere bühne?

Kon ik maar zijn zoals de aarde,
woordeloos, meeslepend, alles
omvattend, temperamentvol
of loos,van iets van alles
en niets van niets wetend,
maar zie wat ik gedwongen 
ben te zien, de gestileerde 
tijd van op- en ondergang, 
hoofdpersoon in eigen overgang, 
een acteur aan onzichtbare 
lijnen bewogen in een
overladen seizoen zoekend
naar een andere bühne, waarop 
het doek al is gevallen
in een schouwspel van 
alle sterren, waarvan 
het licht werd uitgedaan.










Balans in het extreme.

 

Evenwicht in het extreme
De wereld uitgesneden
langs sjablonen van het 
blind geweld geweld, gevoegd
in voorbewerkte stenen,
ingelegd met specie
van het zwoegen,waar 
geen bloed meer uit kan treden,
zelfs geen tierend mos, zelfs
geen onkruid welt op gave
bodem, niets dan dode licht 
erboven, niets wat ons verplicht
raakt evenwicht, van aarde 
losgemaakt, claimen vale
schaduwen achter
tralieramen, soms ligt 
de balans in het extreme.








Hoogste graad?

De allerhoogste graad in een zin 
of regel, die geen ruimte en twijfel
laat bestaan, van wat ik zeggen wilde,
daarin zou een onversneden boodschap 
moeten staan om al wat mee - of 
tegenzat, uit eigen hand bedreven, 
in eigen leed geleden en met tol en taal
betaald, verhaalt zich braaf tot het heden,
in eigen dicht en slaaf van literaire daad,
wars van enig plagiaat, verslaat de hele 
scala van de muze waarin ik verdwaal, het 
was niet veel, maar daar is mee te leven.

 

 





 

 

 




Tredmolens


Verzonken in de zwarte 
grond van hoop, tot schijn 
vergaan, lonkt de lente met 
nectar van een nieuw geboren
maan, de nacht gebakken tot 
kruimels van het ambrozijn.

Te slapen met de beuk 
geworteld in de aarde,
te strijden met de muze 
in een ongeboren lied,
verliezen beelden hun 
zin en waarde, gedragen door 
de vleugels van verdriet, voor
voor vrienden die wegvloeiden 
uit de boezems van de linden.

Lichamen vergrijzen 
verwordt tot bladeren, 
roodgeel of verdord, 
verdunt de kruin,een 
naderend afscheid, voorspel
van een definitieve breuk.

In het snijpunt waar 
mensen van zichzelf 
vervreemden, kreunt de eik 
in ziel van het geaarde kind
ademt de geest de spreuk der 
ontheemden, onafhankelijk bemind.

In het licht van weerbarstige levens,
kinderen van zon en aardse bomen, met 
de vingers naar de hemel geheven, 
tredmolens van een nog te dromen droom.









" Bitter kruid "

Zinloos geweld perst
de dagen en nachten
tot bittere sappen.

Lentedag gevuld,
luidt de sneeuwklokjes uit,
ook in goed en kwaad.

Op de snaren van
het tijdsbeeld, vibreert
de rusteloze waarheid.

Kinderen weven 
hun dromen, waarover 
vele mensen lopen.

Religie wentelt zich
in tranen, haalt netten op, 
mazen ruim gemeten.

Geluk op steen gewet, 
tot messen achter prikkeldraad
tot lappenpoppen gesneden.









Kinderkopjes in de regen,

Blonde hoofden, bleek 
gelaat op ziel en hart
gericht, waaraan de dromen 
kleven, ver uitzicht, waadt 
ze door de tranen heen, benen
getooid in zwart brokaat,
handen in afzwerend gebaar, 
met madelieven in het natte 
haar, kleur op wang en lippen
waaraan geen regenboog kan 
tippen, ogend vurig in 
gestolen blikken, om zich in 
de dubbele moraal te schikken, 
waar een mens de lust moest
reven, laat vuur op kusten van 
liefde te stranden en in de haven 
van liefde te verdrinken, waart 
de tijd en toga door nauwe stegen, 
samen met een avondklok van schijn 
te klinken met een valse schaamte
als ethiek vermomd, dacht dat 
deuren veilig open stonden waar–
achter de maskers van de zegen, 
getekend op de glimmende kinder-
koppen van de ochtendstond, alles 
blijft bestaan in een druilerige regen.









De brug van de rede


De brug van de rede.
de doden zijn niet dood,
de levenden niet levend
de tijd van het verleden,
verkeerde lang in een 
ongeschreven verlangen,
uit nood vermeden, verleert 
wat door een kind is geraakt, 
het leed als carrousel in 
een eentonig spel, de afgrond 
als ondiepe kwel,waar kraaien 
zich spiegelen aan hun verstand. 

De hemel telt die spiegels,
baden sterren zich in weelde,
zichtbaar in de stelling van 
Fermat, waar het licht zich 
deelde in de echtheid van een 
kind, die met dit voorrecht 
is bekleed, met weinig liefde 
ondervoed, leeft met het heden 
op gespannen voet, honger naar
de brug van rede houdt het 
zoet, een innerlijke vrede 
die het luchten moet, anders 
kan ze het vergeten.












Lichtjaren

Gedacht, verbeeld en
helder raakt ons de
nacht waar wij liggen
tussen Draak en grote
Stier, maan verlichte
planeten, belichaming
van verbeelding, wat
een mens in sterren 
ziet, lichte schil uit
het stof van alledag 
zal door tijd worden 
vergeten en anders niet, 
dromen naast onszelf,met 
elkaar door lichtjaren 
van schaduwen en 
vertier gebracht, het 
moment van hier.










Spectrum

Op het duinpad waar wind
de schelpen gruist staat een
woord met zand geschreven 
waarmee alles is gezegd, 
zich tijdloos op het aanbeeld 
van de zeeën kuist, voor mij 
onleesbaar, kruist haar essentie
in de ruimte tussen beider oren, 
moeite niet te vergeten, wat ik al 
bezat, bezetenheid mij omsluit,
een kans behoedzaam de zinnen
in de taal te zoeken, geleefd 
een stap terzijde doet, wordt 
het fundament in het verhaal 
verlegd, het brede spectrum 
tussen Goethe en moeder gans
naar de letter en naar de geest.











Morgana?

Bestijg het hoogste punt 
van de woestijn gedeeld
met een verkoperde zon, 
versteend uitgebeend gewas,
ik zie een verdroogde oase, 
waas verblindt de ogen, 
hitte verstoft een vermalen 
horizon, waar een schorpioen 
de staart doopt in het venijn 
van besluiteloosheid, gif als 
medicijn, de angel verbonden 
in zwart satijn is onwetendheid 
te verklaren, ijlt na in een versleten 
maan, vergeten in werelds vijver en 
in het avondrood blijft hangen, 
wat meer is een visioen en door de 
mazen van de golven, gedolven in de 
oceaan, lonken oases begeerlijker 
in de waan van de dingen die ik vang, 
chirurgijn van de geest, is het 
twijfelachtig of hij geneest en zal 
elke fata morgana mij verdrinken.










Verzuring?

