Home

Over mijzelf

Favorite Links

Prikbord aankondigen

Contact

Nieuwe gedichten

Gedichten Index A-Z

Eerdere gedichten per Categorie

ART and IMAGES

Gastenboek
Pamapoems, Art and Images
Beschouwende gedichten en metafysische gedachten
MENSEN EN MENSBEELD
KINDEREN
LIEFDE EN MEDEDOGEN
EMOTIE EN PASSIE
AFSCHEID EN GEBOORTE
VRIENDSCHAP
NATUUR, ECOLOGIE EN MILIEU
WERELD EN CULTUUR
FILOSOFIE EN PSYCHOLOGIE
ZEN-BOEDDHISME
TIJD EN RUIMTE
MYSTIC/FICTIE
METAFYSICA
POËZIE EN PROZA
TAAL EN SCHOOL
TIJD EN RUIMTE






 

Fluisterringen van de tijd 

Fluisterstemmen in de nacht,
woorden van een andere oever,
van bomen die de knoesten pellen
wachtend op het laatste veer, om 
de geroeste schakels van hun strijd
in de kettingen te tellen, in het zicht
van de nog te ontdekken bakens
om in een ander licht naar hun 

bestemming te schrijden, in
een uitgeslepen stroom, met een 
voorbepaalde diepte, met zichzelf 
en anderen te willen meten,
glijden nieuwe dagen onder het
boegbeeld door, losgemaakt
van alle ankers en nog te dromen 
metaforen, bindt zich binnen de
andere geluiden van de tijd, waaruit
nieuwe grenzen zullen komen.

  






 schrijver  

Matrix


Bossen groen, lichteters
verkruimelen de dag,
distilleren glans uit mossen,
ontdaan van modder en stof,
om de blikken te wassen,
gedompeld in stalen schaduwen,
van heldere schitteringen in de 
halo van de aarde, verlost uit
de matrix van alle zonnen,
spiegelen nieuwe werelden.






 
schrijver


 Windbuidel,

Soms opent zich de doos,
ontvangen van Pandora,
de wind ontsnapt uit haar 
schoot, raast langs de 
karkassen van de levenshoop, 
een mager geluid omhult de
witte geraamtes, te dun bekleed 
met een verse huid, laat het 
aardse stof zich met andere 
kleuren verven in de geuren 
van de regenboog en het oude 
bederven, blaast op de pijpen 
van de doedelzak, met stijf 
gesloten lippen om zonder 
houvast aan de horizon weg 
te sterven, blijft een stukje 
onaangetast, na die windstilte 
volgt de leegte
.

 



 



Erupties

Keuzes zonder maat of duur
men verdrinkt erin, het zingt 
je toe in elk vuur, het verslindt 
zich in een explosie van de 
tijdelijkheid, een eruptie zonder 
krater, om daarin te zijn 
verblind, de weg van eindigheid
smeekt weer om nieuwe ideeën, 
waarin de vrijheid van de voor –
genomen handeling ontbreekt.










Tijdsholte

De tijd liep te over, te
weinig of geen, de 
heelte werd een holte,
alles stond op of viel uiteen,
ik acht mij gewonnen, aan
de dag en nacht gesponnen,
minacht de middernacht,
de draad van eindigheid,
in zuiver bloed geronnen,
zonder een gemis, zal niets
ontstaan, alles heeft een
eigen weg te gaan, de macht
te wegen zonder gewicht,
weegt zich afzonderlijk in
het volle licht van leven
waarin het zichzelf verslijt.

 




Als was,

Waar ik heen moest
gaan was ik al vergeten,
waar ik uit bestond, 
daarkom ik net vandaan,
de tijd verteert de was,
zo broos als het geweten,
uren kruipen in mijn hoofd, 
het licht schijnt 
gaandeweg 
wat minder, er druipen 
seconden
op het zand, 
kaarsvet verdwijnt 
tussen de vingers van 
een uitgestoken hand,
dan wordt de vlam gedoofd.

 






schrijver

gisteren telt niet meer...

Gisteren is niet meer
dan iets dat ik
vandaag maak
omdat ik anders ben
dan ik toen was
gisteren was anders
dan het is, omdat ik
anders ben dan ik was.

Nú, is het enige wat telt, nu
maak ik verleden en toekomst
tegelijk, vandaag ligt het pad
nog open, naar morgen
kan ik lopen dwars
door het heden
om met respect een
andere tijd te betreden.

Vandaag verbaasd
in tijdloze zinnen,
is wat ik schrijf uit piëteit
hoe heb ik kunnen verzinnen
dat tijd gekluisterd
is alleen uit tijd, het
verleden gewraakt
wat ik vandaag
weer kan beminnen, het
heden goed beluisterd
wordt ik rijp gemaakt
voor morgen waar
ik weer opnieuw
kan beginnen.


 


Wit geteerd

 

Nog rijgen zich de dagen
aaneen tot een mistige wereld,
en geen duidelijke zon verscheen
in onze onverbiddelijke vragen
spreken we de verwachting uit om
de lente te vertragen, de winter
floot zich door het leven heen,
de hoop wordt in stilte gedragen
op de vleugels van voorjaarwinden
in het eeuwig spoor van versmaden en
onze teer beminden, de bekomst van
een gemist getij, en na elke verandering,
lijkt het seizoen voorbij, waarna bloesems
de stenen wit zullen teren, waaronder
onze angsten zullen vergaan, en we ons
naar de blauwe hemel zullen keren, om
wegen te volgen naar nieuwe graven, dat
maakt het wachten lang, op wat het lot
voor ons besloot, het onvermijdelijke, het
aanvaarden van doorslaande balansen,
tussen het ontstaan en de dood.




 

schrijver

Vuurdans

Twee ongelijke stenen
in een vonk van vuur
ontstaat een weerstand
van warmte, op de blaren
waar je mijn huid
bespeelt, ontdooi ik op
de lange duur, brandt
een schroeivlek in, de
herinnering houdt stand
een vrijwillige tinteling
van onzichtbare tekens
van kwetsbaarheid ontbloot
bezien verwonderd in elkaar
voorbij het reinigend vuur
en een vage dood, dans
de tango van je leven
al was het maar voor even.



 

 

schrijver

 

Er zijn nog geen woorden voor

Gepijnigd door stilte
en ongeduld, op jacht
naar klare zinnen,
de gedachten en het glas
rijkelijk gevuld, voelt hij
de leegte van binnen, elke
streek bevat een woord
zwijgend bouwt hij voort,
sleurt uit de droes
van de hem gegeven tijd
z'n dagelijks brood
in een plichtmatige roes
gaan beelden teloor
in het licht van ziel en
dag die op hem wacht.

Buigt meewarig over
teksten die hij bracht,
de strekking niet begrepen
verblindt, verplicht
in onvermogen en door het
eerste ochtendlicht
wordt de dagelijkse
aanloop afgewogen
naar een nieuwe nacht
en sluit z'n gedicht
waarvoor hij nog geen woorden
en streken heeft bedacht.




 



 

 
Mossel
 
 
Er gaapt een afstand,
 
het nieuws is weer in tel,
 
in goede luim geland
 
vaarwel de oude keurs,
 
vertaal mij uw nieuwe noden
 
in taken, tekens en geboden,
 
besloten in één unieke code,
 
als mossel hangend in een rij, de
 
kost verdient als schaaldier, zich
 
geduldig voedt met een ander  tij,
 
en zich opent zonder enig plezier
 
voelt als vis op het droge, wordt
 
bekeken weer met andere ogen,
 
verpakt wordt in dezelfde oude krant.


 




Energie gemorst

 

Verstrikt me
in mijn nachtbedrog,
de waan als korte droom,
heb ik mijn schroom
in reine slaap verkocht,
het blind zijn als
een tweede klacht,
de eerste verschuilt
zich in beloften, en
achter maskers, van
aangezicht, in lot
volbracht, te mogen
troosten aan je borsten,
die vind ik in
mijn lege dromen,
verzadig mij met
het verloren zijn,
slechts een kus
minuskul, zo klein,
doet mijn bezweet
ontwaken, in een
baringspijn, als
branding heet
laat branden
in mijn borst,
te veel tijd en
te weinig
energie gemorst.



