
Affiche
Ik ben niet bang voor
wat gebeuren moet,
en denk je dat mijn
weerstand dat vermijdt?
Als ik anders denk,
ben ik het dan kwijt?
Ben ik echt wanneer
ik mezelf dat verwijt?
Een stenen muur is
dat een reden om
ommuurd te zijn,
de angst om bang
te zijn is dat genoeg
voor nieuwe moed?
Ik bekijk mijn muur
tot in z’n voeg, ik lees
z’n hoge kant, die na
inspectie mijn naamplaat
droeg en waag het me
daarop te pletter te laten
slaan om langs mijn lot en
verdere barrières te gaan,
waarmee wordt de affiche
van reële angsten recht gedaan...

Zelfde soort?
Niet te knuffelen en eenzame soort,
verdwaald tussen de aardse dieren,
z’n gram verhaald op hen, die hem
geen kwaad kunnen doen en hem
niet eens besnuffelen, in aard ver van
elkaar afgewend, om zich met de vinger
naar eenzelfde toegangspoort te richten.
Het wachten moe
Zin om over oceanen te rennen,
wanneer de paarden van de regen
zich mengen met al het getemde
water van de meren, dan pas zal ik
een ware vrijheid leren kennen.
Als - in spot - uit de witte hemel een
meeuw op mijn schouder wil landen
en bezit neemt van mijn wezen - als
rover - die z’n naam nog moet planten
op nog niet ontdekte stranden, dan zal
een verlegen wind mij zeggen ook wanneer
dat niet meer wordt verwacht, om uit
het niets, alles te kunnen halen, en zal
ervaren hoe onbewegelijk stil het wordt,
om als held van dit verhaal uit te varen,
om het kind tevreden te stellen, en in
een onuitgesproken taal z’n fantasieën
te vertellen, te beleven om zich in z’n
natuur uit te kunnen leven, om dan
de krappe mantel af te leggen.

Kiemgoed
De grootheid ligt in
woorden, helder
opgeschreven, als tekst
uitgesproken, wat zich eerder
liet zaaien in ongebroken
aarde, zich in gelijkenis te laten
oogsten, ergens tussen het kiemgoed
en opgebloeide eigenwaarde.

Slechts een andere naam
Is de concertzaal dicht
dan speel ik jouw sonaten
weet mij even toegelaten in
een afgewogen muzikaal evenwicht
waar de klanken zich gaan splitsen
in een nooit gespeelde noot
hoor ik jou weer aan, ontbloot
door verplichte akkoorden en
alle goed bedoelde woorden
voel ik mij weer verlaten.
Tot in de morgen verleiden
wij elkaar in schijn,pleisters
op de wonden gehecht door alle
pijn, in die scheiding voelen we
ons geborgen, in de smeltkroes van
een fris gecomponeerde oceaan
krijgt die schijn slechts
een andere naam.

Vluchtig?
Mezelf opgesloten,
waaraan ik niet ontsnap
los te laten van iets,
waarvan ik de strekking
nog niet snap, de bascule
in onbalans, dat kan geen
vrijheid zijn. Geluk, ach
geluk, met of zonder maat,
de schijn is zuur, en als ik
het begrijp, is het in een duur
moment voorbij, een vuur wat
alle tijd verslind, een eruptie,
mijn werkelijkheid in de diepe
palm van de vergankelijkheid.

Erupties
Keuzes zonder maat of duur
men verdrinkt erin, het zingt
je toe in elk vuur, het verslindt
zich in een explosie van de
tijdelijkheid, een eruptie zonder
krater, om daarin te zijn
verblind, de weg van eindigheid
smeekt weer om nieuwe ideeën,
waarin de vrijheid van de voor –
genomen handeling ontbreekt.

Tourniquet
De wereld werd mij
aangeboden als labyrint
met gelijke deuren, moeilijke
keuzes voor je begint, de extreme
linker - en rechterzijde, dien ik
het meest te vermijden, door andere
deuren kieren geuren, laat me
verleiden door haar kleuren, stevig
aangedraaid door een tourniquet,
traag draaiend, in z’n vaste sporen
ingebed, een wenteltrap die leidt ,
over uitverkoren treden naar een
niveau omlaag, in de draaikolk van
de tijd kom ik mijn slakkenhuis
weer tegen, overweeg zwaar mijn
rug, de last voert me waar ik
ben begonnen, naar een aardser
hemel of de doden galerij of zijn
die beide maar verzonnen, of is
er nog andere weg terug.?

Onderaards
Water vervalt tot schuim,
gestegen golven vallen
terug tot zee, horizon en
grijze wolven liften samen
met de meeuwen mee, een
vlucht zweeft daar boven,
beducht voor onderaards
gebroed en geronnen bloed,wat
als metafoor van ondergaande
zonnen kleeft aan de schone
vleugels, gewogen uit de zuchten
van de oceaan, zal die geen
veren uit hun lichaam slaan,om
samen een nieuwe zwaartekracht
te vinden, strooit de wind in
afnemend tij, zand en zout in
een afvalbak op de duinenrij,
daarnaast te moeten leven is
een doodssteek in ons zij.

Wit geteerd
Nog rijgen zich de dagen
aaneen tot een mistige wereld,
en geen duidelijke zon verscheen
in onze onverbiddelijke vragen
spreken we de verwachting uit om
de lente te vertragen, de winter
floot zich door het leven heen,
de hoop wordt in stilte gedragen
op de vleugels van voorjaarwinden
in het eeuwig spoor van versmaden en
onze teer beminden, de bekomst van
een gemist getij, en na elke verandering,
lijkt het seizoen voorbij, waarna bloesems
de stenen wit zullen teren, waaronder
onze angsten zullen vergaan, en we ons
naar de blauwe hemel zullen keren, om
wegen te volgen naar nieuwe graven, dat
maakt het wachten lang, op wat het lot
voor ons besloot, het onvermijdelijke, het
aanvaarden van doorslaande balansen,
tussen het ontstaan en de dood.

gek op zijn berg
Veranderingen en ervaringen
in een tijdbestek
waarin ik mezelf niet
zou durven te herkennen
verklaar ik mezelf
regelmatig voor gek.
Mijn wereldje als wondertol,
spint rond als caleidoscoop
verbeeld, als makke lammeren
en trekken in traag galop
aan mijn horizon voorbij.
Geklommen naar een bergtop
waarop ik boven het aards gareel
spiegelend mezelf aanschouwen
kan, krijgt niet ieder snel
z'n deel en lijkt menigeen z'n
eigen berg te moeten bouwen.
Gewassen in de zure regen van ervaring,
ruist de dag als waterval, weer overgaand
in nacht in de cyclus van seizoenen,
mijn gelouterde gedachten onvertaald
door het slijk van de tijd gehaald.
Het tij van de verwachting in wisselende
kleur van loze beloften, de juiste toetsing
niet kon doorstaan en moest steeds
herschreven worden in mijn beschreven
blad tot een verkreukelde onvoltooide brief.
Ofschoon steeds aan mijzelf gericht,
maar waarvan ik nog steeds niet veel
wijzer geworden ben geworden.
Dit herhaald proces waarin het besef
louter relatief wordt onderkent,
draaien mijn wieken onherkenbaar
rond als 'spinning tol' en moet ik
steeds weer aan dit ritme wennen
anders draait de boel vaak dol.
Herschimmen als molenstenen om
mijn nek daarmee is het nog een
lange weg om naar mijn eigen
uitzichtpunt te klimmen.
De maalsteen van de tijd niet te
houden blijkt en bergafwaarts
in een afgrond rolt, dien ik op eigen
inzicht te vertrouwen om de stenen
naar boven te moeten sjouwen,
in mijn kielzog tolt de wereld met mij
mee of was het andersom?