Open veld vol zuring, het
groene rood, het rode groen
de bittere smaak van toen,
bood ze me in alle wijdte,
de verte, de tijd in armen
verstrengelt, kon wat 
haar verwijten, die weide 
waar je de deugd in legt, in
de schoot van jeugd, een
smaak tot aan onze horizon,
een onvoorspelbaar hurken 
in de wind van een ongelijke
bloeiwijze van beider kind,
hoe het nooit verzuurd, hoe
het tijdloos openspringt.










Gerijpt

Het kind slaapt naast de
schelp, nóg ongebonden, 
nóg ongeschonden, voor 
haar de winnaar is een 
lauwerkrans geraapt, stil 
verschijnt licht in haar 
verhaal uit een versje op 
een kaartje, uit het hart 
verzonden, een ongeschreven 
taal, opent het inzicht dat 
een vers iets levends is in 
de schoot van het ongewisse, 
wat dat kind niet weten kan, 
waar de bron van dat vers in 
ligt, maar het zeker vinden zal,
zag de wereld roze gerijpt,
zag de lentebloesem komen,zag 
de mensen die ze niet begrijpt, 
liet de tranen stromen,heb 
het bij de hand genomen.












Duizendschoon

Ween niet over wat 
verloren is, nu haar
transparante schim op 
de golven van de winden
rust, naast de leeuwerik 
in z’n eindeloze klim naar 
dát streepje licht, ontrokken
aan de duisternis, een smetteloze
vlam, een hemelse lampion in
haar aubade de toekomst kust 
en aan het heilig vuur ontkwam, 
gebalsemd in een seringenbad, 
bron van geurend duizendschoon, 
de knopen heeft ontward, het 
mededogen fixeert zich in een 
gesproken toon, water stroomt 
niet achterwaarts, lucht wordt 
lichaam die haar draagt, mij 
troost, modelleert de tijd 
haar beeltenis, meen niet 
dat die gestorven is, het 
blijft gewoon zoals het was.









Krijtlijnen van talent,

Te schrijven over geloof
en waarheden, dichters
ze nemen het brein in
beide handen, verwoord 
kaarsvet lekt op tafels, 
waarmee papier is bevlekt, 
in de kantlijn van verstilde
melancholie en beheerst
verdriet, omfloerst door
glorie als we de nacht
weer doven, tevreden 
achterover leunen, alsof 
we daarin zelf geloven, te
steunen op een volprezen goed
wat uit monden en oren 
bloedt, de letters af te wegen, 
in de zonvloed van zinnen 
te zwijgen als we dat maar 
konden, binnen de krijtlijn 
van talent, niet te krijgen 
wat wordt nagejaagd, de
blauwdruk van een literair 
verlangen wordt de scheidslijn 
vervangen en weer weggepoetst.








Waan of wijsheid?

Een trekstroom voert me mee
onderhuids, als sterveling in de 
wispelturige muil van de zee, in 
vrije keus ontstaat geen drenkeling,
geworpen op een vulkanisch land,
een enkeling herontdekt de balans 
voor lijfsbehoud, omarmt de droom 
in stil gebaar, hartstocht in beweging,
gekleurde bals van integriteit, 
fixeren pauwen de drift in dans,
eigenheid excelleert in een kans,
waar geduld de passie vult om
de onbescheidenheid te taxeren 
in onszelf en met zovele die rond -
zwemmen in de immanente zeeën,
om hun essentie van een niet te stuiten 
lust te laven, laverend langs de 
onberekenbare wegen van een
permanente duurzaamheid, weeg 
de kansen wat mij scheidt tot een 
herkenbare pluimage in diversiteit ?










Kinetische tijd

Verdwaald in het labyrint 
van gedachten en aangeleerd 
gedrag, in een carrousel 
getransformeerd, herhaald 
in bewegingen die ik in 
schaapskleren vertaal, 
waarin dichters herder z'n 
zwarte wolven hoedt, zich 
niet laten kooien, zich op 
de literaire vlakte houdt, waar 
ik de kale zinnen pluk, wordt 
mentaal voedsel niet verteerd, 
vergaat wol tot spinnenrag door 
de motten van verbeelding, het 
blijft zoals het is, veranderd 
alleen de norm, het schrijdt 
naar binnen, voelt leeg en koud, 
een bekend gezicht bekijkt 
me vanachter tralies in een
regenwoud,ik schrik wakker en 
dacht, afgelopen het blijft
nacht, de luiken zijn nog 
dicht, het dagend licht is me 
vergeten, tik tegen de stenen 
van de tijd, er beweegt iets.











Morgen?


Morgen, als het lente wordt 
zal ik seringen strooien uit
mijn bloemen slee, de stad doen
ontwaken vermomd als toverfee.

Morgen, als het lente wordt,
zal ik vlinders naar de bloesems 
sturen en zal ik lachen naar 
mijn autochtone overburen.

Morgen, als het lente wordt,
zal ik voor elke rebelse specht een 
nest gaan bouwen, waar hij z'n ei inlegt.

Morgen, als het lente wordt,
zal ik de liefde prijzen om haar de
zon te schenken uit het glas der wijzen.

Morgen, als het lente wordt,
zal ik buigen naar het recht om
wat krom door onrecht te verzachten, 
zal leed en pijn die dag even vergeten zijn. 

Morgen, als het lente wordt,
vlecht ik een biezen mand, waar
mijn hoop de rotte appels laat 
verdwijnen en uit de loop van elk 
geweer rozen zullen bloeien, garantie
voor een duurzaam bestand.

Morgen, als het lente wordt,
maar wat doe ik vandaag nog in 
sneeuw, morgen lijkt nog steeds een 
eeuw, ondertussen wordt het gras 
steeds groener aan de overkant.

Waarom zou ik ik wachten op de dag
van morgen, wat ik vandaag kan doen?
















Gracieus


Na zovelen ongetelde dagen 
strijkt het lentelicht 
over het purperen land en
door het verstilde raven
haar, het is niet waar dat 
zij daar in ruste ligt, de 
plek met eigen woorden 
koos in een onvoltooid 
gedicht. Ik slijp haar gratie
in een steen, ik modeleer 
haar naam in hout en taal 
om die voort te laten gaan 
tegen beter weten in, spreek
ijdel haar aan in mijn teloor – 
gang toe, een plaats waar licht 
volmaakt gedijt, zich spreidt, 
onaf een bewogen hart geraakt.









Boomgaard


In dichters boomgaard is
de nacht vangzeil voor
voedzame woorden, in 
de morgenstroom van nog 
te vinden eigenwaarden, 
lijkt kern en daad te zijn 
vergeten, denkt waan en 
waarheid te benaderen, wat 
overblijft zijn alleen de 
korsten van het avondbrood, 
waarin de tijd bakzeil heeft 
moeten halen, verloot de 
kruimels op papier uit de
woordenschat van dichters 
strijden schrijvend in een 
buitentijdse eigenheid.









Meetloos,


Zij glijden door sloten de 
wereld in, in lekke boten vol 
hoorngeschal, stuift zand in 
rauwe stemmen, lichamen te 
groot voor peddels waar zij
mee roeiden, werden intieme 
vrienden in woelige wateren 
van de nood, reis op beider 
voeten sinds zij groeiden,
door mild en vertekend land, 
vindbare lidtekens gaan van 
hand tot hand, geschreven op
een vervlogen krant, waait 
ritselend op in een gestorven 
zucht om de tijd te ontmoeten 
buiten mijn medeweten om. Op 
de rug wacht een verlangend 
kind wat lacht, mij toedekt,de 
handen strekt, worden kromme lijnen 
zacht in een meetloos mededogen
tot de sluimerende dood, die wacht.