 

schrijver

Le cortège de la vie

 

Sterven is een toegeven
pijnlijk te zien wat ongesnoeid
bleef aan geplante bomen,
wat niet af was in dit leven.
Alleen het vruchtgebruik
werd in bruikleen gegeven,
aan het ware fruit
daar kwam ik niet aan.

Wat beloofd werd
in mijn jeugd
wilde niet rijpen
in mijn dromen.
Loslaten werd een
losser samengaan,
berusten werd een deugd
voor een bestendiger bestaan.
Al wat is verwoord
hervond z'n glans,
een literair slotakkoord
als laatste krans.


schrijver

L'enfant c'est moi'

De dag dat ik zou gaan varen
voelde ik mij wat lusteloos
ik maakte tussen gele leliebladen
met een hand een doorgang in het kroos.

Er lichtte een gezicht op van beneden
uit de zwarte moddergrond
ik zag een donker trappenhuis
nog onbetreden en het
kind dat daar stond
voelde zich nergens thuis.

Het stond met z'n schrijfgerei
druk te schrijven in een schrift
de woorden onder de pen
waren die van mij, zoals ik die ken
in de periode die erop volgde
te vaak wat negatief uitgelicht.

Het heeft z'n leven geschreven
vaak in haast en vaak met schroom
en al wat ik mocht beleven
ooit nog te schrijven droom.

Telkens als ik even
herkende wat ik reeds wist, en
onafhankelijk het water beroer
als huivering door mijn leven en
als rimpels over het water voer
werd dit beeld geleidelijk uitgewist


 




Beroering

Onberoerd als het oppervlak
van een meer bij de avondstilte,
zo proberen we ons gemoed in
alle omstandigheden te onthouden.
Lentepassie laat een bries ontsteken,
rimpels stuwen water voort tot
voedingbrengende beken, waarvan
de roerselen ontbreken, blijven we
in een verloren kilte steken, en
gruwen we de februariwind.




 schrijver

 

Vrij ervaren ?

Een koude wind schrijnt
en knijpt in het gezicht van
mensen, perst het ginter
en de toekomst uit, waarin de
aarde wordt verkleind, verarmd en zet
de wereld in de vitrine van de winter.
Verweerde oude stammen van vergeten
herinneringen, gesluierd door
andere culturen, die het getij
moeten keren, dan zonder enig erbarmen.

Een klamme regen blaast hoog
van minaret en menig christelijke toren
bijt zich vast in tradionele diepe voren
van illusies, die al verbleken in hun
trage loop, waarin ze al zijn verloren.
De hoop begrenst door onmacht
lijdt schipbreuk op weerbarstige klippen
van wederzijds ervaren
die we niet kunnen ontwijken, dan
neigt het water ons naar de lippen.

Er is geen ontkomen aan,
aan de getijdenstroom van de
gedachten, in oervorm ontstaan
en dwingt het leven, in elk
moment, weer op te staan met een
wrange glimlach vaag verborgen
trekken we de rimpels glad,
in het zicht en verwoord
in de dag van morgen
om ze in verzen te bewenen
waarin een vrijelijk ervaren
nooit kan worden vermoord.




 

 

Retrospectief

 

Aan de elastieken draden van onvoltooide
processen, in processies meegetroond
op de bolderwagen van de tijd,
verwoord in gerecyclede patronen,
in neonkleuren en zuivere willekeur vergeten,
langs de lijnen van een dubbele moraal
waarin oude krassen te diep zijn ingesleten,
maakt rechtlijnigheid plaats voor vicieuze cirkels,
spreekt in kern nog steeds gelijke boekdelen ,
in daad als droes in oude wijn.

Verpakt in nieuwe zakken met speels gemak,
als noviteit wordt opgediend en naar gelang,
als verschraalde etensgeuren zijn weggemoffeld
onder het tapijt en het bloemetjes behang,
blijft de associatie van een retrospectief gevoel,
gebonden door ontnuchterende gedachten, dat
oude pantoffels nu toch echt versleten zijn,
ben als marionet gebonden aan schone schijn,
wat ik kan als kleine mens anders verwachten?


schrijver
 

Fictie?

Laat, laat mij
mijn weg maar gaan
mijn ruimte is
mij te verheven,
mij te schikken
naar diegene die
de grenzen stelt
en die eenzijdig
te bewaken, en in
eigen flexibiliteit
verstrikt dreigt
te geraken, zal
ik stikken in
verlangen, vrij
te ademen denk
ik niet dat
je mij al kent.

In onafhankelijkheid
gebet en gewend
aan ruimtelijke vrede,
verlaat ik op de dixie
van eigen rede
en wordt jouw
beoogde vrijheid
een relatief begrip
één door angst
gevangen fixie
ver van het doel van
zelfvertrouwen, geeft
een misplaatst gevoel
van duurzame zekerheid


schrijver


Bloemenbed

Een voorspel herleefd in een herinnering
geraakt in dichters hart, dat elk ontving
zijn we er bij gaan zitten op het mos
en deden alle twee de schoenen los
er klonken woorden over het lenteweer,
die opstegen in de ijle atmosfeer
het kreupelhout knipoogde als teken van eros
zagen we de bomen niet meer in het bos
de lente sprong naar ons,licht als een veer
en spreide een bed van bloemen voor ons neer
de kunst om dit opvallend te beschrijven
is meer dan alleen de liefde te bedrijven.
 


schrijver 

 

Zand erover

In een leven, de wind en zon daarover
voorbij de taal, die mij de ogen sluit
uit mijn verbaasde mond ontbreekt geluid
hoor ik het muiten van de golven
tussen morgenstond en avondval
ver voorbij mijn taal die een andere toonsoort fluit
onderwerpt zich aan een tijdloos verval
lijken woorden anders, in een vals licht
bestoven, waarin ik niet wil geloven
stuiven mij de oren dicht,graaf een
diepe kuil, door het zand en tij bedolven
is de ontembare vloed niet te temmen en zijn
tijd en voortgang niet te remmen, spreek ik
mij dan uit, hoor ik toch weer nieuwe
stemmen, die ik uiteindelijk niet kan missen
als de zee niet kan zonder vissen.

 


schrijver

 

Rythme en Provence

Wijnranken stram, blakend in gelid
omhelst door een slijpende wind
pijnbomen camoufleren in vale tint
de metamorfose van seizoenen en
schaamteloos hun vruchten laten vallen.
Schrale bodem doorleefd, geblust
in een oceaan van zonnebloemen, door
purperen zonnen goudgeel gekust,met een
bruin gezicht naar de planeten gericht.
De horizon, als luie minnaar zich uitrekt,hult
zich in het minnekleed van het lavendelbed,
cicaden in 'a capella' met hun
klagen aandacht vragen, het gekreun
van de cipressen overstemt,
tot aan de maaigrens van de dorpen,
aan wegmarkeringen onderworpen,getemd
door eigen ritme, in een ongelijke strijd,
aangelijnd door de tijdwijzers, verleid
door deze schoonheid, klopt het bloed
in de aderen van de droge beken
diep in de beddingen vloeit een
vloed van bloeiende linten,en
bezwangerd door schaduw en licht
om elke morgen opnieuw te baren
in een herboren gedicht,een surealistisch
stilleven,wat niet is te verklaren.


 

schrijver

Kosmische wind

Hemellichamen als methane ogen
in en door de melkweg verhuld
vertekend gezicht op aarde,
in bast en borst geschonken
gericht op ingewreven zonden
gewichten zonder waarde,tussen
innig zwart en het weelderig blonde.
De maan die zich afzijdig houdt en noopt
tot wanhoop, blijven aan elkaar verbonden
wat in aangezicht tot pokdaligheid drijft
niets te verwonden, alles is verzonden
met vergulde letters de toekomst herschrijft
in een zuivere maagd die de liefde
voor de eerste keer bedrijft,door
kreeft en stier wordt haar
eerbaarheid niet geschonden.