Onderstroom
De wisselende getijdestroom loopt
niet altijd parallel met het verlangen
men lijkt stil te staan en dat kost kracht
om tegen een sterke golfslag in te zwemmen.
Drijf met de eb mee naar open zee
waar de ervaring leert in het
besef dat hart en wijsheid zich
tezamen niet gelijk kunnen openbaren
in een gewijzigd tij van inzicht zal
een mededogen baren en wordt men
als volwassen drenkeling op een
verlaten strand te vondeling gelegd.
Daarin te berusten dan bieden versteende
golfen minder weerstand en voert
een warme onderstroom ons naar
nieuw vergaarde kusten.

Moedige klim
Je maakt mijn wereld open,
lang gezwegen over wat ik je
breng, vanuit dat land weer te
kiezen, vaak langs ongewone
wegen, maar op eigen kracht,
die steile bergwand te beklimmen,
en op z’n beboste flanken te nestellen
boven op een macht van de ervaring,
om na elke klim elkaar te vertellen, de
moed niet te verliezen, wat misschien
verleidt tot ommezien, naar wat achterbleef,
zonder de consequenties te overzien.

Retrospectief
Aan de elastieken draden van onvoltooide
processen, in processies meegetroond
op de bolderwagen van de tijd,
verwoord in gerecyclede patronen,
in neonkleuren en zuivere willekeur vergeten,
langs de lijnen van een dubbele moraal
waarin oude krassen te diep zijn ingesleten,
maakt rechtlijnigheid plaats voor vicieuze cirkels,
spreekt in kern nog steeds gelijke boekdelen ,
in daad als droes in oude wijn.
Verpakt in nieuwe zakken met speels gemak,
als noviteit wordt opgediend en naar gelang,
als verschraalde etensgeuren zijn weggemoffeld
onder het tapijt en het bloemetjes behang,
blijft de associatie van een retrospectief gevoel,
gebonden door ontnuchterende gedachten, dat
oude pantoffels nu toch echt versleten zijn,
ben als marionet gebonden aan schone schijn,
wat ik kan als kleine mens anders verwachten?

Holle spiegels
Men zaait en oogst de
psalmen als een waterval,
zalmen springen eendrachtig
naar een voltooid verleden,
de ruimte herbergt de eenoog ,
eenling in z'n soort, spiegelt
zich niet met achterdocht,
erodeert niet in getal,
houdt het oog gericht
op de ingelegde treden
waarin zool en ziel,
in oordeel wordt beleden ,
de ware uitkomst zich berg
afwaarts waagt terugkeert op
z’n sluipende schreden van verval,
vertekend beeld, gelaagd in holle spiegels
van het heelal, materie als steungewelf,
waarvan de reflectie wordt vermeden,
wanneer staren we naar onszelf?

Weerhaan wijsheid
Badend in z'n ego staat hij glanzend
op de nok van de wereld, van zichzelf
verguld, hoeft hij zich niet bewijzen
dansend op de wieken van de wind
hij zal nimmer aan het firmanent verrijzen
kraait in stilte z'n victorie over daken
aangelijnd in de windroos van z'n geduld.
Bij het krijsen van z'n scharnieren poten
ontsnapt geen klacht aan z'n kaken
fier onaangeslagen staat hij aan de top
de arrogantie straalt uit z'n virtuele
vrijheid en stijgt naar z'n blikken kop.
In z'n dromen van bevlogen en verre reizen
conformeert hij zich met de massa mee
gestuwd door voorspelbare winden waar
in hij zich nimmer zal kunnen bewijzen
gedwee verstard in eenzaamheid
om niet in z'n rol te stikken.
Als het proces in tijd zal keren en z'n
kam een tegendraadse richting kiest
zonder dat hij zich in z'n natuur verliest
dan onstaat een ware wijsheid
om zich in veranderende
omstandigheden te schikken.

Jaarringen
IK heb mijn basten afgepeld
het verwondde het vel over mijn benen
hoe kwetsbaar ongekorven hout
in mijn jaarringen verteld
door eigen bijl en schaaf geschonden
in onbewerkte en ruwe staat, wat
terugslaat naar eigen schenen
en verwijst naar oude wonden.
In de botte nerf krijg je het koud
geraspte krullen liggen om je heen
vermengen zich met druppels bloed
dit boomsap de pijn niet kan verlichten
zo rasp en schraap je iedere vezel, de
harztranen de barsten niet kunnen dichten
totdat er niets te pellen overblijft,
uit het hart van de geschonden kern
en ben je uit het juiste hout gesneden.

Kringen in plas
Ik zag een maan zich in
fletse waterkringen verdampen
in de fluwelen diepten van de nacht.
Verleden figuren met gesloten ogen
voorbij gegaan zonder een klacht
om hun zware last te dragen.
De wijze hoofden licht gebogen
hun dunne lippen stijf gesloten
zonder onvertogen woord
op de vrije dageraad te wachten
worden dromen in troost gesmoord
en komen nieuwe manen de kringen
weer verzachten.

Hinderlaag
In een hinderlaag,om ons heen
de angst,met mij in het midden,
labyrint met een denkbeeldige lijn,
doodstil en algemeen, moet een
andere weg te vinden zijn, verging
de wereld niet toen ik sliep, een
paradigma van de gebroken schijn,
die emotie even los te laten, tot
een aangeboren moed mij riep, de
essentie een nieuw tijd, de strijd
met existeren duurt het langst.
Tijdwijzers
De wijzers van de klok
krommen verder door
in zwart op wit in een
universeel decor
elke tik, een kleine stap
de maat van elke slag
de wereld verder draagt
op een onafzienbare trap
van uitgesleten treden
een dwingende weg plaveit
naar het tijdsbeeld van zichzelf
naar opnieuw een andere tijd.
Langs gelijke stations elk uur
jagen wijzers op elkaar
en zal de kleine het van de
grote winnen op de lange duur
is de hoogste stand bereikt
aan eigen 'slag' gebonden
en na elke 'misslag' moet
het uurwerk worden geijkt
en luidt de bel voor nieuwe ronden
en wordt de finish steeds verlegd
maar zijn deze wijzers aan
elkaar gehecht.
gisteren telt niet meer...
Gisteren is niet meer
dan iets dat ik
vandaag maak
omdat ik anders ben
dan ik toen was
gisteren was anders
dan het is, omdat ik
anders ben dan ik was.
Nú, is het enige wat telt, nu
maak ik verleden en toekomst
tegelijk, vandaag ligt het pad
nog open, naar morgen
kan ik lopen dwars
door het heden
om met respect een
andere tijd te betreden.
Vandaag verbaasd
in tijdloze zinnen,
is wat ik schrijf uit piëteit
hoe heb ik kunnen verzinnen
dat tijd gekluisterd
is alleen uit tijd, het
verleden gewraakt
wat ik vandaag
weer kan beminnen, het
heden goed beluisterd
wordt ik rijp gemaakt
voor morgen waar
ik weer opnieuw
kan beginnen.
Blind in de kast,
Heb niet geschreven wat ik weten moest,
wat ik niet las, heb ik op de deur gekrast
ingebeelde braille op de tast, de met
zorg gekozen tekst werd vergeten, voor
waar ik ging, kwam ik net vandaan
de tijd verteert het werkelijk zien
de lamp verarmt zich in het minder,
kaarsvet druipt van beide handen
geëtste beelden van een blinde, volstaan
meer wegen dan voorhanden, vindt de
hinder van obstakels in ongelijke
standen die ik niet wil wilde zien,
draag de gesloten ogen op mijn rug,
een stap vooruit, een stap terug, naar
de houten kast die ik net heb verlaten,
en misschien toch beter bij me past.