Alsdan


 


Dat ik haar hand 
die zoekt nog vind,
alsdan,
dat mijn verloren mond
haar stilte horen kan,
alsdan,
dat ik droom dat zij
de aangeboren schroom
verlaten kan,
alsdan,
zij de tranen weegt,
de zon die van haar
spiegels veegt,
alsdan,
zij veilig garen 
spint uit een 
aardse cocon, 
schuilplaats 
voor ieder kind,
alsdan.









Ordelijk?

Zoals het gebeurt, vermaken
wij de herinneringen, zo is
de barre tocht, rechter –
linker hand ineengeslagen,
onbeholpen religie uitgevoerd, 
waarin menig dagboek is verbrand,
verhoedt de werkelijkheid in
verhalen rond te treuren om te vaak
herhaald te worden, vervreemding
van hun oorsprong, als ik dat schrijf 
wordt dat meestal zeuren en tracht
mij te troosten met ontoereikend 
gereedschap in het vege lijf, een
niemandsland waarin ik mij waag 
en om een handgemeen vraagt 
met taal en tijd, om die verbeten
in een ordelijke volgorde te plaatsen, 
ontstaat er weinig onderscheid. 









Lekkende zon, broze vreugde


Grond, gedeukt, geblust,
horizonnen die vertrekken,
een waterige zon lekt.

Randschrift in heuvels,
brokken gebroken licht,
baanbrekend gedicht.

Grafstenen, rechtop
vervreemding van de doden,
geschreven in de zon.

Slagboom van de geest,
houden dromen niet tegen,
in een vloek of zucht.

Groetings aan schoonheid
broze momenten van vreugd,
ontvreemd aan de dood.








Licht in oude dromen


Wat in tegenstelling tot 
heldere beken in boeren 
sloten te zien, kroos 
verbindt voorbijgaande 
oevers, spiegelend om de 
aardse adem te beliegen, 
stromend met troebel water 
mee, waar stilte vleugels 
krijgt van witte zwanen 
over de ruggen van de wind,
zijn het mensen die betalen 
wat bijgeloof verzwijgt, een 
vanzelfsprekende maan in zijn 
bedding verdwijnt en het 
licht in oude dromen schijnt.










Natura Naturales

 

In het voorjaar schuilt
haar vrouwelijkheid, winter's 
lonken alleen vermoeide mannen,
zomer's lonken kinderen onbevangen,
ben in het najaar in alles bereid,
dan bestaat géén verlies aan tijd, 
komen we elkaar vervangen, wordt de 
hengst van passie schrijlings bereden,
beteugeld, gevleugeld van verlangen,
verschuiven dekens van de evenaar, 
dolend in de wieken van de molenaar, 
waait wind door frisse manen, liefde 
bedreven in de schaduw van een 
korenschoof, beschreven in een wolk 
van haar om zich in de 'indian summer' 
te wanen, oogstseizoen dat schoonheid 
onderschept, ongerept op silhouet 
en horizon kan bogen, raakt de 
muze meer en meer bevlogen.









Kousenvoeten
 

 

Je bent een vlinder,
je liet je niet vangen 
in een web van woorden 
die ik hoorde en vergat 
terwijl je sprak, verbond 
de weerstand van de wereld 
met de morgenstond, zag de 
ringen om de sterren zingen 
in het mededogen van het
innerlijke kind, las de 
regenbogen in de bedroefde 
ogen van nooit geproefde 
kleuren, schoonheid herneemt
z’n loop, die hoop en toekomst 
claimt op de zachte kousen -
voeten van de tijd, vangnet 
van haar vruchtbaarheid.









Maalstroom
 

 

De ruimte van geluid
strelen met gedichten,
stilte niet bruskeren,
wat verder doordringt in
de geest, verwekt tot 
verwarde beelden die uit 
hun schuilplaats springen 
als roofdieren passief 
schijnbaar, ineengedoken
wachtend, klaar voor een
nieuwe sprong, zich te 
wagen in een maalstroom 
van woorden die mensen op 
een fictieve weg najagen.









Verbloeming


Tuin bloemt in het hoofd,
verlangen schiet uit moedergrond,
vlinder streeft met gemak, een 
schaduwrijke winter overleefd,
geen hinder van gestreden strijd,
beken zoeken bedenktijd, 
slagaders van uitgeslepen vlijt 
om erosie te verschragen in het 
losse zand en tegenlicht van
nooit gestelde vragen, de weg 
haar bestemming kiest, 
ontluistert,gekluisterd aan de 
leegte, wat zich in tegenstelling 
verliest, wordt het scherp van 
schede zacht en scherven bot, 
snede zonder bitterheid, als 
geleide naar een laatste 
rustpunt van eindigheid en de 
mysteries van de achterzijde 
van de maan en stille zon, 
de goedgelovige metgezellen 
en schikt het lot zich naar de
archieven van het hart.





schrijver




´Dicht z´n dicht´

 

Bevangen door stilte
en ongeduld, de jacht
naar ultieme zinnen,
gedachten en het glas 
rijkelijk gevuld, voelt 
hij de leegte van zinne,
elke streek bevat een woord
gedreven bouwt hij voort,
versjouwt zich aan de droes 
van de tijd, in roes 
ontstaan beelden in de ziel 
van de dag die op hem wacht,
buigt meewarig over tekst
en uitleg die hij bracht,
strekking niet begrepen
onvermogen verder te kijken 
dan tot op de bodem van het 
vat, wordt z´n dagelijkse loop 
gewogen, dicht z´n dicht 
waarvoor nog geen streken 
zijn bedacht en sluit de ogen.

Uit: ¨De gans verliest z´n veren
maar niet de moed."









" Binnen de context "

Blijf moedig ouwe dichter
drijf je pen niet stuk, blijven
boeken zonder lezers, achter -
gelaten onder stof, bijeengebracht
tot schimmel van gedachten, die
je deelde met een zielspartner 
op een ander halfrond, wachtend
op alle woorden die je stak in
het schrijven van een verbond, 
waarin een nog niet geboren kind 
rust in z’n chromosomen, zal het 
buigen over het geschreven leed, 
maar te zwijgen over verloren
dromen, en de context verklaren, 
zonder dat het haar speet.










Maar zo gelaten

 

Zo maar gelaten kamer,
gordijnen dicht, strepen
zon in een leegte waar 
jouw beeld en motieven 
in verbleken, een door- 
schenen put, wind 
uitgeput de laatste 
adem tegen ramen baart,
aan de halsband rukt 
van bekentenissen die 
we vermeden in een 
monoloog van pijn.









Merktekens van tijd

Onzichtbare lente heeft 
kussens geschud, berustende
sneeuw in ochtendgloren.

Hakblok, de warmte
gesloten in de aderen van
een bedrieglijke zon.

Brokstukken van tijd,
bottende knoppen, zaaigoed
van ademende sterren.

Weerschijn van toekomst,
streling van bekentenissen
bekleed met woorden.

Tijd vergelijkt zich
in versgeaarde wegen,
er is niets dan tijd.