Zich het licht in schone korst laat kerven,
van hand tot hand door de ruimte te zwerven
in een verwachtingloos niets wat achterblijft en
afstand heeft genomen van werelds blaam
verkiest ieder kwartier een andere ethische baan
en leeft voort in het speeksel der planeten
zonder te bederven, wacht een onomkeerbaar lot
gewone stervelingen, om in de schoot
van de grote beer wat uit te rusten
verijst de schoonheid van ontastbare nevelringen
een sprinkplank naar ontembare reine kusten,
worden bakens door de eeuwen gepolijst en
is alleen de mensheid die vergrijsd.

 




schrijver

Sporen van morgen

Donzige watten van stilte,
zwijgend in ordelijke akkoorden
die een menselijke kilte overstijgen
geregen tot eigenzinnige verhalen
verbouwd tot uitgeplozen woorden
in stille gang nooit zullen zwijgen.

Ontstegen aan de middelmaat de dingen
waarin altijd een opwaart verlangen huist
zich te plooien in de tonen van hun natuur
de aard getooid in eigenwaarde,
gaan ze voor elkaar door het vuur
in tollenrantie en in vrije vlucht
daardoor kennen werelds grenzen niet
voor natuurlijke barriëres niet beducht.

Hun toekomst ligt in een ander droomgebied
op zoek naar nieuwe kansen achter de horizon,
in tegenwinden vergedragen, een zwervend
bestaan op drift langs een verdraagzame zon,
zich te nestelen in hun eigen stroomgebied
en hun sporen te verdienen in een
vernieuwend en een duurzaam lied.


schrijver

 

Schijn bedriegt niet altijd

Tegendraadse naald
vermaant het kompas
de windroos op te prikken
om de bittere gal
eenduidig te slikken
compositie van vals geluid
en tot matiging dwingt
op zichzelf een radicaal besluit.

De Mexicaanse hond
z'n potporie bezingt,
verwondt niet alleen
de oren,pijn onderstreept
de schijn, lijkt een
gedrogeerde waarheid om
in bedrog van te genieten,
heerlijk maakt niet
immer eerlijk,
gewoon valt niet
altijd uit de toon,
is slechts een idee-fixe
van verbeelding
van vlijt en tijd.

 







Holle spiegels

Men zaait en oogst de
psalmen als een waterval,
zalmen springen eendrachtig
naar een voltooid verleden,
de ruimte herbergt de eenoog ,
eenling in z'n soort, spiegelt
zich niet met achterdocht,
erodeert niet in getal,
houdt het oog gericht
op de ingelegde treden
waarin zool en ziel,
in oordeel wordt beleden ,
de ware uitkomst zich berg
afwaarts waagt terugkeert op
z’n sluipende schreden van verval,
vertekend beeld, gelaagd in holle spiegels
van het heelal, materie als steungewelf,
waarvan de reflectie wordt vermeden,
wanneer staren we naar onszelf?








schrijver


 

 

 

 

Odyssee ?

Als de dood mij vraagt
alvorens mij te komen halen;
"hoe heb jij jouw tijd behaagd?"
Zal ik moeten zeggen;
"als ik ben gedwongen
de veren af te leggen
de poëzie heeft gewonnen."

Als de dood weer vraagt;
"Is het niet overdreven
om in het leven, zoveel tijd
en energie hieraan te geven?"
is mijn antwoord heel beleefd:
"Zonder deze odyssee, waarin
dichters wel eens overdrijven, naar
eer en geest de pennen blijven slijpen
om de taal naar tijd te laten rijpen".

"Op het juiste uur geoogst,
de dood kan overstijgen,
een reis intens beleefd,
en is geen schrale troost,
waarin dicht en daad herleeft."


schrijver

 

 

Carousel

Gedwaald in het carousel
van gedachten en oerbos
van aangeleerd gedrag, tot
labyrint getransformeerd
wordt voedsel niet verteerd,
herhaald in zinnen waarin
ik oeverloos verdwaal en
de 'dichters herder 'hoedt
z'n makke schapen, om zich
braaf te laten kooien,
vergaan tot molm door
houtwormen van vlijt
en al hetzelfde blijft,
veranderd alleen de vorm,
in de mij toegemeten tijd.
Ik kijk naar binnen
daar voelt het koud, een
bekend gezicht tekent
zich af in het kreupelhout
en schrik ik wakker en dacht
het wordt geen dag meer,
voortaan blijft het nacht,
het licht is me vergeten, nee
de luiken zijn nog dicht.


schrijver

 

Ach konden we ......

Konden we maar
terug naar een
tijd toen we nog
verdwaalden in
beider ogen
en de kansen
raapten, bevlogen
geloftes naar onszelf
in onschuld, daar
daarin lag ook
een onvermogen,
een hoop die
niet gekruisigd
werd in spijt
stromen tranen
nooit bedoeld
om op te drogen,
oprechtheid proeft
geen verwijt
maar toch pijnlijk
wordt gevoeld.



schrijver

 

 

Zilt zout

Het zijn mensenmonden die het zout
in blauwe oceanen proeven, zilte
golven uit een archetypisch verleden
waarin we ons veilig wanen, worden
blik en ethische doel steeds vager,
herkauwt het heden zich roestig tot brij,
scharniert de tijd alsmaar trager,in de
vastgelopen mechaniek met gelijke averij,
een noodzaak om te blijven boren, verder
dan de fossiele eigenwaarde, tot
op het magma van het beoogde doel
houden we een proces in stand,wat
verder reikt dan een kritisch gevoel
het overvolle glas gevuld tot aan de rand,
wat in wezen het diepste kwelt en
overvloeit en verdampt in tranen,
in alles overdrijft en ons vergezeld
wordt ziel door wind en zand geslepen
tot gemodelleerde zoutpilaren,
in nieuwe sprookjes herverteld.






IJsberen 

De dag ijsbeert in de regen,
marcheert over een druilerig perron
op een ver en lege horizon gericht
gedachten boemelen naar een bleke zon
de passagiers tot niets verplicht
stramme ijzers smelten samen
tot slechts een optisch bedrog
in synergie een plan te beramen
met losse eindjes in hun zog
de teugels strak in toom
in trage cadans verdwijnt
langs biels en kale boom
onveilig sinaal ondermijnt
een trein dat verder spoort
door duisternis omsloten
door weemoed uitgefloten
zich te laten wegen, menig-
maal ten onrechte gedacht
te laat, te veel verwacht
ten leste maar gezwegen.


schrijver

 

Emulsie van woorden

Vandaag, vervalt
het verleden,
schrijf ik onleesbaar
uitvluchten gesmeden,
luidruchtig gezint
in onbeschreven bladen
bemint zonder te schaden
gedoopt in kleurloos water
mijn greep die loslaat
in kritiek voor later,
alles wat afvalt, weer
opricht, de poëzie
in een woord beslaat,
emulsie van de tijd
verwaaid in transparente
pennen van vlijt,zonder
de werkelijke inhoud
te moeten kennen.


 

schrijver

Commedia del mondo

Omdat we blijven lachen,
huilen gelaten we tuiten,
vallen er gaten in harten en
gezichten, verscholen
achter maskers in een
strak mimme, biggelen
tranen over de wangen
van de tijd,gesoufleerd
in een dramatisch slot,
uitgebeeld in een
onvoorspelbare acte
van een geënsceneerde
remedie, is de juiste plot
in deze wereldse komedie
nog niet geregiseerd en
valt het gordijn,in een
fictieve scheidingslijn
tussen acteurs en
hun geëerd publiek,
rijst de vraag; wat is
echt en wat is schijn ?






schrijver

 

Omzetten

Kon ik de toekomst
omzetten om naar
huis terug te gaan met
z'n nuchtere wetten,
ironie in de ogen
van de torenhaan,en
in de nacht die
mij ontbood,
gevangen in de holte
van haar schoot, waar
ik mezelf in veracht,
huiver voor de duisternis
en om wat ik verwacht
en voor de loerende dood.



schrijver

Maanruiters

Een oude bleke avondzon
wentelt zich in stervensnood,
schreit tranen op de daken
maakt gebakken poriën bloot.
Geharnaste ruiters vuren
paarden aan om hun vurige
sprong te wagen, stranden
op harde kolders,maliën
gesmeed door een blinde maan.