Vuurdans
Twee ongelijke stenen
in een vonk van vuur
ontstaat een weerstand
van warmte, op de blaren
waar je mijn huid
bespeelt, ontdooi ik op
de lange duur, brandt
een schroeivlek in, de
herinnering houdt stand
een vrijwillige tinteling
van onzichtbare tekens
van kwetsbaarheid ontbloot
bezien verwonderd in elkaar
voorbij het reinigend vuur
en een vage dood, dans
de tango van je leven
al was het maar voor even.

Er zijn nog geen woorden voor
Gepijnigd door stilte
en ongeduld, op jacht
naar klare zinnen,
de gedachten en het glas
rijkelijk gevuld, voelt hij
de leegte van binnen, elke
streek bevat een woord
zwijgend bouwt hij voort,
sleurt uit de droes
van de hem gegeven tijd
z'n dagelijks brood
in een plichtmatige roes
gaan beelden teloor
in het licht van ziel en
dag die op hem wacht.
Buigt meewarig over
teksten die hij bracht,
de strekking niet begrepen
verblindt, verplicht
in onvermogen en door het
eerste ochtendlicht
wordt de dagelijkse
aanloop afgewogen
naar een nieuwe nacht
en sluit z'n gedicht
waarvoor hij nog geen woorden
en streken heeft bedacht.

Grillige rozen
Schemering valt over witte rozen
de zon scheen wit, was gastvrij,
de muzen ontweken mij, in
tussenpozen naderenden ze mij,
met hun lange schaduw aan hun zij,
een tak, met in sneeuw gedoopte loten
viel als gepoederde basterdsuiker
uit de zwarte gaten van een ster,
de ruiker van de sneeuw wordt
vers gestrooid uit vele eeuwen ver,
ijskristallen die ik teken worden grillig,
ik beken met een deken de gebreken, die
dunne laag verstuift in nieuwe zonden,
uit pure nood, maar niet moedwillig.

Le cortège de la vie
Sterven is een toegeven
pijnlijk te zien wat ongesnoeid
bleef aan geplante bomen,
wat niet af was in dit leven.
Alleen het vruchtgebruik
werd in bruikleen gegeven,
aan het ware fruit
daar kwam ik niet aan.
Wat beloofd werd
in mijn jeugd
wilde niet rijpen
in mijn dromen.
Loslaten werd een
losser samengaan,
berusten werd een deugd
voor een bestendiger bestaan.
Al wat is verwoord
hervond z'n glans,
een literair slotakkoord
als laatste krans.

Angst voor wat?
Ik ben voor niets angstig geweest
niet voor donker of het schelle licht,
niet voor een optreden op een duister feest
niet voor oorverdovende stiltes, of het
verkeer, aanstormend in vage dromen
waarin ik bivakkeer, waarin het uitzicht
mij niet gunstig lijkt, ook daarin heb ik
een afgewogen verweer.
Maar als ik me in een gevoel verslik
en ontrafeld wordt door een
ontnuchterende rede zijn de angsten
uit ervaring, waar ik op wil bouwen
en daarop de stappen moet vertrouwen
gegrond in afkeer van een filerend ego
in reflectie vermomd als spiegelbeeld,
omhult verder niets en maakt dat ik stik.
Een angst de noodzaak onderschrijft
in het spoor van oorzaak en gevolg,
de processen beter te ontleden, wordt de
genomen afstand van de angst beloond
en ik evenwichtiger mijn schreden vervolg...

Fata Morgana
In het middelpunt van een woestijn
de felle zon, stenen en droog gewas
zie ik ineens mijn eigen dorre strand
de waas van hitte waait over land, waar
de schorpioen z'n staart doopt in venijn
niet wetend of dit als medicijn genas
z'n scharen omfloerst in zwart satijn.
IJl een dunne, versleten maan
vergeten in z'n ijver, half vergaan
en overdag is blijven staan, maar
meer is dan vage herineringen
zie ik het koele water blinken
een oase begeerlijker dan menige dingen
trachten mijn ogen dit te drinken
alleen als koeling voor mijn geest
is het twijfelachtig of dit geneest.

Poëzie
Waar alles mee begint
is meer dan een zin of taal
meer dan men doorgaans noemt
dan een idee uitdrukt wat verder
reikt dan de blauwdruk van ons leven
want wat zich uit een gedachte
voltrekt in een woord of regel
kruipt door het oog van ons bestaan
en heeft het oneindige geduld
om op te staan ten alle tijde
overleeft zichzelf als het dat wil
en is meer dan de vrije rede
dat is de werkelijke poëzie
die ons verleid en ontdoet
van de leiband van de illusie
vastgeroest in een vluchtige tijd.

Vrij ?
Ik zocht geluk,
als ik het vond,
als wat anders
vermomd, viel het
van z’n voetstuk.
ondervond ik
pijn bij mezelf
of medemensen,
lering te trekken,
terug te keren
bij het ‘zelf ’,
overschreed ik
beider grenzen,
de twee kanten
van het leven,
aan het einde
bestaat er niets,
is het om het even
wat kan ik verliezen,
in de nivellering
van het duister
en het morgenlicht,
ontstaat evenwicht,
vanuit die utopie valt
niets meer te kiezen,
gevat in een illusie.

Vrij ervaren
Een koude wind schrijnt
en knijpt in het gezicht van
mensen, perst het ginter
en de toekomst uit, waarin de
aarde wordt verkleind, verarmd en zet
de wereld in de vitrine van de winter.
Verweerde oude stammen van vergeten
herinneringen, gesluierd door
andere culturen, die het getij
moeten keren, dan zonder enig erbarmen.
Een klamme regen blaast hoog
van minaret en menig christelijke toren
bijt zich vast in tradionele diepe voren
van illusies, die al verbleken in hun
trage loop, waarin ze al zijn verloren.
De hoop begrenst door onmacht
lijdt schipbreuk op weerbarstige klippen
van wederzijds ervaren
die we niet kunnen ontwijken, dan
neigt het water ons naar de lippen.
Er is geen ontkomen aan,
aan de getijdenstroom van de
gedachten, in oervorm ontstaan
en dwingt het leven, in elk
moment, weer op te staan met een
wrange glimlach vaag verborgen
trekken we de rimpels glad,
in het zicht en verwoord
in de dag van morgen
om ze in verzen te bewenen
waarin een vrijelijk ervaren
nooit kan worden vermoord.

Spiering in de oceaan
Wat beweegt een dolfijn
om net die éne spiering
uit de school te kiezen,
welke criteria in z'n
eenvoudig brein zegt hem
dat het juist die vis moet
zijn om zich instinctief niet
in de luxe van de veelvoud
te verliezen.
Anders dan de
welvarende mens, die
in de complexiteit
van mogelijkheden
verdrinkt en als individu
in het collectief verzinkt
daar in vrije keuze moet
bepalen om de juiste optie
van de plank te halen.
Voorbij een grens van
progressiviteit, een
dramatische stap naar
dogmatisch conservatisme,
ver van de beoogde creativiteit
en van een reflectief denken,
z'n bewustzijn verloopt
dan instinctief, waarbij hij
z'n verantwoordelijkheid
ontloopt.
Dan lijkt z'n autonome
tijd voorbij,verliest
zich in repressiviteit en in
de diepe oceaan van z'n cultuur
en z'n levenswijze en is allang
niet meer zo vrij, een vlucht
in wantrouwen en van moment-
gebondenheid, waarin een dolfijn
wél kan overleven, maar waarin
een mens nog ver is van
z'n gekoesterde natuur.
Transparant?
Wat ik je te zeggen heb
verneem je pas als het op
papier staat uitgedrukt
in een idee of daad, niet altijd
tot wederzijds genoegen, om
op te gaan in eindeloze zinnen die
worden dan ellen - en eeuwenlang.
De transparante inkt uiteengespat
de druppels gevangen in een autonoom
web en tot vrijstaat gesponnen
een baken in een opgedroogde bron
maar toch sterker dan beton.
Ideeën, als makke schapen afgedwaald
van kuddes, in een eindig verlangen
geschapen te worden in het oneindig
prisma van een transparante druppel.