Lichtend prisma


Eikenbomen, de lichteters
verkruimelen de winterdag
dofheid distilleert de glans,
schuwen blikken om te wassen
gewogen modder en waterstof,
tijd dompelt lange schaduwen
in een trage schittering van de 
aarde, losgelaten uit de matrix
van de zon, in helder prisma van 
gekozen kleuren, zaaigoed van 
feestende kristallen in het mos.








Onvoltooide reis

 

Waar is de loopplank om als 
dichter bij je aan te leggen, 
help tijdsbrokken te verleggen 
in het onvoltooide lied van 
vroeger, als dwaas te dromen 
van reizen en te zeggen ik 
ging vrij jouw wereld rond, 
wordt die valreep mij ontnomen, 
hecht ik waarde aan elke 
herinnering en leg het oor aan
elke rechtgeaarde schelp.








Ware passie,

 

 

Bezongen op de lippen van de
eeuwigheid, zovele dichters
beschreven een oneindige
smart, ontvloot zelfbeklag,
uitgestort uit reine licht
van de ochtenddauw, een
weebeklag uit mond en luit, 
valse noot uit Orpheus hart,  
smeekt de veerman zich
eenmaal te hullen in de
mantel van barmhartigheid,
z’n veer over de Stix en
mededogen te strijken,
en het meest beminde uit
de onderwereld te halen.

Geloof in ultiem verzet,
moest daarbij de hoogste
tol betalen, niet te mogen
omzien, wat de Goden hadden
geroofd,  door de minstrelen
bezongen in alle tijden, dat
die de wonden  zou helen is
onzin die we nog altijd delen,
die gedachte kost ieder het hoofd.











Egoloos?



Herkenning van gekiemd zaad
uit een vroeg begin, het proeven 
van de lichte zeden van de huid 
en van haar, daar nog alles tussenin, 
de erfenis van de mij nog onbekende 
Goden uit een terracotta oerinstinct,
laat zich voorspelbaarheid verraden
gekroond een eindeloze stoet der doden,
als kroontjespen gedoopt in zwarte inkt,
het avondrood de horizon verminkt, 
waarachter uitgebluste as dempt 
de egoloze put, verdrinkt het 
kalf zichzelf, bij herhaling 
een verraad aan eigen daad.








Carnaval of Gay-parade?

 

 

De een traditioneel, de
ander een boegbeeld van
eigenheid, verbeelden
tegenstrijdige uitbundigheid,
vanuit religie en folklore
geboren en uit de traditie
voortgebracht door stad
of gracht gewogen, in het
vaar – of voertuig van extase
op het hoofd of narrenkap,
een excentrieke verendracht,
melancholieke uit de hand
gelopen grap, bespeelt door
een vergulde blaaskapel,
gesmede geaardheid in
verbinding van cultuur, met
de schijn van korte duur, wordt
de kult als torso op het lijf
geschreven, maakt het ritueel
de éne introvert, het andere los-
gelaten in een swingende natuur,
kiest voor een zonnig avontuur,
de éne verliest zich in de
februarikou en ik verkies de
middenweg, was het alleen
maar voor de temperatuur.


 






Symmetrie, 

Door de zon geraakt
geschminkt door licht,
die zij bij toerbeurt spon,
lacht zij op wat ik spreid,
wij zijn van gelijke bron,
het mozaïek in het tapijt,
een musicerend paar,
spiegelend beeld, het naakt,
tot in elk speels detail
aangemaakt uit de schoot
der rijken, steelt mijn
blikken om te kijken.



* Pentekening van Claudio da Costa










Sibylle,

Wie zoekt niet, het grootse allure,
het mystieke van z’n avonturen, 
ervaring van verdriet en schijn,
Sibylle zoekt het in het klein, 
verdiept zich in de echtheid van 
de mensen, richt zich op onontdekte 
schreden, intuïtieve treden naar alle 
mogelijkheden, beschilderd de aardse 
waarheid met haar penselen tot 
nieuwe flonkerende stenen in 
haar juwelen, die in schoonheid 
zijn betoverd, staat ze de wereld 
terzijde in de weg van het hart naar 
het hoofd, van de wieg naar gene 
zijde herovert zij het paradijs, 
handleiding in elke levensreis wie 
het ziet, maar tegen welke prijs?

 

 

 







Verholen?


Zijn het de walkuren of 
de eigen schimmen die 
mij de rust niet gunnen
om gekwetste uren uit 
de nacht te zeven? Uit de 
zure regen van hand –
gespitte graven waaruit 
de ochtenden zich laven 
tot het morgen gloren, 
worden nieuwe tranen 
geboren, leggen zon en 
maan een schaduw
over een geleefd gezicht, 
lucht en water verhangen 
zich aan nevelringen, de
mens wikt en schikt zich in 
een aantoonbaar gewicht, 
naar de maat van al die 
overbodige dingen, schuift
daarbij de gordijnen dicht,
verholen achter maskers 
van een wetenschap, 
daarachter weet ik nog 
van niets, wanneer zet
ik de wankele stap?











IJkpunt


Het groeit tot een perfect
omhulsel, kind in de trappelzak, 
de huid nog bijna vloeibaar, de
botten zijn voor grote mensen,
daarna wordt de binnenkant
met kleine zinnen beschreven,
oplopend tot woorden die
met hoofdletters met het 
bewustzijn worden bedreven,
de soepelheid van spieren, het
timbre van de longen waaruit al 
vroeg moraal wordt ingezongen,
het warm geweven kleed van
de zenuwen en bloedvaten,in
zuiverste vorm gemeten, beslaat
de gewogen norm in het praten,
maar waar ontstaat een onmisbare
ethiek, eindpunt van het geweten?

------------------------
Illustratie, pentekening
van Claudio da Costa.
------------------------










Wisselende klederdracht


Ik overweeg de stilte, dat
is dat ik alleen wil horen,
met al wat daar binnen is,
zonder geluid wordt geboren
daarin is het bijzonder dat
het maar niet donker wordt,
waar de nacht in moest vallen,
en het zwart wordt opgeschort
had ik stille intimiteit verwacht
in een summum van getallen,
verglijden nu de magere vieren 
opgevuld tot zessen, gekleed 
in een wisselende klederdracht, 
als ongewenste danseressen.










Zwarte sneeuw,


Koud vuur in dit getij,
oud zeer druipt van alle 
omgekomen bomen, zwarte
sneeuw bedekt de borst 
van de doden die van 
verre zijn gekomen, 
streelt de winter,oud 
en wijs gedeeld in ijs,
vindt de weg terug van een 
reis in afgedankte sterren, 
tussen afgevallen bladeren 
ontbonden smarten onder gladde
stenen, dan zijn ze thuis, tijd
ontbindt vuur en vlees in het 
vloeken van de wind, verbindt
geschonden harten die schreien.







Vroege haan,
 

 

 

De haan, een kunstenmaker,
vroege vogel met zichzelf begaan, 
in eerste stralen opgestaan, leurt 
in het licht met schorre stem, 
waarmee hij mijn dromen en de
ochtendstond verscheurt, de 
zon zijn narrenkap en hanenoog
belicht, mij met tirannie de 
slaap verdrijft, zaait uit krop een 
litanie, dwingt mij tot verweer te 
vergezellen in zijn ademtocht, daalt 
in stilte, een verademing , alleen 
te kraaien in een uitgestorven taal, de 
doden wekt die ik nauwelijks versta, 
als ik dood zal zijn, roept hij mij al
die woorden na, verwaait dat geluid
door een gat in het heelal, waarmee
ik de luiken sluit, anders ben 
ik bang dat ik stikken zal.