Het duister sluipt met trage
vleugels door tij en zinken goot,
aangespoord door strakke
teugels, onthult het schuim op
paardenkaken, aangelijnd
door mensenhanden, wacht
hen een zekere dood.

Bespelen ze met benen vingers,
de rookpotten van de mist,
het metaal van windgitaren,
gewist in de opkomst van het
ochtendgloren, zijn de dreigende
hoefslagen van de morgenklokken
van verre reeds te horen,
versterft de waan van het verleden
en worden stutten van de nieuwe
dag opnieuw geschoren.



 

schrijver


Reinigend

"Oh, volmaakte slaap
aan liefde gebonden,
beschonken rust,weerspiegelt
in tweespalt van gedachten,
beklonken sprong in beider
ongewisse golfstroom,
blijft ongeschonden, berust
in een omvattende droom,
waar lust een kunst is
van totale overgave, streeft
naar gelukzaligheid,
vernieuw en overleefd,
zich verlicht in zwakheid.

In kleuren en ritmen
van de nachtelijke adem,
waarin we onze noden tellen
getransformeerd naar
schimmen van een verschiet
waarmee we ons kwellen,
dat bezinksel, om de droes
van het verleden te claimen, op
de schreden van het tijdelijke,
gereinigd op een harde manier,
beseffen we morgen niet,
wat we gisteren waren. "


 


schrijver

 

Versteende golven

Wereld van zand en wieren,
ontbloot in eb, verpakt in vloed
schoot van gewervelde dieren,
bron die kroost behoedt,mild
ingelegd, gekaakt en machtig
gesteven door natuurlijk vuur
afwachtend, altijd krachtig
z'n stand tot de meanderende
maan in elk veranderend uur.

Beweend,als ze neemt,
onbemind na razernij, om
wat de mens haar sleet,
verstenen golven in aangezicht
van kunstmatige stranden,
getij haar wijsheid weet
gesticht in onbegrepen handen
kalme berusting breekt geduld
ritmisch in eigen zilte bad
om de zondaars te verbergen
strijkt zij haar plooien glad.


schrijver

 

Ongeschonden, geschonden,

Hoe vaak zal ik sterven
aan een dodelijke blik
als ik de bodem raak
van een glas wijn en
de smaak veranderd
in troebele azijn?

Hoe sterk zal ik zijn om
te geven, in de doolhoven
van elliptische wanen
die op elkaar lijken,
metaforen van
bergenhoge kloven,
niet overbrugbaar blijken?

Hoe lang ben ik bestand
om eigen zure druiven
te slikken,waarvan ik niet
besef of ze rijpen,alvorens
me in de bloeiwijze te
zullen schikken, zonder
de essentie te begrijpen?

Hoe veraf is een antwoord
of oneindig dichtbij op
die kerende vragen?
Eén antwoord is genoeg,
om scheep te gaan in
een wankel bootje,
om me naar de groene
overkant te wagen.






Duisternis brak open

De duisternis brak open
kwamen nimfen aangeslopen
getekend in de volle maan
achter hun schaduwen vandaan,
maakten de gewelfde dijen lichter
in de koele nacht stijf bijeen
liepen daardoor wat dichter
langs schaamteloze blikken heen
nagestaard door oude wolven,
met bloed doorlopen ogen,
in de ruige pelsen van hun aard,
in korstig kleed gedolven,het
hart tussen beide borsten
voltrok zich in het struikgewas,
werd hun oordeel onvertogen.
aangelijnd wat de wonde genas,
gewaar in een korte stonde
en van keurend blik,
bleven daden afgewogen.







Tijdsholte

De tijd liep te over, te
weinig of geen, de 
heelte werd een holte,
alles stond op of viel uiteen,
ik acht mij gewonnen, aan
de dag en nacht gesponnen,
minacht de middernacht,
de draad van eindigheid,
in zuiver bloed geronnen,
zonder een gemis, zal niets
ontstaan, alles heeft een
eigen weg te gaan, de macht
te wegen zonder gewicht,
weegt zich afzonderlijk in
het volle licht van leven
waarin het zichzelf verslijt.


schrijver

Ik ben .....

Ik ben als zwaan
op zoek wat niet
is te vinden,
de residuen van het
eens beminde, een
tijdloos verstaan,
in de ogen van het
gekroonde kind, of
gedroomde vrouw,
al vroeg verstooid
in integere wind,
vermaard door speelsheid,
verleid,spiegeling in
het betraande meer.

Door trouw getooid,
was het beter het
mij gewaande, getoetst
aan het niet bestaande,
de veren af te leggen
door oud zeer en krijgt
leed z'n eigen pracht,
in gestalte van een
gekooide zwaan,
tevreden van wat
de tijd hem bracht.


schrijver

Lange geeuw

Zomer duurt een maand,
herfst kent vele jaren,
een winter duurt een eeuw,
sleur vertokkelt zich in schijn,
onderdrukking van een geeuw
na het strelen van de snaren
gaat het seizoen weer verharen,
refrijn laat zich niet bezingen
in de roerige staart van Maart,
is de toekomst niet te ringen
wordt de lente opnieuw  gebaard.








IJsbloemen
 
 
Ik zal sterven
 
zonder het te weten
 
anders had ik
 
de tijd wel teruggezet,
 
en de ijsbloemen voor
 
het blinde raam gezet
 
om de teruggang
 
te kunnen meten,
 
zou ik het eindig doel
 
maar vergeten, wordt
 
op de laatste adem –
 
tocht de toon gezet
 
om de ijsbloemen
 
te schikken in een
 
veranderend boeket, vol
 
ongeduld te wachten,
 
rolt zich het verleden uit
 
de herkomst van het heden,
 
gaan er stemmen verloren
 
van mensen van wat ze
 
riepen, maar dan zonder geluid,
 
in mijn stem, te weinig
 
beweging op de aangevroren ruit,
 
wist een nieuwe lente de aangevroren
bloemen van de winter niet uit.






Wassende maan
 
 
De weduwe van de maan,
 
vertoont zich in het violette
 
aangezicht, gedrapeerd
 
door doorzichtige linten,
 
een handreiking naar
 
het geschonden licht,
 
steekt de kim naar de kroon,
 
aangelijnd door zilveren tinten,
 
hoedt haar vluchtige schapen
 
getooid in wolfse kleren, die
 
als honden waken en hun taak
 
verrichten tussen eb en vloed,
 
ontlokt gehuil uit aardse
 
muilen, die de donkeren
 
nacht beheren, gebruikt
 
de zon als schaduw, in
 
te ruilen voor de laatste
 
hemelstralen, ontlokt
 
verhalen, die passen in
 
dat intieme uur,
 
worden mij de oren
weer gewassen.






Zandloper

 
 
Langs vale wintergrenzen,
 
het loodgrauw in de lucht
 
vermoeden gevat in wensen,
 
sjouw ik het levenspad,
 
omzoomd met distels af,
 
langs gladde keien, tussen
 
wieg en soms het graf,
 
maalt de molen haar tijd,
 
ruist het alom aanwezig leven
 
in stof door de vingers glijdt,
 
haar blik mijn toekomst kuist, 
 
bedekt met open hand, de
 
opening van vele monden,
 
stokt alles, al is het maar even,
 
in de stilte van een adempauze
 
de laatste korrel zand uit de loper
 
valt, gebald in haar kleine knuist,
 
niets heelt beter alle wonden, ze
heeft het beste medicijn gevonden.






Ze wast de wereld in stilte.