Stenen kabouter
Wanneer de zandman nog eens komt
en het werelds daglicht even verstomd
tussen waken en het ongebreideld dromen,
fictie in een bizar verhaal, vermomd
tussen tovernaar en bedelaar, toch
beschreven in gewone mensentaal, een
gedreven prins te paard, die menig
onstuimig hart deed verleiden, om toch
in het ontwaken uit te glijden over
ongedroomde dromen, ver van huis en haard
een stilte die laat zwijgen, als twee
witte zwanen die geruisloos hun wegen banen
en zich op diep water veilig wanen.
Zo drijft mijn droombeeld voort en gedane
beloften in donzen kussen smoort
door zweet en smart doordrenkt in tranen
in eerbied voor de ongewone dingen in
omzoomd en autonoom domein, daarin
geneigd om luidkeels mee te zingen
met de stenen kabouter die hengelend
naar aandacht in het ritselend riet en met
hen mee te gieren in hun theatraal gebied
een wisselend refrein in mijn gemoed
in het schemer tussen bedroefd en goed.

Onwillige wilg
Wat heb ik verloren dacht hij
toe hij door de jaren sneed en
door het scherpe mes van vlijt en tijd.
Naakt geschoren en tot het bot ontleed
vele manen ouder dan die hij was
gesnoeid staat hij nu te treuren
vermolmd in kern van de buitenkant ontdaan
van uitgeschoten twijgen, die in halsstarrigheid
te ver zijn doorgeschoten, wat uiteindelijk z'n
knoestige harnas deed scheuren, maar de wil
om te overleven nog niet is vergaan.
Die stille oude wilg, gebogen over de waterkant
de bladeren volgeschreven, verkleurd
en geknot door eigen hand, het houten hart
gevlochten op nieuwe loten, geënt op
nieuw inzicht geeft hij onderdak
aan toekomstige levens, die hij
daarvoor nog niet had verkend.

Zand erover
In een leven, de wind en zon daarover
voorbij de taal, die mij de ogen sluit
uit mijn verbaasde mond ontbreekt geluid
hoor ik het muiten van de golven
tussen morgenstond en avondval
ver voorbij mijn taal die een andere toonsoort fluit
onderwerpt zich aan een tijdloos verval
lijken woorden anders, in een vals licht
bestoven, waarin ik niet wil geloven
stuiven mij de oren dicht,graaf een
diepe kuil, door het zand en tij bedolven
is de ontembare vloed niet te temmen en zijn
tijd en voortgang niet te remmen, spreek ik
mij dan uit, hoor ik toch weer nieuwe
stemmen, die ik uiteindelijk niet kan missen
als de zee niet kan zonder vissen.

Kosmische wind
Hemellichamen als methane ogen
in en door de melkweg verhuld
vertekend gezicht op aarde,
in bast en borst geschonken
gericht op ingewreven zonden
gewichten zonder waarde,tussen
innig zwart en het weelderig blonde.
De maan die zich afzijdig houdt en noopt
tot wanhoop, blijven aan elkaar verbonden
wat in aangezicht tot pokdaligheid drijft
niets te verwonden, alles is verzonden
met vergulde letters de toekomst herschrijft
in een zuivere maagd die de liefde
voor de eerste keer bedrijft,door
kreeft en stier wordt haar
eerbaarheid niet geschonden.
Zich het licht in schone korst laat kerven,
van hand tot hand door de ruimte te zwerven
in een verwachtingloos niets wat achterblijft en
afstand heeft genomen van werelds blaam
verkiest ieder kwartier een andere ethische baan
en leeft voort in het speeksel der planeten
zonder te bederven, wacht een onomkeerbaar lot
gewone stervelingen, om in de schoot
van de grote beer wat uit te rusten
verijst de schoonheid van ontastbare nevelringen
een sprinkplank naar ontembare reine kusten,
worden bakens door de eeuwen gepolijst en
is alleen de mensheid die vergrijsd.

Schijn bedriegt niet altijd
Tegendraadse naald
vermaant het kompas
de windroos op te prikken
om de bittere gal
eenduidig te slikken
compositie van vals geluid
en tot matiging dwingt
op zichzelf een radicaal besluit.
De Mexicaanse hond
z'n potporie bezingt,
verwondt niet alleen
de oren,pijn onderstreept
de schijn, lijkt een
gedrogeerde waarheid om
in bedrog van te genieten,
heerlijk maakt niet
immer eerlijk,
gewoon valt niet
altijd uit de toon,
is slechts een idee-fixe
van verbeelding
van vlijt en tijd.

Handdoek in de ring ?
Hebben we de moed en machten
vanuit een naïeve vanzelfsprekendheid
in realiteit het verleden te ontkrachten?
Boetseren we de vette klei waarin verborgen
valse tonen van de aardse dramatiek
het heden wordt verdraaid tot wulpse normen?
Onthult de schaamte in het licht van overmorgen
te lopen in een rechtvaardig zwaard, wat aftekent
in de gloed van de naderende dageraad?
Kleurt zich op de grens van baardtooi
het schaamrood op gelaat en kaken, voor
diegenen die krampachtig hun bezit bewaken?
Stranden hulplozen in hun barensnood, hun
tranen vrijelijk te laten lopen in dorre
woestijnen van een overschillig genot om zich
in die stroom te scharen in de oasis van hun dromen?
Te ontsnappen aan een karig lot, een afspiegeling
van de vele valkuilen tussen altaar en schavot.
"Mens en mind" wordt niet gespaard, in een burgelijke visie
dat kat en kot door de buurtpreventie veilig wordt bewaakt
en verder snijdt tot het bot en het geweten wordt geraakt?

Carousel
Gedwaald in het carousel
van gedachten en oerbos
van aangeleerd gedrag, tot
labyrint getransformeerd
wordt voedsel niet verteerd,
herhaald in zinnen waarin
ik oeverloos verdwaal en
de 'dichters herder 'hoedt
z'n makke schapen, om zich
braaf te laten kooien,
vergaan tot molm door
houtwormen van vlijt
en al hetzelfde blijft,
veranderd alleen de vorm,
in de mij toegemeten tijd.
Ik kijk naar binnen
daar voelt het koud, een
bekend gezicht tekent
zich af in het kreupelhout
en schrik ik wakker en dacht
het wordt geen dag meer,
voortaan blijft het nacht,
het licht is me vergeten, nee
de luiken zijn nog dicht.

Bestendig?
Verder gaan is een beleven
wat niet klaar is af te geven,
pijnlijk te zien wat ongesnoeid
bleef aan bomen, vergat de
wrange vruchten te plukken
die niet rijpten in de dromen
gedwongen afstand van het hopen.
De beloofde jeugd en kind
dat alles anders zou gaan lopen
erin te berusten als een deugd,
het moede hoofd te laten rusten,
waar het heengaan begint
voor een bestendiger bestaan
verhul me in een waardig kleed
zonder enig wraak of
wrok dat eigenwaarde heet.

Tot een schim versleten
Het verhaal is tot
de draad versleten,
ik stop mijn ogen
dicht en schrei, diep
in dromen gezeten
zonder eb of vloed,
in dood tij en
broos duet in
afzondering gezongen
ultiem lied, baden
in weelderig blond
tot menige daden
te zijn gedwongen,
moeilijk te ervaren
wat me werkelijk
heeft verwond.
Tot welk ras ik behoor
of uit welk ruif
ik word gevoed,
weet ik nog immer
niet wat jou het
meest bekoord,
als vogel etend
uit het lot of hand
in eigen nest
op wankele rand
houdt mijn schim
het langste stand.