 

 

 







Een pose?


Weinig lukt het te schrijven
op een simpele wijze, dat
de woorden klaar en helder
als kinderen ademen uit de 
bedstee van de taal, onder de
dekmantel van een gedicht,
deuren op een kier, vaak ook dicht.
En slapen ze als rozen, dan richt
een zich op in een vage moraal,
roept iets onbestaanbaars, ik
geeft die betekenis een pose, 
tegendraads, ongehoord met 
enige schroom, dan zal ik 
de kaars aanlaten, anders blijf ik 
steken in de kantlijn wat ik heb 
gelezen, zin na zin, zonder gewin.








Schelpengruis

 

Over toppen van de
duinenrij, stampte ze haar
schelpen vrij, de winden
borstelen de taaie helm en
het korte haar, geschoren
door het jagend en golvend
wateroppervlak, waarvan de
meeuwen waren opgestegen,
zij zweefden met elkaar naar
een hogere vallei en naar
verre uithoeken van de zee,
in geen kwaad berust, zonder
aanstoot van gevaar, vliegt al
al wat vliegt met haar mee,
zout ontbloot de tranen over
sproetenwangen van een kleine
dwaler in het zand,  klapt het
schelpengruis van jurk en handen,
parels van een groot verlangen.














Nederig


Bestrijd die woordenschat
op lange duur waarin we
ondergaan, machteloos
tegen taal en tijd, vaak niet 
te begrijpen wat te doen,
vertil me aan een lege 
letterkast, streep de episodes 
door van nu en toen. Wij denken 
de waarheid te benaderen, 
als die bestaat – om tegen 
wil en stank - de poëzie aan te 
kunnen raken, gooien zinnen
in de goot, die verder drijven 
als baken op een modderschuit. 
Te varen langs ruimten en de 
wolken, gericht op blijvend groen,
het hoofd getand met lauweren,
gevuld met bladergoud, die waarheid
is in ongeduld te denken aan rottend
loof en eindeloze losse einden en
blaast nederigheid in het gezicht.



 




Woordloos
 

Uit het stof, kwam voort
het zwijgen, daaruit het
eerste woord, omdat er
niets meer was, was het
sprakeloos, alleen de
stilte aangehoord, er viel
niets meer te wegen uit de
zee die steeg, daar ontstond
een laatste woord, verbond
daarin alles met wat lijdt te
leggen maar dat is nooit genoeg,
dat woordloze blijft leeg,
of de dood heeft het verzwegen
of de tijd verheelt zich met wat
in het moment van stilte nooit zo
luid is geweest, misschien bestaat
het niet, zal het ooit bestaan?







Handpalm.

 

De handpalm van de wereld
fijngeknepen door de goden en
het geweten en met tranen overgoten,
ongrijpbaar als onvrijwillig zaad,
de doden door de uitgestrekte  
vingers vloeien, gedijt de nood als
verrader in een machteloze strijd tegen
menselijk willekeur en z ’n voorspelbare
natuur. In die teneur zullen nieuwe
gewassen op de dood gaan kiemen,
een daad van onvermijdelijkheid, in een
oprechte humaniteit na zal beven, en
waardigheid aan de cultuur blijft kleven.











Gepolijst profiel 

Nu op deze verloren dag
in weer een ander jaar,
vloedlicht zwaait over
het ontvroren land, het
is niet waar dat zij daar
in ruste ligt, dat zij de
tocht is aangegaan in een
omfloerst gebaar, het is
toch waar, dat wij haar
profiel polijsten in ruwe
steen, beschrijving van
haar taal tegen beter weten
in. Ik smeek haar de stilte
toe, ijdel gewin, vlijt van
onzin, in het besef, dat zij
alleen het vermoeide hoofd
heeft neergevlijd en haar
profetie uitbreidt in mijn tijd.

 









Gedoemd ?


Kleurrijke rozentuin in 
kostelijke kracht met al
z'n begeerlijke geuren 
geeft als geheel de macht. 
Maar ook één rode roos 
verheerlijk zich in eigen 
roem en straalt een daadkracht 
uit en blijft diegene waar 
hij voor koos. 
Verdort die éne fiere roos 
in het bonte geheel om zich 
moeilijk staande te kunnen 
houden in een broos gekrakeel, 
wat een einde maakt aan z’n 
uitdagend bloeien, is het hele 
rozenperk gedoemd tot snoeien?










Het komt wel,


Wat duurt de winter 
ellenlang,verstuurt het
een gerucht alleen nog 
uit een zucht, vanuit het 
borstbeen te horen in een
voortvluchtig gericht, de 
tijd hijgt lichter in ons 
rond, stikt gaten in de 
ochtendstond, is amper bij 
te houden, beweegt verder 
uit het zicht, schaatsers op 
smeltende melk, trekken
eigenwijs sporen over het 
virtuele ijs, wat gelig korzelt 
aan de randen, bestijgen dag 
en nacht de zon en maan in 
nieuwe offerranden, hervat het
seizoen zich in een gewogen 
rantsoen in een ander gedicht.








 




Eclips,


Wij spelen een verduistering, als 
we elkaar bespelen, schoonheid
weggeschonken, resoneert na iedere
trommelslag, gordijn omfloerst
de leegte, doen de stemmen zwijgen,
opent deuren van de huizen die in 
doorzichtigheid te bloeden staan in het
brekend licht, geslonken ruimte breekt 
uit schoorstenen, rolt zingend van de daken, 
we omarmen de eclips als een dodenmis.











Vers gedolven lucht



Ontgonnen ontstaan er bronnen
waarmee men tijd en land wil 
winnen en oude lagen afgraaft, 
gestaag beklimt een kind de 
helling waarboven speelse winden 
geduldig zand te spinnen staan, 
slaan vlinders vleugels uit om 
in de zachte schaduw van een 
kind een innig lied te zingen 
over een gedroomde vlucht, 
ongeduldig, ruisen diepe
verlangens een spoor te volgen 
van vers gedolven lucht waarmee ze 
de veren van de wolken mee spint. 

Uit de bundel;

“ Speelplaats, alleen voor kinderen, voor
volwassenen te betreden op eigen risico.”














Zonder aftiteling


Het sneeuwt over de kristalen
herten aan het ijsmoeras, wat
maant tot stilte, bewegingen
verstillen in kilte, warme harten 
ademen alert op elk gebaar en 
blaast kapok uit neus en ogen, 
kool van transparante inkt maar
even zichtbaar, onhoorbaar in de 
slag van snelle vleugels afgeworpen, 
verdwijnen schaduwen op het 
parelscherm van de avondwind, zonder 
aftiteling, in zwart en wit getint.










Als de vorst z’n kroon afzet


Een schaduw van wie 
daar gaat, ingepakt in
stijve kleren glijden 
over straat, het hoofd
in livrei verbonden, 
stram als een lakei, 
tuin en schutting allebei,
laten zich verdwijnen
onder mutsen door de 
sneeuw gehaakt, over
een ijzig pad heeft ook
zijn stil verlies gehad,
tussen donkeren muren
hangt de dag in hengsels
van bevroren regen, in
stilstand en evenwicht 
van de tijd, als de vorst 
de kroon afzet, bevriest 
de dood een ogenblik, 
kiest voor mindere duistere
wegen, natuur is in gebed.