Ze woont in stilte, ze
schrijft haar taal,
voor mij, in een
onvoltooide verhaal.
Hoe is het wonen in die
stilte, vroeg ik haar?
Zij antwoordde ; “Zoals
ik woon in al omvattende
stilte, buiten heerst
alom de kilte, daar
ben ik een leven van
vandaan, om tot de
leegte terug te gaan,
zal ik mijn zwijgen, in
alle denkbare woorden
moeten krassen,
om met die stilte,
straat en wereld
schoon te wassen.”



 




 

 Spagaat van de tijd

 
Mijn lief, we zijn lichtjaren zo ver
 
van elkaar, als polen van de morgenster,
 
dichtbij, als het oude en het nieuwe jaar,
 
op helderheid gericht, als twee
 
profielen van een gezicht, tezamen
 
smelten kleine smarten tot simpel
 
doel, in beider harten, te drinken
 
van een zeldzame wijn, een volmaakte
 
dronk, gegist in een rijp festijn.
 
Overstijgt het angstgevoel,
 
jezelf te moeten zijn, wat
 
tevens doel moet zijn, vreemd en
 
verwant als je de vrijheid claimt,
 
klonk het moment van overgang, zoals
 
we onszelf kenden, de klokken te verleiden,
 
de wijzers van het uurwerk te stoppen,
 
de pijn te vermijden, en de tijd te
schenden, van onszelf te scheiden,
zonder de natuurwetten te foppen.









Pit zonder vrucht

 
De aarde, blauw aangezicht
in het kosmisch kille licht,
je wrijft je warm, op vlucht
tussen planeten, waarvan we
de namen zijn vergeten, ik dicht
een arm om je middel heen.
Je komt liefde te kort, een woord
waarom gelachen wordt, het
blauw wordt ijs, daarna grauw,
niet in meer staat innerlijk te bloeien,
in de kou wordt alles ontkent
een pit zonder vrucht, een
kale boom op een oude prent.







Hinderlaag

In een hinderlaag,om ons heen
de angst,met mij in het midden,
labyrint met een denkbeeldige lijn,
doodstil en algemeen, moet een
andere weg te vinden zijn, verging
de wereld niet toen ik sliep, een
paradigma van de gebroken schijn,
die emotie even los te laten, tot
een aangeboren moed mij riep, de
essentie een nieuw tijd, de strijd
met existeren duurt het langst.





Prismatig

Ik herken de blauwe zaden
van een pril begin, te proeven
van vergeelde zeden in huid
en haar, daar nog wat tussenin,
woekering van onbekende goden
uit een terracotta oerinstinct,
zich voorspelbaar laat verraden
getooid in de lange lijn der doden
met kroontjespen en zwarte inkt, het
avondrood zich in de horizon verminkt
waarachter de as wordt verstrooit, een
echoput, waarin het kalf zichzelf verdrinkt,
herhaald verraad van eigen daad.








 
 
Ziende blind
 
 
 
 
 
 
Duisternis verschijnt hier op mijn aarde,
 
door de kieren sluipen streepjes avondstond
 
woorden die zich in de minne schaarde
 
ging in vlucht van mond tot mond,
 
glijden voorbij als witte zwanen,
 
ademloos verbeeldt in menige ziel, dor en
 
doof, verstijven we in onze wanen,
 
de onleesbaarheid van ons profiel, zijn de
 
blinden zieners of ben ik een blinde dichter
 
of weeg ik zwaarder, maakt de last niet lichter,
 
voor mijn passie voor de dubbelfluit, ik bespeel
 
de onrust die de geest verdooft, in wezen
 
voor het gebrekkig uitzicht in mijn hoofd,
zonder de gepelde noten te kunnen lezen.







Kijkdoos

Het kleine oog gericht
door het kleine venster
in het licht van de wereld
de kleine caleidoscoop, kleurt
de aarde met één oog, telt de
multiculturele regenboog, abstracte
stukjes land en culturen afgewogen,
verkleuren vorm en plaats, beweging
door een simpele handomdraai, en
een voortschrijdende tijd, om de
carrousel te verfraaien, intuïtief
inzicht beloont door te leren kijken,
voor ieder die deze doos bewoont,
en een nieuwe hoop zich toont,
door met de juiste slag te draaien,en
graait de moraal naar een andere taal,om
arm en rijk met elkaar te vergelijken,
en maakt mijn kijkdoos dicht, en verdwijnt
ook uit dát ene oog het zicht, overblijft is de
illusie of de vraag, is dat alles wat is zie ?








Zon - en Maandag?

Ontstaat niet uit elke
moederkorst, opgestaan
in ochtendstond, zich beukt
op broze borst, in schijn
hervond, een flauw beschenen
maan, z’n halve schaduw als
hinderpaal, het altaar van
de wereld vond, in kwartier
en laatste stand, z’n huid
en aanzicht verbond,
met de zon aan de hand
zal sterven, verrast door
onbezonnenheid, de vurig
gebalde vuist zal heffen, na
iedere maan, in de onmeetbare
drang, het doodskleed verkleurt.
Zolang dat niet gebeurt, laat
me schuilen en verdwijnen
in zwellingen van je kraters
besmeurd met zoute tranen, om
te drogen in gedempte waters, is
een voorbestemd vermoeden
uitgekomen, waarin zon en maan
samen stromen naar de grenzen
van het heelal, en ik dan ?
Maar er is ook nog de dinsdag.






Zwart vinyl

 

Bewijs van afgedraaid
verleden, verbannen op
schreden tot de zolder,
verslaat de grammofoon
de kolder, van oude blijdschap
in treurige toon, zwijgt
de doorgezaagde boodschap
en gekraste trappen van de
tijd, gekerfde groeven
in geschonden staat,
zwart geverfd in geperst
vinyl, draaft en
zwoegt door in ziel
en zaligheid, vergrijsd,
ververst de harten van genegenheid,
hield zich de zilveren schijf van
het geteisterde en warme lijf.








 

Oeverloos

 

Met gesloten ogen
keer ik terug
naar een diepe slaap
maar de weg is treurig
en vuil, een halte
tussen de dag en
de nachtmerrie,
gedichten lezen zou mijn
oeverloze gedachten
tegenhouden, die
labyrinten overstijgen
en naast mij een kussen
een leeg omhulsel,
waarvan de veren in
onschuld lichter
worden, om deze te
vangen kost geduld, om
de nacht gevuld te krijgen.







Spinnenrag

Spinnenrag vangt beelden
uit de verste hoeken,
opgerakeld door mijn adem,
hoewel ik al vertrokken ben,
van dat luxe matras, die dag
hoef je mij niet meer te zoeken.
Op de beslagen ramen verschijnt
nog eenmaal de wasem van mijn stem,
één voorjaarbeurt en de kamer
maakt zich vrij van stof of spoor
in waar mijn schaduw snel verscheen,
in aanwezigheid van mij, een tocht
die uit geopende vensters verdween, en
teloor ging tussen avond en de nacht,
ontsnapt in alle standen, benieuwd naar
een ander onderkomen die mij wacht en in
welk nieuw gesponnen web ik ga belanden
.





De klank van de essentie  (Zen)

Bevrijding van jezelf betekent,
dat je de ander accepteert zoals hij is
en je hem hebt vergeven.

Mensen die anders denken of een andere mening
hebben, geeft een natuurlijke en rijke diversiteit.
De natuur kent geen goed of kwaad en vindt het juiste
evenwicht uit zichzelf, de mens vindt die harmonie
in het bewustzijn, de keuze van het goede.

Veel mensen reizen de wereld af op zoek naar vrede.
Bij thuiskomst blijkt, dat zij die de hele weg met
zich hebben meegedragen.
Men hoeft dus niet zover te zoeken.

Een mens in balans kan van buitenaf niet beledigd worden.
Hij weet dat enkel een onjuiste waarneming van zijn beeld
beledigd kan worden.

Laat alle mensen in ras of religie, vrij hun muziek
beoefenen, de klank krijgt dezelfde essentie.