Zilt zout
Het zijn mensenmonden die het zout
in blauwe oceanen proeven, zilte
golven uit een archetypisch verleden
waarin we ons veilig wanen, worden
blik en ethische doel steeds vager,
herkauwt het heden zich roestig tot brij,
scharniert de tijd alsmaar trager,in de
vastgelopen mechaniek met gelijke averij,
een noodzaak om te blijven boren, verder
dan de fossiele eigenwaarde, tot
op het magma van het beoogde doel
houden we een proces in stand,wat
verder reikt dan een kritisch gevoel
het overvolle glas gevuld tot aan de rand,
wat in wezen het diepste kwelt en
overvloeit en verdampt in tranen,
in alles overdrijft en ons vergezeld
wordt ziel door wind en zand geslepen
tot gemodelleerde zoutpilaren,
in nieuwe sprookjes herverteld.

Wie is hanig ?
Een schorre haan
ritst de morgen open
hij, uit eigen faam, en
ik uit naderend noodweer,
mijn eerste adem zing, niet
voor beide tot verademing,
zich in badinerend licht
laat tonen, balancerend
op z'n trotse hanenpoten,
schiet hij verbale gaten
in het heelal en mijn
ochtendkrant, een en
ander opgesloten ligt
in z'n begrijpelijke taal
ben bang dat ik
morgen weer zwicht
z'n verhaal evenwel
weer slikken zal en dat
bezorgt me kippenvel

Waan of walhalla ?
Een maalstroom voert me mee
onderhuids, als sterveling
in wispelturige buien van de zee
in vrije keus bestaat geen drenkeling
op een ver vulkanisch strand
aangezogen door billek land,
het zwart herontdekt de kans
voor lijfsbehoud, omarmt
een droom in stil gebaar.
Voortdurend in beweging,
gekleurd in strakke integriteit,
fixeren vogels hun drift in dans,
eigenheid exelleert in gaven
en geduld de magen vult om
bescheidenheid te delen
met jezelf en zo velen komende
uit immanente zeeën, om een
niet te stuiten dorst te laven,
laverend langs de steile kant
van permanente duurzaamheid,
kan ik mijn ideeën kwijt in
een herkenbare diversiteit.

Commedia del mondo
Omdat we blijven lachen,
gelaten huilen we tuiten,
vallen er gaten in harten en
gezichten, verscholen
achter maskers in een
strak mimme, biggelen
tranen over de wangen
van de tijd,gesoufleerd
in een dramatisch slot,
uitgebeeld in een
onvoorspelbare acte
van een geënsceneerde
remedie, is de juiste plot
in deze wereldse komedie
nog niet geregiseerd en
valt het gordijn,in een
fictieve scheidingslijn
tussen acteurs en
hun geëerd publiek,
rijst de vraag; wat is
echt en wat is schijn ?

Schaduwrijk ?
Met een schaduw voor mijn voeten
omdat de zon achter mij staat,
niet weet waarvoor ik zal boeten,
beweeg mij schoorvoetend op straat
met die lange schaduw voor mijn voeten,
ik hoop dat de zon nog achter mij staat.
Had ik de zon in mijn gezicht,hield
ik gelijke ogen dicht, voor beide
een overdaad aan licht, sloot
zich bij het duister aan,in het
zog van het altijd ongelijke,
wat voor de voeten loopt,zal het zicht
aan kracht inboeten, moet ik de hoek
omslaan, om mijn schaduwzijde
voor te laten gaan of verblijf
ik in het schaduwrijke?

Kwetsbaar
Zijn het mijn walkuren
of jouw schimmen die
mij de rust niet gunnen
om de kwetsuren van de
nacht te weerstreven?
Verzuurde woorden in
duistere graven waaruit
de ochtenden zich laven.
Een gloren, waarin het
eerste licht als traan
geboren wordt, handen
verleggen de zon over
mijn oud gezicht, gesteven
gordijnen verhangen zich
aan ringen,gewogen,
maar zonder gewicht,de
maat van kwetsbare dingen.

Enkele reis
Tussen gevallen blad
van kiezelsteen tot berg,
de kilte treft me in het merg
in de stilte van de wind,
een sterven drijft mij voort,
de as verwaaid, me altijd vindt,
slechts in één richting spoort,
een laatste reis,de laatste stap
die ik alleen moet maken,voorbij
de kale bomen met de witte raven,
die de toekomst bewaken, wachters
van een nieuwe aarde, waarin de oude
wordt begraven en een geheim
bewaarde, niet toegankelijk voor mij.

Zeg nooit, ....
Een woord dat
niet meer kan,
te vaak gebruikt,
het is vergrijsd,
een oude man,
al haast verijsd,
vroeger had het
praats, adem en
energie genoeg,
ging het vaak
buitengaats,
ruimte scheppend
voor de scherpe boeg,
aangesneden in
het kolkend schuim,
gebogen in het
ongerijmde licht,
heden in een
tijdelijk ruim,
sloeg het boek
weer dicht, uit
mans duim
en vergezicht.

Omzetten
Kon ik de toekomst
omzetten om naar
huis terug te gaan met
z'n nuchtere wetten,
ironie in de ogen
van de torenhaan,en
in de nacht die
mij ontbood,
gevangen in de holte
van haar schoot, waar
ik mezelf in veracht,
huiver voor de duisternis
en om wat ik verwacht
en voor de loerende dood.

Ongeschonden, geschonden
Hoe vaak zal ik sterven
aan een dodelijke blik
als ik de bodem raak
van een glas wijn en
de smaak veranderd
in troebele azijn?
Hoe sterk zal ik zijn om
te geven, in de doolhoven
van elliptische wanen
die op elkaar lijken,
metaforen van
bergenhoge kloven,
niet overbrugbaar blijken?
Hoe lang ben ik bestand
om eigen zure druiven
te slikken,waarvan ik niet
besef of ze rijpen,alvorens
me in de bloeiwijze te
zullen schikken, zonder
de essentie te begrijpen?
Hoe veraf is een antwoord
of oneindig dichtbij op
die kerende vragen?
Eén antwoord is genoeg,
om scheep te gaan in
een wankel bootje,
om me naar de groene
overkant te wagen.

Kaarsen branden
De kaars brandt aan beide kanten
in de holte van de nacht, beider
natuur zijn mijn verwanten, in
tegengesteld vuur, een vonk
die smacht, je lichaam geeft
een herkenbaar woord, het liegt
niet, wordt de waarheid niet
verstoord,tussen eind en het
begin van de uitgesproken zin,
of een stop er tussenin, de lust
der liefde is niet alleen ontleend
aan gedichten, weet ik dat in het
zicht van morgen, ik zal zwichten.

Metgezellen
Zijn het mijn gezellen
of hun eerloosheid die
over mij heen buigen,
om zich te laven aan hun
oorlam, wat stram verdampt
in houten glazen, om in
het want de kwetsuren van
hun daden op te tuigen?
Langzaam welt dat woord in
duigen, waarna een scheepsbel
klinkt in dag en duister, om
de tijd af te tellen is om
het schip te verlaten, wat
in aangezicht zinkt in
in de kolk van een doel
op een gehoorde klip,
de sirenes hun gezangen
laten klinken en de was
te laten stollen in de oren,
de weerstand zal ondermijnen
in een rusteloos verlangen
hebben matrozen het licht
laten schijnen op vanuit
hun ijzeren blik, waarvoor
we moeten blozen.