Oude bomen,



Platanen langs de laan
pathetisch van bestaan, 
staan hun plaats af aan nieuwe
twijgen in de wind om tegen
de verwachting in dood te 
gaan, gespreide takken in 
een hol gezicht, geheven 
armen naar de lucht en 
naar de grond, het licht 
maant voorzichtig om 
niet meer te bewegen,
ontleend aan stramheid 
in de druilerige regen, ze
zijn verdwenen voordat de 
morgen komt, voorgoed.












Illusie?



Waar alles mee begint is 
meer dan een woord of 
taal die men in een 
zin benoemt en wat een 
gedachte uitdrukt en wat 
verder reikt dan de 
blauwdruk van het leven, 
en wat zich uitspreekt in 
een streven, in vermomming 
tussen zin of regel kruipt, 
sluipt door het luie oog van
het bestaan om met tomeloos 
geduld weer op te staan, 
zichzelf ten allen tijde 
overleeft als het dat wil, 
streeft naar autonomie, dat 
is meer dan een vrije uiting 
van de rede en is de echte
combine tussen poëzie en 
filosofie, bevrijd uit de 
cocon van illusies en zich 
distancieërt van oordelende 
molenstenen, in de ons 
voorgeschreven tijd. 







 





Ze kneedt onbreekbaarheid


Ze kneedt de klei, in ogen 
van verwondering door ranke 
schoonheid, geroerd door 
slanke handen, water gereinigd 
uit de schaal van broosheid, 
zweet gestileerd in onschuld, 
de vorm ontstijgt de ziel 
van het creatieve denken, te 
zweven in onbreekbaarheid 
en licht laat dolen in een
hogere vorm, ontleedt in 
betrekkelijkheid en deelt het 
avontuur uit zwarte aarde 
gestolen, voorbij de norm en 
middelmaat, verrijkt in een 
onverwerkt gebied, waarin met 
meesterhand de liefde is geijkt,
ze reikt de kunst met uitgestoken 
hand, oneindig verder dan men ziet.

 











Terug aan de kust.

 

De zeewolven kun je horen met
beide handen voor je oren, als
de dagen wat luid zijn geweest,
stilte gesprokkeld tussen golven,
daarin belooft een lege kokkel nog
het meest om het rumoer te smoren,
onder een grijze lucht waar meeuwen
zich baden in nog wittere sneeuw,
besluiten we hier te blijven wonen.

 








Niets? 

In dit licht heb je
wat je hart begeert,
mijn hart begeert
niets, in alles wat
niets om het lijf heeft
ben ik je schaduw,
doorschijnend, verteert
dat weinig tot niets, waarin
uiteindelijk niets ontbreekt.

 




 


Een soort genaamd mens,
'z’n odyssee'
 

 

Wantrouw de schrijver
vertrouw het verhaal, ga
met eigen pennen aan de haal.

Schuldgevoel of zonde,
zijn de overrijpe vruchten
uit de boom van kennis.

Als de hemel ons straft,
hoeven we niet te lijden, wij
verhoren zelf onze gebeden. 

Lotsbestemming is geen
plaats, maar een manier
van kijken naar de wereld. 

Ervaren is een naam
die aan de opgetelde som
van fouten kleeft. 

Perfectie is dat
leven waarin we ons
imperfect opstellen. 

Waarheid, mocht die
bestaan, is zelden zuiver
en nooit makkelijk. 

Ego en hebzucht is een
laatste toevluchtsoord
voor al het falen. 

Als je schoonheid ziet,
hoeft ze jou niet te zien,
wel staat ze voor je klaar. 

Het beste om van een
verleiding af te komen,
is eraan toe te geven. 

Terughalen van
de jeugd, is het herhalen
van dwaasheden. 

Eenzaamheid is een stilte
waarin de stromen in ons
tot stilstand komen.






Ontstegen 

Ik start een nieuwe maan,
de intense kou tart de emotie
van mijn hart en blijven voren
achter de ploeg stijf bevroren,
want de ingevallen vorst houdt aan.
Vers geslepen tijd versloeg met
macht - in omgelegde sporen,
waarin vertrouwen wordt
geboren, -  de onmacht  in de
kromming van het opkomend
licht en de afnemende nacht, op
het snijpunt van die wegen zijn
hoofd en hart het ijs ontstegen
en weer tot elkaar gebracht .   




 







Alles is er al geweest
 

Er is niets oud en ook het
nieuw is er altijd al geweest,
voor de piramide is ook de
sfinx slechts een waakbeest,
een schil in de terminologie
van beelden waarover men
denken wil, deinen ideeën voort
in menselijke overleveringen , al
jaren schouder aan schouder in een
besef dat tijd niet bestaat, worden
alleen rijpende gedachten ouder.

 

 







Sfinx

Hij zegt, dat hij heelt 
de wonden, geldt dat 
ook voor hen die vroeger 
dansen konden in het
door het lot beschenen
en ondoordringbaar bos? 
In dat labyrint moet de 
juiste richting nog 
worden uitgevonden,
wijst met z’n beloften 
soms naar rechts, dan 
weer links, als men vraagt 
de gulden middenweg, zal 
hij tijdloos glimlachen en
zwijgen als een sfinx.

 








 

 

De hoogste piek,


De hoogste piek van stilte
zal ik niet bestijgen, blijf
steken onder de toppen van 
herinneringen, en zeil
ik af langs de moeilijke
paden van de mijmeringen, 
om over onbegaanbare
gletsjers te verdwalen,
langs goede bedoelingen
die aan mij voorafgingen.
tot in een eeuwig zwijgen.





 



Habitat,

 

Ik hou van zwijgen en de
stilte verpakt in woorden,
om wegen vrij te maken voor
het zwijgen en de oversteek
te wagen in de woordenzee,
de keuze die twee te scheiden
in de vaart door het niemandsland,
snijdt de boeg van mijn akkoorden
door het water naar het beloofde
land, waar vissen in hun habitat 
ruimte krijgen om woorden aan
elkaar te rijgen, zonder naar een
uitleg te gissen, op de vloedlijn
krijgt taal weer een kans, komen
gereefde zinnen weer ballans, en
alles wat daar aan vooraf ging. 


 



 


Verkeken?

Wat we niet hebben, daar
blijven we naar gissen, al lijkt
het missen heviger dan wat we
gehad konden hebben, als ..!
Gefundeerde ideeën pronken
naar gehechtheid om te lonken,
wat bedoeld werd met remmen,
proclamatie van verbeeldingen
met de nog te verwerven dingen,
in spijt te wissen en  waarover
we maar zwegen, associatie
mondiaal verspreid, misleid,
kansen in een nieuwe generatie,
ontvlechting van een verkeken strijd ? 

 




 


Hymne


Er zijn zo van die verre tonen dat
mans dove oren ze niet willen horen
van mensen die op vlakten wonen,
ze houden zich verborgen, stellen uit
tot morgen, in verwachting op de toon 
waarin niets zal worden verzwegen,
waarin méér doorklinkt dan verwacht,
luister wat zwijgt uit een eeuwig lied,
fluistering van muziek, een kosmische
mozaïek van liefde, een oneindige hymne,
lijkt simpel, maar iets anders is er niet.