In de lome middag, 
 

Zonlicht laat zich te water
 
stralen die met koetjes komen,
 
de kalfjes kennen hun elk plaats,
 
de leegte houdt het praten braaf,
 
de zalfjes brengen zoete dromen,
 
spinnen garen om de wol te baren,
 
tijdens dutjes onder lindebomen, luister
 
was het de nachtegaal of zwarte raaf?
 
 

 




Papavers bloeden  zolang ze bestaan

In plat geschoeide velden
klappen rozen open, bewijs
van argeloze plicht, de wereld
zich met het licht zal voeden
van te vroeg gestorven helden,
waar de koppen blijven bloeden,
om gemorst zaad een kans te geven,
te aarden aan beide zijden van een
tere grens, zich steeds weer
de ultieme wens te beleven
en hoop te laten ontkiemen
uit de loop van ieder geweer.








De lotus en de roos


Van kinderen en vrienden houden kan iedereen.
De uitdaging is op gelijke manier je
vijanden lief te hebben.

Een boeddhist zoeklt de waarheid niet buiten
zichzelf, maar in zichzelf.
Inzicht geeft uitzicht.







Voorgoed

Ik stierf en er was niet
van ver mij vandaan
een stronk, een kussen
voor mijn houten hoofd,
waar ik de bedding vond,
waarin ik rusten zou,
ik zocht snakkend zonder
adem naar een stem, die nu
voorgoed zou zwijgen.
Ik stierf en er was niet ver
van mij het hart, waaraan ik
in volle geest, de laatste kus
had willen geven, geboorte
van de dood, verlangend
naar die laatste stoot, die
mij de vrijheid bood.








L'adieu,

Hoe verder ik dit pad zal gaan,
hoe meer ik eelt verzamel
op het bot. Een gewaagde
reis, waarbij de huid, mond en
de schouder lijken niet van
deze tijd en lichtjaren ouder,
het frame gelaagd tot rond skelet,
de ziel in tijd gewet,zal buiten
het willen tot voortbestaan,
in hardheid ingeboet, als ik
door die zandstorm raas, wast
mildheid, het been tot op het merg,
als ik de vertraagde aftocht afblaas,
in de laatste woestijn, dekt een
schroeiende wind mij toe, mijn
spoor (nog) niet aangepast, voor
dieper graven ben ik te moe,waar
het ook zal zijn, ieder graf
verdient z'n eigen plaats, een
prima plek voor mijn relaas.




 
Versneden land, 
 
 
 
Na de verveelde
 
winterslaap,ligt de
 
polder weer open,
 
gekapt door tijd,
 
en stalen ploeg, wat in
 
het verleden lag, in
 
staal naar boven joeg,
 
en aan de oppervlakte,  
 
vers besneden, verslapt
 
de aandacht, wanneer de
 
uitgebeende huid, zich
 
openlegt in arbeid,
 
mechanisch voorbereid,   
 
vervalt de aarde tot rust
 
van eerbaarheid, in
 
lange voren tot magere
 
kluit, de stralen van
 
een nieuwe zon zich
 
in het hunkerende land
 
zal testen, met volle
 
sproeten in verspeende
 
grond, de stoppels van de
 
weerbaarheid. Dan blijkt,
 
het juiste ploegen en het
 
mesten doet je met een
 
eeltige hand, dan raakt
het polderland gezond.








Verguist,

 
 
Als men dalend,
 
plots het vergezicht
 
verliest en tegelijk
 
geen merel meer
 
hoort zingen en de
 
wind de valse
 
tonen kiest, waag
 
ik toch de stap, ook
 
vandaag blijft de
 
regenboog buiten
 
mijn bereik, op het
 
pad dat naar de hemel
 
liep, langs een haag van
 
molens in het vochtige gras.
 
Mijn afstand ontrokken
 
aan het oog, wijst
 
het niet waar ik was,
 
maar loopt steil omlaag
 
door het kristallen gruis,
 
naar een dal waarin ik mij
 
niet durf te wagen, waar ik
 
het huis verliet, wat ruimte
 
biedt, voor nooit gestelde
vragen en verder verval. 

 

 





Rijpen
 
 
Als ik gaandeweg anders dicht
is dat verwijtbare onschuld,
wachtend op het licht vol
ongeduld wat mij vervuld.
Ik stel mij geen vragen meer,
aan de rusteloze muzen die
ik dien, ik denk niet dat ze
mooi of aardig zijn als ze niets
meer in mij zien en weet ik
ook niet wat zij willen,
- trouweloze makkers, om mij
in hun val te lokken -, om bij het
wakker worden te zijn vertrokken.
Ik weiger te dansen naar hun pijpen,
keer me om met het gezicht naar
de zon, en af van hun grillen, ik zal
een oogje dicht moeten knijpen, om
daarachter het vuurtje te laten rijpen.

 

 



Zandruïnes

Steeds opnieuw bracht
de vloed de golven
omhoog tot ze de
zandkastelen bereikten
van de kinderen, die
joelden toen het water
ze uit hun kuilen spoelde
en over hun slotgracht
sloeg. De ogen nat, de
haren droog, verruilden
ze het tij te vroeg, voor
wat eerst op een zandpaleis
leek en afgedreven was in een
afnemende jeugd, gedacht
daarop luchtkastelen te
bouwen, streek de tol op,
vergat hiernaar te streven,
om op de ruïnes te rouwen,
ach, waren we maar in die
deugd gebleven.







 
Gordiaans ?

Als avontuur bedoeld,
hebben we ons schip
getuigd, werd het door
angsten weggespoeld
als jachtig galjoen, een
vliegende Hollander
overtuigd, geankerd
in een nauwe wambuis,
gekapseisd in ondiep
water, waar het lot het
zwaard in vast liet lopen,
bolde winddruk de zeilen
met 12 gordiaanse knopen
van vaste koers verstoken,
stuurloos met een
gebroken kompas,
verdoemd de laatste
reis te ontzeggen om
de klippen te verleggen,
viel er tegen die natuur-
kracht niets te winnen,
behalve vanuit windstilte
te beginnen de knopen
door te hakken, alvorens
een andere kiel te leggen.




 







Stoffelijk ?
 
Het gevoel alsmaar te
moeten te kiezen, en
als ik me de koers vergis,
toch maar door te gaan,
waar al lang geen weg meer is,
geen duidelijk doel, gedragen
door de verre klokken, die hun
richting geven aan trage slagen,
in niet te tellen stappen, zal
ik me in de vraag verliezen
of ik wel het juiste heb gekozen,
en die gedachte, mij het
gezicht laat blozen, in mijn 
geslofte kleren, kan de twijfel
niet ontlopen, en om die de rug
toe - dan wel - op mijn schreden
terug te keren, wat ik daaruit
verwachtte, ben ik toch te moe.








De oversteek  

 
Ik wil de zon en wind
 
recht in de ogen zien,
 
iets wat jij wel wil
 
maar niet kunt, enkel
 
en alleen wat mij betreft
 
score ik een heikel punt,
 
om naar een andere wereld
 
af te zakken, mocht
 
die bestaan, we zullen
 
niet het gelijke bootje
 
pakken, om door het zelfde
 
duister te gaan, wanneer
 
we voor die beslissing staan,
 
en we op ongelijke wegen
 
verkeren, met een ander
 
doel in het vizier, was
 
dat maar af te leren, en
 
de oversteek te maken, op
een illusie van kartonpapier. 

 









Vuurstenen 

Nog zijn de sporen voelbaar,
uniek, ik vermijd ze niet, ze
zijn in aard en ziel gegrift, een
schaduw van voorbije strijd, van
wie ik de mantel mocht beroeren,
waarop een gedoofde ster is bijgezet.
Ik blijf niet langer wenen, volg de
dood, gezeten in z’n tijdloos wiel,
flonkeren de vonken van jouw
vuurstenen, die bloedrood in een
dageraad, opnieuw worden ingebed.