Tredmolen
In zwarte aarde verzonken
in wind en weer vergaan, in
de herfst met goudgelen stronken
als tafels gedekt, stroomt de
nectar van de afnemende maan.
Te slapen met de beuk
geworteld in de aarde,
verstrengeld met de muze
van een ongeboren lied,
verliezen beelden hun
zin en waarde, gedragen
door vleugels van verdriet,
voor vrinden die bloeiden
in de boezem van de linden.
Het lichaam vergrijst
in de kern van de beuk
verwordt tot bladeren,
roodgeel of verdord,
verdunt de kruin,een
naderend afscheid voor
een definitieve breuk.
In het snijpunt waar
mensen van zichzelf
vervreemden, kreunt de beuk
in ziel van het geaarde kind
ademt het lichaam de
spreuk der ontheemden,
onafhankelijk bemind.
In het vale licht van
een weerbarstig leven,
kind van zon en aardse boom,met
de vingers naar de hemel geheven
tot stuifmeel vermalen, de
tredmolen van een herhaalde droom.

Vrij ?
Ik zocht geluk,
als ik het vond,
als wat anders
vermomd, viel het
van z’n voetstuk,
ondervond ik
pijn bij mezelf
of medemensen,
lering te trekken,
terug te keren
bij het ‘zelf ’,
overschreed ik
beider grenzen,
de twee kanten
van het leven,
aan het einde
bestaat er niets,
is het om het even
wat kan ik verliezen,
in de nivellering
van het duister
en het morgenlicht,
ontstaat evenwicht,
vanuit die illusie valt
niets meer te kiezen,
gevat in een utopie.

Schuim
Ik onthaast mij
huiswaarts,
onomkeerbaar
over te lange
dijken, vind
geen troost op
de brede torso
van de morgen,
houden blokken
stand,spattend
schuim tatoeëert
het ruige corso
van de zee,
vermaalt mijn
zicht tot broze
vlokken, blaast
de natte
westenwind,
mij de zatte
lokken droog,
te veel geluid
om mij heen,
in deze huid
ben ik beter
maar alleen.

IJsbloemen
Ik zal sterven
zonder het te weten
anders had ik
de tijd wel teruggezet,
en de ijsbloemen voor
het blinde raam gezet
om de teruggang
te kunnen meten,
zou ik het eindig doel
maar vergeten, wordt
op de laatste adem –
tocht de toon gezet
om de ijsbloemen
te schikken in een
veranderend boeket, vol
ongeduld te wachten,
rolt zich het verleden uit
de herkomst van het heden,
gaan er stemmen verloren
van mensen van wat ze
riepen, maar dan zonder geluid,
in mijn stem, te weinig
beweging op de aangevroren ruit,
wist een nieuwe lente de aangevroren
bloemen van de winter niet uit.

Geschonden
Misschien wordt het nacht
of misschien ook niet,
geen sprankje licht dat zich
verried, getreden uit de oceaan
omgeven in zeeën van zuchten,
een fluisterende watervallen
vol geruchten, gericht te luisteren
naar alles wat zingt en huilt,
lacht door duisternis in tranen,
door verlichting niet gesteund.
Gevoed in zwarte grond,
de aarde door rivieren als
aderen pompt de deernis
in heimwee steeds toch door
te gaan, nóg met ons begaan,
nog te willen ademen diep in
kern en korst geschonden
door het heelal gebonden,
zal in zijner mededogen, ons lot
gewogen, in toorn ontstoken
te spreken als goede vriend
die een beter lot verdiend.
Chorus Naturales
Alleen geestelijk is
weinig te beleven
wat bij geen
wezen lukt,
blijft maar even,
onbeschrijfelijk
rukt de smart
aan ons vel,
de essentie van
verliefdheid,
aangeboren,
tussen aarde
en de hel,
paradigma
van een streven,
wat ziel en lijf
niet scheidt, meer
kon Descartes
ons niet geven.

Weerstand
Mijn doden zijn niet dood,
de levenden niet levend
de tijd van het verleden,
verkeert te lang in niet
geschreven tekens, wat
uit angst wordt vermeden,
verleert de man, wat door
het kind is aangereikt,het
leed lijkt een eentonig spel,
de afgrond is een ondiepe kwel,
waarin een vis, die zich spiegelt
aan in z’n eigen stilstand.
De hemel telt z’n spiegels,
waarop het licht zich deelde, en
sterren baden zich in weelde,
te zien door de stelling van Fermat,
en de directheid van het kind,
die in dit voorbeeld speelde,
verspreidt mijn ideaal en gedachten,
ik leef met het heden op gespannen voet,
de honger naar de rede, houdt mij nog zoet
er is te veel wat ik niet vergeten kan,
een weerstand tot de inleiding tot het
beter weten, ongedurig daarop te
wachten, ondertussen weet ik niets...

Spraakwater
Mijn taal als middel is beperkt
om mijn verhaal te kunnen
spreken, zijn mijn woorden wat leeg
missen het juiste gevoel, wat ik vermag
is in mijn geest geschreven, een brug te
ver, voor wat ik werkelijk bedoel.
Op louter goed gestelde vragen
kan ik niet het juiste antwoord geven
woorden worden dan holle vaten,
de resonantie mij de les weer leest.
De bedoeling tot juist handelen
het vermogen door intuïtie weerlegt,
wordt dit relatief onvermogen,
de taal als middel geknecht,
de ballans te mager afgewogen.
kan ik maar beter zwijgen
dié stilte die is waarlijk echt
in een permanente oefening,
worden barrières geslecht, om het
spraakvermogen terug te krijgen.

Blind in de kast,
Heb niet geschreven wat ik weten moest,
wat ik niet las, heb ik op de deur gekrast
ingebeelde braille op de tast, de met
zorg gekozen tekst werd vergeten, voor
waar ik ging, kwam ik net vandaan
de tijd verteert het werkelijk zien
de lamp verarmt zich in het minder,
kaarsvet druipt van beide handen
geëtste beelden van een blinde, volstaan
meer wegen dan voorhanden, vindt de
hinder van obstakels in ongelijke
standen die ik niet wil wilde zien,
draag de gesloten ogen op mijn rug,
een stap vooruit, een stap terug, naar
de houten kast die ik net heb verlaten,
en misschien toch beter bij me past.

Barrevoets
Het woud van associaties, wordt
getransformeerd tot toverbos
onder het dak waarin bladeren
zich herkenen, pompt vuur door
nerven, niets geleerd en niets verteerd,
te denken dat ik straks niet ben,
blijft zo vaag, licht gevoel in de maag,
een kwaal van dogma’s die ik ken,
iedereen kent het, niemand kan het zeggen,
om te zwerven onder de altijd groene
zoden van het mos, daarboven
teveel verboden, daar beneden
volstaat het niets, na afloop een
fraai verhaal, waarin ik verdwaal,
blijf ik barrevoets als ik onverhoeds
op de weegschaal word getoetst,
maar over de doden niets dan goeds.

Ex libris,
Op de eerste stap in een ander jaar,
nu moederziel alleen, zonder haar
rijplicht omvat de keel van mij en
het bevroren land, het is niet waar
dat de steel van de blanke lelie is
gebroken, vertrokken alle keren
op een houten slee, die plaats
biedt voor twee, ik dien dat te
accepteren, voor al die anderen
die het tegendeel beweren., ik
beween haar in gepolijste steen,
ik kerf in hout haar klare faam,
verwerf haar taal op eigen naam,
fluister haar geduldig toe, pedante
onzin ter eigen gewin, in besef
dat de moed mij mijdt in een nieuwe tijd, en
ga ik door, ondanks het ontbreken van lef.

Prismatig
Ik herken de blauwe zaden
van een pril begin, te proeven
van vergeelde zeden in huid
en haar, daar nog wat tussenin,
woekering van onbekende goden
uit een terracotta oerinstinct,
zich voorspelbaar laat verraden
getooid in de lange lijn der doden
met kroontjespen en zwarte inkt, het
avondrood zich in de horizon verminkt
waarachter de as wordt verstrooit, een
echoput, waarin het kalf zichzelf verdrinkt,
herhaald verraad van eigen daad.