 








Windroos,
 

Jachtige sneeuw, waarvan de
vlokken zich bewegen op de
vleugels van door aller gekozen
winden, de windroos van het
kompas is niet vermurwen,
verwijst naar een bestemde
richting van het bestaan,
verstuurt de adem over
thuislozen en allen die nog
verder moeten gaan, het ijzelt
glas over beminden en alle
gezinden , bewegingloos is de
kristallen vacht  waaronder
recht vaardigheid lijkt te
vergaan, waar eerder vrede
was, ontstaat een nieuwe nacht.

 








Verstilde wereld

 

Mijn lange stille laan,
een sneeuwverlichte weg
de bomen, de oud
geworden dromen, het
water, bevroren rimpels
verstillen tijd, ingeblazen
door de wind, nergens
enig geluid, het is een
wondere wereld die me
omsluit, het bonsent
bloed wat door het hart
van de aarde gonst, wat
mij uit de verdoving wekt,
zijn zintuigen gericht,
op een voortschrijdende
horizon, die door de stilte lekt.  












Gemoed

 
Vluchtige, schuwe schaduwen
waarvoor de nacht de ogen sloot,
glinstert verse sneeuw op zerken
van hen die leefden en boven wier
gemoed in aarde slaapt, het
licht heeft z’n baan verlaten, de
tijd waait nieuwe dromen schoon,
op de hoofden rust de keizerkroon,
het zicht op de kortste dag is dood.

 






Scherven van de stal… 

Ondanks crisis, is
het weer gelukt, de
boom die staat, met
lichtjes in z’n ziel die
van het plafond een hemel
maakt, poedersneeuw
wat onder schoenen
kraakt,  bitterkoekjes
in alles zoet gemaakt om
met blijdschap onrecht
uit te bannen. Bij het
aansnijden van het gouden
kalf vloeit bloed, door de
scherven van de glazen stal
en uit de snede van moraal
vloeit zalf voor het bloeden,
veel gebeden, weinig geleden
om zich te hoeden voor de val,
daar weer in trappen, onterecht ?

 








Eerst,

Eerst was er alleen het zwijgen,
uit niets bestond het ruisen van
de woordenzee, en een gong, een 
klank uit eerste mond en bron, 
onberoerd in natuurlijk stof, 
nog onbeschreven zonder woord
in de voetprint van het leven,
daarna kwam er meer dan iets,
daar bleek veel van te bestaan,
je kon rapen, of weer vegen, van 
wat nog komen zou of vergaan in 
een laatste snik, om in aards 
rumoer te verdwijnen alsof het 
nooit heeft bestaan.

 






Een zijn brood, de ander z’n …
 
Getjilp terug, gevlucht
in de kantelen van struiken,
burcht van heggenmussen
rood gespeld intussen als
achterlicht op de borst en
graf van menig roodborst,
het brood niet uit de hand
wil eten, verdwijnt het in
de schemer van de dood,
verdwijnt het uit gezicht. 

 











Kiezels in de mond, 

 

Ik weet nu dat de winterkou
mijn stem beslopen heeft,
dat aan elk lied een randje
rouw kleeft , liep te vaak
aan mijn stem voorbij, dan
werd moeilijk ademhalen voor
het wezen dat met mij leeft,
zonder eind, met eigen wil, wat
aan vervoering brengen zou
verzamel ik ontroering, toch
spreekt het zich niet uit, dat
Chrysostomos  besloten heeft
dat gestamel verlies is van geluid,
met kiezels in de mond  van
welsprekendheid , val ik stil
mijn lispelen verstomt en
de taal gereinigd wordt.


 








Metafysica ? 

Stille steen, geen treden
voert naar grond, geen
weg schept ons wegen naar
een overleden zon, wat
scheen in wolken wat
eerst scherven zijn, het
mozaïek betreden van
bergkristal, een steile trap
voert naar het groene dal,
bedekt mystiek waar het
om vraagt, springt naar
sterren in het heelal, met
duizenden zichtbaar maar
in verval, vertoont zich in
ragfijn zaad, in het spoor van
het verhaal wat zich door de
melkweg draagt in levend
licht van bezwerend stof, op
de ziel van de aarde gericht. 







Rijp voor …? 

Het sluipt nabij, ik leef
maar door, wacht af wat
komt, wat nader kruipt
grijpt naar de keel, waarmee
de klop verstomd, de dood
in eindigheid vermorst, komt
na het dagelijks brood, groeit
liefde aan tot aangename korst,
bloesemkuur in late jeugd, waar
in wolken adem van de vreugd
de aangeboren rijp ontdooit
in het vuur van ouderdom
in geest en in mijn borst.

 





 

Nooit bitter 

Soms gebeurt het, soms
worden woorden, als men
ze niet verwacht, vallen ze
moeiteloos uit de palm
van de nacht, ze komen
als de maan gunstig
staat, als ik drink, adem,
proef in wat ik dacht te
schrijven, zonder bitterheid,
in de nasmaak van de taal,
om me in te warmen, een
grootse taal die alle talen
in zich heeft, niet vervreemd
om in weg te dromen.










Op de rede, 

Getijdenstroom loopt niet
parallel met de schijn,
lijkt stil te staan, kost
kracht om tegen stroom en
mening in te zwemmen, en
als drenkeling - op een door
god verlaten kusten - te
vondeling gelegd. Wrakhout
van de onmacht drijft mee
naar open zee, waar de
ervaring leert dat gevoel en
wijsheid zich niet onder een
net laten scharen. Vanuit
die visie meer tolerantie
doet vergaren in een nieuw
refrein, het hoofd en hart op
het kussen van de nieuwe rede
zal rusten, gebotteld in een
fles, gevonden op de waterlijn.









Warm as, 

Is het enige wat gebeurde
wat bedacht, werd geschapen
kwam uit missen en beloven,
maar als stenen gaan ontdooien,
schrijft de wereld geschiedenis,
zal het eens gebeuren, dat as zich
baant de enige weg naar boven,
het warme zaad de harten breekt
van lang versteende graven, wie
zal daaruit opstaan,  te durven
gaan tot het pad is beslecht?









Breekbaar ?


De zon bebroedt de klei
en aarde, stileert de
schaal van eigenwaarde,
in haar wolken speelt het
kind wordt het bemint raakt
het in gevederd licht,
lichtend in het duister.
Tijd verschuift met dons,
bepaalt het gewicht van
ruïnes, steelt vuur uit
hemel en harten, waarin
blikken zijn versluiert,
golven vonken breken door
vanuit de ruimte, als wolven
land en zee bespringen,
een laatste meeuw vangt zilte
wind in een oneindige geeuw.








Splijtzwam ?



Oude wilgen, met
gespleten stammen,
gesnoerd tot buigzaam
griend, verwijten taaie
takken de schemerzon,
die het heimelijk licht,
openlijk laten vloeien,
waar harten branden zullen, 
groeien vermolmde zielen
de hemel in, verspreiden
sporen van narcistische
zwammen zich in de grond, die
te splijten en zich te behoeden
met het overschot, de aandrang
de aanhang in getal te voeden.