 




Stinkend wier

Wat achterblijft
als de zee vertrekt,
zijn schelpen, kwallen
en stinkend wier, wanneer
de vloed verder komt,
omhoog gespoeld over
de getijdenlijn, in
ballast verjaard,
waarvan door kinderen
als kostbaar goed
wordt bewaard,het
kleinoot ingeboet,als
roestig schroot volgt
het ons vanaf het ‘kind
zijn’ tot de dood.








Diaspora 
 
Je woont waar je het schrijft,
het bos kan niet lichter zijn,
je stelt je in op dingen, die je
drijft, met kleiner diafragma vast,
haarscherp raak je het beeld,
uitgelicht in een tegengesteld
contrast, elk detail belooft
een nieuw ontwerp, de dichter  
de last verwerpt in schijn, 
verscherpt z’n buitengrens
in de diaspora van z’n domein.  




 





In de stilte ligt de wijsheid

Zo stil in het hoofd,
zo stil, zodat ik
altijd wat hoor, die
verstomde geluiden
kwetsen mijn
gevoelig oor,
de witte vlekken
van mijn geestesoog,
rust is wat ik zoek,
overmand, verlamd,
doe ik dingen die om
een antwoord vragen,
ik antwoord niet, de wijsheid
laat zich in de stilte dragen.








De lente ingedaald

Het gras drinkt
paardebloemengeel,
hyacinten geuren
zacht naar regen, wat
speurt in diepe voren,
gelaten na de winternacht,
sneeuwklokken luiden
jouw toekomst in, op -
gedragen aan de lentezegen,
verleiding van jasmijn,
verleidt de paarden
te ontbijten van het
bloementapijt, maalt
de kilte tot voorjaar,
van wei tot mei, laat
het ingedaalde licht
zich in eenvoud aarden.  






 

Natuurverschijnsel ?

Naderende voorjaarsbuien
storten tranen in mijn ogen,
omfloerst met rode randen,
die het zien versluierd,
een natuurverschijnsel?
of gewoon verdriet,
of een magere hoop
bevestigd aan mijn
onvermogen, als havik
die z’n blik verheft naar
een loden lucht en een
vierkante zon, waarin
z’n talent wordt besmeurd,
of wat daar nog van over is,
en te licht met ervaringen
wordt geleurd, wat maakt dat
ik stik, blijft dit geestesoog
op een oneindig doel gericht,
wat aangeeft dat er niets is
gebeurd, gestreken in de
lentezegen, stromen de
plooien van mijn oud gezicht
uiteindelijk weer dicht.



 


 

Gesproken toon

Ween niet als dat
gestorven is,
haar schim op winden
zucht, naast de leeuwerik -
in volle vlucht -
in een oneindige klim, naar
een streepje licht,
ontrokken aan de duisternis,
een smetteloze vlam
haar vonken op mijn
hemel heeft gericht en
aan de hete as ontkwam,
gebalsemd in een seringenbad
en geurend duizendschoon,
haar doolhof heeft ontward,
verstard de tijd haar
beeltenis, het mededogen
weerspiegelt in een laatst
gesproken toon. Meen niet
dat die gestorven is, dus
blijft alles heel gewoon. 








De tijd even vergeten…
 

Mijn weg eindigt
bij de hoge populier,
die staat te wuiven
waar de wereld begint,
de tijd vergeten in het
laatste schoolkwartier,
vliegerpapier versleten
in een straffe tegenwind,
verwaaide jaren vol
geheimen, liet zich de
toekomst niet raden,
voorspellende tekens
zijn niet te rijmen, in
de tweespalt van de
ongeplaveide paden,
waarvan het gebroken
asfalt niet bleek
te lijmen, verblindt
door zwaluwen in hun
onbreekbare vlucht,
voor die trektocht vanuit
de eigen schaduwen
ben nog beducht, wijs
ik hulpeloos de vrije
vogels na, besluiteloos in
de dingen die men koos,
waarin ik buiten sta.


schrijver

 

 

Bellen blazen

Gestrikte tijd, die mij omspon,
verstrikt de jaren in spinnenrag, de
waan van veiligheid in een cocon,
geschoren luiken was alles wat ik zag, om
alleen door kieren het morgenrood te vangen,
zo weinig, maar zo helder als kristal,
de onbewuste kern van het verlangen,
rechtvaardige spiegels uit het heelal.
Daaruit lacht zij wijs en onbevangen,
echo’s strelen licht in beide oren, die
beroering is mijn paradijs, waarin
alleen het beste wordt geboren, zal
de armen strekken en haar vragen haar
zeepbellen aan mij op te dragen en dat
verloren kind in mij te wekken, zo windt
ze het uurwerk op van mijn verloren tijd.
Ze zal nooit de bloemen laten verdorren
in haar wezen, waarmee zij haar omgeving
heeft bevrijd, het beste medicijn om te
genezen, om zelf weer bellen te gaan blazen.




 



Het loopt, zoals het gaat.
 
 
 
Verzakken, bouwvallig
 
worden, vage scheuren,
 
voorspellen erger,
 
gebladderde verf op
 
geweerde deuren, diepe
 
nerven van beloften,
 
waarop de tijd mijn
 
oneindigheid laat sterven.
 
Dat huis, dat lichaam,
 
gelegen aan kruispunt
 
van onoverzichtelijke
 
wegen, maakt geen verschil
 
in de gelegenheid, het zijn
 
de keuzes waarmee de paden
 
zijn geplaveid, het had
niet anders gekund.



 



 

Metaforen

Herinneringen vergaren steden,
als men dat wil met gouden
tempels en porseleinen straten,
monumenten die voor altijd de
gedachtenis aan wie hier leefden
blijven bewaren, substraten
van dat verleden, veranderd
in afbraak, wanneer men ze
prijs zal geven, maalt puin tot
nieuw cement voor metaforen,
die nog niet zijn verkend.









Lege relikwieën

 
 
 
Als ideeën worden gedolven
 
uit het blauw van oceanen,
 
vullen golven, betoog van
 
schuimende essentie, gestuurd 
 
door cyclische getijden, die
 
de grote sprong wagen naar
 
waterkant en achterland, 
 
waar mans toekomst
 
zich laat kastijden. Op
 
de vloedlijn verzameling van
 
relikwieën, stille getuigen, die
 
buigen voor gespoelde dromen,
 
die in het zand tot stilstand
 
zijn gekomen. Volstaat als
 
voedsel voor emotioneel vuur,
 
waarin alleen de verpakking
 
wordt verbrand. Laat de wind
 
het springtij bezingen, om uit
 
het dal omhoog te klimmen,
 
om zich te reinigen in dood tij,
 
blijven handen gebonden
 
door een noodverband,
schipbreuk zonder averij?






 

Mallemolens

 
 
Hoge wieken vangen
 
veel weerstand, met
 
de trotse ruggen in de
 
wind, rusten niet voordat
 
het kaartenhuis zich
 
heeft vermalen tot
 
wantrouwen en de
 
reinste tarwe is
 
gemalen tot gistend
 
meel, waarmee geen
 
brood meer is te bakken,
 
en in eigen brouwerij om
 
de hete pot te draaien
 
van verzuurde balkenbrij,
 
om de zilveren krenten uit
 
de karige pap te graaien.
 
 
 
Lood veranderd niet in goud,
 
door alchimisten beschreven,
 
in stille beloften, maar in
 
tegenwind de volle zeilen
 
moesten reven, draaien we de
 
polderkraan nog wijder open  
 
om de afgedreven ego's
 
op te dweilen. Nog niet
 
genoeg gekweld door
 
aangerichte averij, besmet
 
het ook de reine stenen, volgt
 
de tred van mallemolens in
 
het laatste beetje zuivere wind,
 
wat is verwaaid in cynisme van
 
het geprezen calvinisme, los
 
van religie en politieke kleur,
 
waarbij de geur van onmacht
zich met onwaardigheid verbindt.