Ziende blind
Duisternis verschijnt hier op mijn aarde
door de kieren sluipen streepjes avondstond
woorden die zich in de minne schaarde
ging in vlucht van mond tot mond,
glijden voorbij als witte zwanen,
ademloos verbeeldt in menige ziel, dor en
doof, verstijven we in onze wanen,
de onleesbaarheid van ons profiel, zijn de
blinden zieners of ben ik een blinde dichter
of weeg ik zwaarder, maakt de last niet lichter,
voor mijn passie voor de dubbelfluit, ik bespeel
de onrust die de geest verdooft, in wezen
voor het gebrekkig uitzicht in mijn hoofd,
zonder de gepelde noten te kunnen lezen.

Oeverloos
Met gesloten ogen
keer ik terug
naar een diepe slaap
maar de weg is treurig
en vuil, een halte
tussen de dag en
de nachtmerrie,
gedichten lezen zou mijn
oeverloze gedachten
tegenhouden, die
labyrinten overstijgen
en naast mij een kussen
een leeg omhulsel,
waarvan de veren in
onschuld lichter
worden, om deze te
vangen kost geduld, om
de nacht gevuld te krijgen.

Zaden van de berk.
Een woud van zwijgen, rijgen
zich in twijfel tot een toverbos, onder
een kalend dak, waarin de bladeren
zich herkenen, iets geleerd en zeker
niets verteerd, pompt vuur door aderen,
te denken dat ik straks niet meer ben, dat
blijft vaag, licht gevoel in de maag,
de kwaal van een dogma die ik langer ken,
iedereen kent het, niemand kan het zeggen
wat zich afspeelt onder dat mos, beloven
kan ik iets, daar beneden is waarschijnlijk niets,
slechts voer voor een verhaal, waarin ik
verdwaal, na afloop te trots om te huilen,
onmogelijk de tijd te ruilen, mijn plek
verkleind tot omzoomd zerk, waarin
ik me kan verschuilen, daarboven jagen
associaties op de zaden van de zilverberk,
die ieder jaar weer vrucht zal dragen.

L'adieu,
Hoe verder ik dit pad zal gaan,
hoe meer ik eelt verzamel
op het bot. Een gewaagde
reis, waarbij de huid, mond en
de schouder lijken niet van
deze tijd en lichtjaren ouder,
het frame gelaagd tot rond skelet,
de ziel in tijd gewet,zal buiten
het willen tot voortbestaan,
in hardheid ingeboet, als ik
door die zandstorm raas, wast
mildheid, het been tot op het merg,
als ik de vertraagde aftocht afblaas,
in de laatste woestijn, dekt een
schroeiende wind mij toe, mijn
spoor (nog) niet aangepast, voor
dieper graven ben ik te moe,waar
het ook zal zijn, ieder graf
verdient z'n eigen plaats, een
prima plek voor mijn relaas.

Roem?
Het gevoel is met de pen te beschrijven, een
vage schaduw, levensgroot naast pragmatiek
en rede en op eenzame hoogte lijkt te staan,
de spreuken bij de snoeverijen in te lijven,
kritiek betaald met gelijke munt en op de blote
borst te slaan, met een sloep vol passies, op
een dichterlijke meer, in tegenstroom te bevaren,
geroeid met riemen gedoopt in de droge inkt
uit zwarte poelen, waaruit de roem verdrinkt,
slaat de bodem uit de creativiteit , verdund en
naar verwachting verder slinkt, de hunkering
die zich uit laat schrijven, met veel misbaar
weer een blanco pagina om te slaan, op een
reeds beschreven blad met tekst, wat zich
langzaam uit laat drijven, ondertiteld in het
journaal, het dagboek van de verloren taal.

Vlinders vinden hun muze..
Een vlinder vindt met
geloof en intuïtie de juiste
voorgeschreven kleur, ter
verlichting van de muze, een
troost, wat draden meel
op stampers samensmelt,
waaruit z’n voorkeur zich
in het juiste ritme laat raden,
vermeldt samen met z’n kroost
de zaden van z’n daden.
Zich voedt met het ambrozijn,
zonder ooit te zijn vergeten,
waarvoor nazaten zich
hadden ingesponnen, in het
zoet van nectar, waarmee
hij zich zal hoeden, als rups
uit een cocon geboren op
het groene blad, laat zich
het loof goed smaken,
Toch wordt vlinders nooit
verweten, hun weldoeners te
hebben gegeten, een bron
van leven dat schittert, geeft
voedsel voor nieuw gedicht,
waarvan het sap niet verbittert.

De gal verdeelt..
Ik dacht, heb ik daar
jaren voor geleerd,
verweerde waarheid,
waardoor de dichter
zich bekeert, het proefde
bitter in de keel, doorstak
de zinnen op de tast, te
lang gevast, versproken tijd,
de gal verdeelt, het baatte iets
de twijfel voorbij, niets zonder
immateriële averij, een
zwijgend boek, waarvan
het begin en einde te
voorbarig is gesloten,
gisteren ontkende ik die
woorden nog, vandaag
ontbloot ik de drijvende
tekst van morgen op een
zorgelijke mannier en heb
ik verleert die te lezen in
de spiegel van papier, het
zicht op een gedateerde krant,
zonder wat te moeten prijsgeven,
uit eigen hand geschreven, verplicht
te kijken met de ogen dicht.

Luchtkussens
Ik ben bereid te duiken
in de fuiken van de dromen,
alleen ik aarzel voor de steile rand,
bang dat je me achterna zal komen , en
te springen in het zelfde diepe ledikant,
vrees niet, we springen op gelijke wijze
met dichte ogen, met vaste hand, gericht
op angsten die verwijzen naar de
verdwenen vrienden uit de jeugd, waarmee
we zwierven door de bossen en de dalen,
over wegen ons toen toevertrouwd,
en als je mij in de vrieskou komt halen
waag ik alle stappen met of zonder jou,
niet graag zou ik de droom verstoren,
in alle luchtkastelen, de ondeugd van
van berooide ridders, die allen stierven op de
kantelen in het eerste gloren, het gesloten
vizier open gooien, om samen wereldwijd,
de grenzen op te delen, de illusies voorzichtig
laten betijen, waarmee de paden met
luchtkussens worden geplaveid.

Vergruist,
Als men dalend,
plots het vergezicht
verliest en tegelijk
geen merel meer
hoort zingen en de
wind de valse
tonen kiest, waag
ik toch de stap, ook
vandaag blijft de
regenboog buiten
mijn bereik, op het
pad dat naar de hemel
liep, langs een haag van
molens in het vochtige gras.
Mijn afstand ontrokken
aan het oog, wijst
het niet waar ik was,
maar loopt steil omlaag
door het kristallen gruis,
naar een dal waarin ik mij
niet durf te wagen, waar ik
het huis verliet, wat ruimte
biedt, voor nooit gestelde
vragen en verder verval.
.jpg)
Groei geschonden
Uiteenvallen, vergaan en bederven
heeft zijn wijsheid, de scherven
die men samenvoegt, de grootheid
van versmolten delen, lijkt anders
dan ze samen waren, leidt tot een
nieuw geheel, gesnoeide echo’s
van vervallen koninkrijken, brengen
tijdperken van bloei en wat niet
meer is, gaat niet verloren, de kern
van de essentie te vergelijken,
van wat men in het hart wil dragen,
wat verder gaat dan wat men al bezit,
ontsluit een nieuwe vorm tot vragen,
als doel tot een ongeschonden groei.