 

Schuilhut, 

Als een zwerfkei, zich
in paars hei te ruste legt,
kijkt niet om, hij is vrij.


Zoals water stroomt
in ontmoeting met een rots,
soepelheid verlegt z’n trots.


Roepend naar het graf
waar het brave bloed klopt
tegen zij – en onderkant..
 

Waar de nacht zich roert,
in stilte van de waterkan,
laat de dromen onberoerd.


Franjes maanlichten,
als wormen boren zich

door stilten van kastanjes


Verlaten is het hier,
geen gelaten kinderziel
in de schuilhut van het bos.


 




Verstrikt
   


Bedek de ogen met zijde,
de oneindigheid staat er
vol van, daarin verdrinken
beelden in stromen tranen,
die ons besprongen , verlaat
de kuise wil, waaraan je bent
ontkomen in een achteloos
gebaar, de choreografie van
een gefascineerde beweging,
beloften gevoerd met zachte
woorden,  een dans die leeft
in mijn verstrikte handen.





Andere tekens



Een trompet met vol geluid
vibreert het leven, lage tonen
als som geteld, in verleden tijd
vergeven werd in medeklinkers
van het alfabet, schrijdt vrijuit
door vreemde werelden, 
dragers van het lopend vuur,
verkondigen wat bewaard is in 
zandloper van de natuur, dáár
worden nieuwe klinkers gevormd,
van onbestaande woorden, waarover
we nu alleen nog moeten zwijgen. 







Hoogmoed ?



De onmacht van  koraal doet 
het leven verbleken, verstomt 
elk verhaal in het fletse blozen 
van de aarde, getuigenis zonder 
kleur, een waarde die het rif 
doet zwijgen. Waar de zee 
zich in liet bewonen, stolt 
het bloed van anemonen in
een hoogmoed van de tijden
en laat overtollig moraal zich 
verleiden tot een niet te stuiten 
vloed om dijken te doorbreken.



 

 

 


 


 



De moeite waard, 


Steeds sneller en pijnlijker
dan ooit, onderwerp ik mij
aan tijdloze vragen, om
zinloze antwoorden te dragen.
Wat is de aard op het grote
te blijven jagen, waarin het
lijden is verjaard, blijft de
vorm van schijn onvoltooid.
Zoeken is de moeite waard
om angsten te verdringen
verborgen achter dingen
al zijn ze klein, dromen
van wat nog zal komen, om
over grenzen heen te zien.








Mijn Schaduw,

 Ook mijn misleide schaduw
- al werd hij door mij gestenigd -,
gaf ik een nieuwe kans, in
twee gelijke sterren verenigd tot  
decagram waar hij naar nijgt
tot eenzijdigheid waarover hij
zich buigt maar minzaam zwijgt,
onderwerp hem aan de mij
voorbestemde tijd, stap uit
de meervoudige spiegel van
mezelf en mijn schaduwzijde.

 

 

 








 

‘ Op een steen gewet ’
 

Schilder creëert de

vrucht, tot de honger hem dwingt

te eten van zijn stilleven.

           * 

De nacht is gesluierd 

in het fluister ligt de smart

van ieder dichters hart.

           * 

Boom beklopt  z’n bast, 

in z’n talent gerustgesteld

draagt hij z'n 'takkelast'.

           *   

In de kleur van een  

gevleugeld paard, vlecht ik

verlangen in een ponystaart.

           * 

Geluk op een steen gewet,

met messen achter prikkeldraad

tot lappenpoppen versneden.


 








Levend stof, 


Ach die liefde, opwindend
zo dichtbij en onbereikbaar,
als de sterren staan, vaak niet
met het blote oog te zien, maar
als levend stof van licht voorzien,
die ik dagelijks ademhaal, verkleef
met de schemer van de wintertijd,
in z’n kille armen wordt de zon
langzaam armer, als we zijn uitgevrijd. 







Smaak van pijn

Wat vrij leven is voor mensen,
wat lucht en ruimte voor de vogels is
bestaat zich daarin vrij te wensen en
wat de oceaan is voor iedere vis, vergaat
in gesproken woorden, resoneert in
stemmen die voorgoed gebroken zijn
na al dat bloed dat is vergoten, smaakt
de verworvenheid naar pijn, blijft de deksel 
op de beerput, of komt hij er vanaf, zonder 
te roemen is dat dan de grootste schijn 
of straf, of lopen we voor beide weg en
worden we dan bestempeld vol moed of laf?






Te laat?

 

Vijvers groeien
dicht van angst,
een zee met
kroos werd oceaan,
koos het diepste
van mijn gedachten,
zekerheid verder van
mij vandaan, wachten
vult de mand met vlijt
achter wisselende
maskers van de tijd,
glimlacht voordat ze
verder schrijdt, daarin
schuilt een wijze raad,
mijdt de morgen, anders
ben ik de draad weer kwijt. 










Nieuwe Goden?

Loop over enkeldiepe mossen
langs door wortels gebonden 
en onder door klimop bestegen 
bossen, waar de zon elke morgen 
zichzelf en de kim bestijgt om 
’s avonds in een onverlaat uur 
het heilig vuur vermorst, geregen 
in het duister en het licht tot 
heilzame korst van natte zoden, een 
nachtelijk deksel van een nog te 
ontdekken loden kist, gevuld met 
oude engelen die niet door de zegen 
zijn gekust, zijn er tekens nieuwe 
goden waar de hemel op rust.










Herfstorgel


Ik hoorde verborgen 
stemmen in de toppen, 
orgelpijpen in een storm, 
bewogen door het ritmisch 
gorgelen van het riet, 
gedirigeerd door wind en 
wat men alleen maar horen 
kan maar nimmer ziet, laat 
zich niet foppen door het 
steunen van onvermoeibare 
instrumenten in het ven 
en griend, wat voor alle 
buitenlieden als concert -
zaal dient, op het podium 
bij woelig water recipieert 
het donker, op tonen dieper 
dan de diepste bas, vandaag 
zijn de losgelaten octaven 
niet te stemmen, blijven
we de beste vrienden, 
geformeerd tot erehaag.

 









Emmer zonder bodem?

 

Als ik nog zoute tranen overheb, 
tegen alle ziltheid van de tijd, 
die uitmondt in een belegen zee,
schep ik ongenoegen in een emmer, 
waaruit de bodem is geslagen en de
dromen ongestraft blijven komen, 
in het zog van zelfgenoegzaamheid,
tegen ingedekte stromen in, dein
ik blind in de wals der sterren mee,
verkoos mijzelf te overschatten in
bescherming van het nog te komen kind,
zal ik mij mateloos bezatten, net
zolang totdat ik ergens tranen vind.

 









 

 

Onderscheid


 

In mijzelf het allerkostbare
en blijvends niet te verliezen, 
om jeugd en tijd terug te 
winnen en me uit de eindigheid 
te tillen, menig energie gemorst, 
wat de natuur geen moeite kost, 
opnieuw te kiezen, de enige maat 
te bepalen, niet verder af te dwalen tot 
de fictieve grens van wat ik achterlaat,
een weg gekroond met onderscheid, blijft
ik een dief van overtollige overdaad.

 











 


HomeOver mijzelfFavorite LinksPrikbord aankondigenContact Nieuwe gedichten Gedichten Index A-Z Eerdere gedichten per CategorieART and IMAGES Gastenboek