 


 

Geplukt fruit is niet altijd rijp

” Baren we niet de kinderen uit dezelfde droom?
Zijn wij niet de geuren van dezelfde orchidee?
Plukken we niet de vruchten van dezelfde boom?
Baden we niet in weelde van dezelfde zee?"

uit de bundel : Geplukt fruit.




 

Schering en inslag ( Haiku’s )

Bomen van overdaad,
ze kunnen niet ontkomen,
ze zijn ontvrucht.

Bloesem maakt verten,
schoon, staat in het stof
geschreven, een optelsom.

Daar waar we wonen,
waar kunnen we anders zijn,
dan waar inzicht groeit.

Stammen ontbreken,
niets dan ruwe knoesten,
wortels bieden uitzicht.

Leven is van loof ontdaan
van bomen die er niet meer
staan, ben ik de tel kwijt.

Kussens ligt in de nacht,
zoals de schapen doen,
zij slapen, zoals velen.

Wij komen van ver
om iets te vernemen,
we zijn nog op zicht.

Zwart en wit grind knarst
de aarde ligt te suffen,
om je te verbijten.



 



 

 

Twijfel doorprikken

Gevoel alsmaar te
zwerven, als ik de
duidelijkheid verkies,
over lege oceanen, waar
allang geen land meer
is en geen raadzaam
baken, langs de meeuwen
in de witte doktersjassen,
schreeuwen oordelen
uit de kelen, waarvoor
ik de neus gesloten hou,
die alleen maar twijfel
zaaien, wat achterblijft
op een afgewogen zeef,
zijn de nog door te prikken
blaren, om alle symbolieken
zelf te verklaren. Hoeveel
water er nog onder mijn
boeg zal stromen voordat ik
de zeilen reef, als ik aan de
de overzijde ben gekomen,
het lijkt me alleen nog
wat te vroeg.


 





Synthese, 
 
  
 
De wereld draait zich  
 
in genot, wat verdroogd is
 
wordt doorschijnend, obsceen
 
belicht in röntgen van de
 
opkomende zon, lichten
 
nerven op, de rijke
 
aderen van de synthese,
 
vertaald in de passie van
 
vuurvliegen, die na hun
 
daad  sterven, bekijken de
 
toekomst vanuit het Eoceen,
 
het venster van een barnsteen,
 
transparant verstild in het oer
 
van hun lijden, hars verkild de
 
beweging die niet te temmen is,
 
weerkaatst het vurig spel in de
 
spiegel van planeten en tilt dit
 
spel naar nieuwe tijden waar
 
de passie vrij bedreven wordt,
 
vergeten geluk, symboliek uit
 
een stuk, een vervlogen verlangen
 
als herkenbare metafoor, waarin
de liefde niet wordt belogen.



 



 

 

Kruiend ijs

Winden gieren zoals
ze altijd waaien, zaaien
spoken in mijn hoofd,
cirkelen weg door open
kieren, glippen weg met
de magere lijven om die naar
de kille boezem terug te drijven,
rook dat waart langs vagevuur
en blinde gaard, dooft de
gulle lach om de vastberaden
lippen, kan ik alleen verklaren,
dat ik in dit verduisterd uur niet
zal zwijgen, ongezien, ongehoord,
en niet beluisterd, aan mezelf
gekluisterd, de hete as wordt grijs en
het warme bloed stolt tot kruiend ijs.










Doornen

Kan nog steeds niet wennen,
tijd gaat te vluchtig, vermijd
dat ik blijf hangen, aan dit getij,
te luchtig, onvoltooid, dragen
kinderen hun zomerzon, getooid
met gekleurde linten, geschetst in
aquarellen van alle vragen, waarin ze
de lasten moeten dragen, al de kleine
mensen op de spitse tenen, stelen
dansend het ongemaaide gras,
verschenen libellen over een gazon,
gedragen op hun glazen vleugels,
vertragend in het struikgewas, de
kousen in eerbaarheid gescheurd,
benen geschramd door doornen
van het tegenlicht, was de aarde
goed gedorst, was dit niet gebeurd
en tranen niet vermorst, zo wil
ik deze wereld niet kennen
.




 

 
 
 
 
Verstopt
 
 
 
Een dag is weer gekomen, 
de blik en de zee zijn weid,  
ik klim naar huis om verder  
te dromen, neem afscheid 
van het korzelig zand, het  
duin beknopt en de bijeen – 
geschreven schapen worden  
rozig vanuit het oosten, een roze  
meeuw die mij overstijgt, zwijgt  
wat in het slapen wordt verzwegen, 
de morgen haalt z’n netten op
waarvan de mazen zijn verstopt.

 



 

 




Slijpers wiel
Slijp de nachten en
de pennen van ieder
uur, onthult de tijd op
slijpers steen, omvat
het drijvend vuur op
verguld papier, omkrult
de verzonnen dag en
lijkt het gesluierd
licht te zijn gedroogd,
waarin de inkt in as
gedoopt, als schrijvers
stem en avontuur worden
gedoogd in ongeduld,
en in de heldere bron
van de morgen nog
niet genezen was.








Ik probeer je te raken

Ik probeer je nog
één keer te raken,
als je achter mij
zal staan en in een
laatste vers jouw
licht te vervolmaken,
de essentie waarmee
het laatste gat wordt
gedicht in de voor ons
aangewezen tijd, kan
niet somber klinken of
ongrijpbaar vederlicht
om dan aan te vertrekken
en bij gelegenheid weer
a-priori af te leggen en elkaar
iets sterfelijks te ontzeggen,
zonder in de ziel te kijken,
is dat slechts een gebaar, dit
met de muzen te vergelijken,
vergeet dan mijn faam, voel
alleen de vergankelijkheid,
fluister het lied van herkenning,
wat zo intens werd bedoeld, de
ware tinteling van erkenning
krijgt dan een eigen naam.


 

 

 

Het hoogste goed,

Onszelf het kostbaarste,
uit de hoogste creativiteit
te geven, om de liefde te
winnen, en mij te tillen
uit de tijd, weggeschonken
aan een ander en moeite kost
om langs dezelfde omweg,
zich kroont in onderscheid,
niet het respect geslonken,
en een voorspelling ingelost
.






 

 

Parels voor de zwijnen

Waar heb ik het verloren, toen
ik omkeek en vele jaren ouder was,
vergeleek me toen ik werd geboren,
ben ik levend dood of begint het pas
een gedreven duel in een tweegevecht,
lijken beiden helften even echt,
waarvan de waarheid verder reikte
dan het toekomstig pad, zocht naar
de kwaal in het hof van Eden, maar
wist niet wat, waarschijnlijk lagen de
parels in het verleden, een omzichtig
verhaal langs doorluchtige zwijnen of
uit een vergeelde krant, geschreven
ooit met dezelfde verveelde hand.








 

 

In iemand anders

Zo-even ontwaakte ik zo zacht,
ik dacht dat ik kon zweven, waar
eindigt de dag en begint de nacht
tot hoever reikt mijn macht van leven?
Kan ik nog de sterren raken, het hart
te groot, zodat ik mijzelf er buiten sloot,
verloren in een wijde atmosfeer, aan de
overzijde lonkt de altijd groene weide,
beweeg ik het aangeboren lot heen en
weer, zwijgzaam roepend en bevreesd
dat iemand mij stem zou horen, als
ik in iemand anders zou zijn geboren.





Tijdsholte

De tijd liep te over, te
weinig of geen, de 
heelte werd een holte,
alles stond op of viel uiteen,
ik acht mij gewonnen, aan
de dag en nacht gesponnen,
minacht de middernacht,
de draad van eindigheid,
in zuiver bloed geronnen,
zonder een gemis, zal niets
ontstaan, alles heeft een
eigen weg te gaan, de macht
te wegen zonder gewicht,
weegt zich afzonderlijk in
het volle licht van leven
waarin het zichzelf verslijt.

 





HomeOver mijzelfFavorite LinksPrikbord aankondigenContact Nieuwe gedichten Gedichten Index A-Z Eerdere gedichten per CategorieART and IMAGES Gastenboek