Onbaatzuchtig
Als ik me nu al ga beklagen
in een levenslang gedicht, zie
ik, dat de onvermijdelijk kim, zich
al bij de uitgang heeft gepost,
een wachter, die het koud laat,
wanneer ik mijn post verlaat, en
van het talmen wordt verlost, staat
in onbaatzuchtigheid voor ieder klaar,
zijn taak is niet te kunnen kiezen, en
voor hem slechts een bijkomstigheid,
hoe en in welke tijd mijn aansluiting
zal verliezen, wellicht kunnen we samen
het lot wat sturen, om een willige
toekomst te beramen, het is zinloos
stil te staan bij mijn zerk. Hij verricht
niet zelf het ruimende werk, dat zijn de
trawanten in hun overuren, onbezoldigd
wachten op hun nieuwe klanten,
ik mag maar hopen, nog menig maal,
ideeën te laten rijpen, alvorens te
moeten dansen naar hun pijpen.

Gordiaans ?
Als avontuur bedoeld,
hebben we ons schip
getuigd, werd het door
angsten weggespoeld
als jachtig galjoen, een
vliegende Hollander
overtuigd, geankerd
in een nauwe wambuis,
gekapseisd in ondiep
water, waar het lot het
zwaard in vast liet lopen,
bolde winddruk de zeilen
met 12 gordiaanse knopen
van vaste koers verstoken,
stuurloos met een
gebroken kompas,
verdoemd de laatste
reis te ontzeggen om
de klippen te verleggen,
viel er tegen die natuur-
kracht niets te winnen,
behalve vanuit windstilte
te beginnen de knopen
door te hakken, alvorens
een andere kiel te leggen.

Noorderzon
Ik wil niet lijden
aan een droom, die
de geest verwart,
verbijt mijn pijn,
ik schenk je in een
dubbelleven een
ander hart, dat jouw
realisme tart, om je
ontrouw te vermijden.
Laten we de duivel
te grazen nemen,
met wie jij in de slaap
op moet trekken, met
genoegen zal ik mij
voor de daad lenen, om
alleen die schim te wekken,
om deze met de mist naar de
noorderzon te laten vertrekken.
Dan streel ik je in het
morgenlicht wakker,
onderzoek waar de
ander in beslist, vervloek
het moment, waarin je
z’n makker werd, verdoof
die met een duivelse list,
die zit alleen maar in
mijn eigen hoofd.

Stoffelijk ?
Het gevoel alsmaar te
moeten te kiezen, en
als ik me de koers vergis,
toch maar door te gaan,
waar al lang geen weg meer is,
geen duidelijk doel, gedragen
door de verre klokken, die hun
richting geven aan trage slagen,
in niet te tellen stappen, zal
ik me in de vraag verliezen
of ik wel het juiste heb gekozen,
en die gedachte, mij het
gezicht laat blozen, in mijn
geslofte kleren, kan de twijfel
niet ontlopen, en om die de rug
toe - dan wel - op mijn schreden
terug te keren, wat ik daaruit
verwachtte, ben ik toch te moe.

De oversteek
Ik wil de zon en wind
recht in de ogen zien,
iets wat jij wel wil
maar niet kunt, enkel
en alleen wat mij betreft
score ik een heikel punt,
om naar een andere wereld
af te zakken, mocht
die bestaan, we zullen
niet het gelijke bootje
pakken, om door het zelfde
duister te gaan, wanneer
we voor die beslissing staan,
en we op ongelijke wegen
verkeren, met een ander
doel in het vizier, was
dat maar af te leren, en
de oversteek te maken, op
een illusie van kartonpapier.

Stinkend wier
Wat achterblijft
als de zee vertrekt,
zijn schelpen, kwallen
en stinkend wier, wanneer
de vloed verder komt,
omhoog gespoeld over
de getijdenlijn, in
ballast verjaard,
waarvan door kinderen
als kostbaar goed
wordt bewaard,het
kleinoot ingeboet,als
roestig schroot volgt
het ons vanaf het ‘kind
zijn’ tot de dood.

In de stilte ligt de wijsheid
Zo stil in het hoofd,
zo stil, zodat ik
altijd wat hoor, die
verstomde geluiden
kwetsen mijn
gevoelig oor,
de witte vlekken
van mijn geestesoog,
rust is wat ik zoek,
overmand, verlamd,
doe ik dingen die om
een antwoord vragen,
ik antwoord niet, de wijsheid
laat zich in de stilte dragen.

Obsessief
Ik pluk een vage droom,
die handeling heeft deze
dag gemerkt. Vanuit de
ivoren kooi heb ik de nacht
verwerkt, die ik heb verloren
in het kaatsend licht, de
grijze lucht bewerkt tot
harde staal, het leven in
de geest verscherpt zich
tot inzicht en preekt een
ongeschreven taal,
beelden worden helder,
die ik niet pareren kan
met woorden, zoek
ik naar een gedicht die
met die obsessie breekt
en de passie preekt.

Verlaten
Verlaten dier, treed
uit je schaduw,
wat zit je nog
te mijmeren hier,
er is brood, je spelen,
ga, loop niet in dood
spoor mij achterna, je
verlangen versleten tot
schrander dier, wat doe je
nog hier, het is om even
hoe je mag heten, toch
zal ik je strelen, om
zovele dromen met
je delen, de zwakheid
van je kracht, tot mij zal
blijven spreken, tot je
droeve ogen zullen breken,
in een morgen of in de pels
van een nieuwe nacht.
Natuurverschijnsel ?
Naderende voorjaarsbuien
storten tranen in mijn ogen,
omfloerst met rode randen,
die het zien versluierd,
een natuurverschijnsel?
of gewoon verdriet,
of een magere hoop
bevestigd aan mijn
onvermogen, als havik
die z’n blik verheft naar
een loden lucht en een
vierkante zon, waarin
z’n talent wordt besmeurd,
of wat daar nog van over is,
en te licht met ervaringen
wordt geleurd, wat maakt dat
ik stik, blijft dit geestesoog
op een oneindig doel gericht,
wat aangeeft dat er niets is
gebeurd, gestreken in de
lentezegen, stromen de
plooien van mijn oud gezicht
uiteindelijk weer dicht.

Zinnelijk beeld
Vertoon wat zich
laat tonen aan een
ideële waarde in de
setting van het heelal,
en uit de geest van
ons ademen ontstaat,
koestert de maskers,
van het weten en het
vergeten, en mag je heten
die je bent, tussen schijn
en realiteit, en in deze
dramatiek nog het beste
wordt herkend, een zinnelijk
beeld van perfectie, waarin
we zijn verstrikt, verslikt
zich in een utopische
reflectie, dat een ideale
wereld in eigen schoonheid
vergaat, maar des ondanks
naar eigen goden blijven
streven, uiteindelijk kunnen we
in een volmaakte staat niet leven.
Gelukkig maar.

Niet te temmen
Het weinig houdt mij
nu gezelschap, van vele
beelden, trouwen honden
van gisteren, missen de
macht mij te verleiden,
dat lot heeft geen vat op mij,
trouw in saaiheid vervat,
laten me te pletter slaan,
wordt ik door schimmen
verslonden, de kracht
willekeurig ingeschat,
wordt de kern van camouflage
ontdaan alsof er niets is gebeurd,
worden ook de nieuwe graven
inmiddels weer besmeurd.
Denk niet dat toegeven aan
angsten dit vermijdt, daarmee
raken we de muren van de
duisternis niet kwijt, vertaald de
blijdschap zich in neerslachtigheid,
verpakt in een niet te temmen grap.

Het loopt, zoals het gaat.
Verzakken, bouwvallig
worden, vage scheuren,
voorspellen erger,
gebladderde verf op
geweerde deuren, diepe
nerven van beloften,
waarop de tijd mijn
oneindigheid laat sterven.
Dat huis, dat lichaam,
gelegen aan kruispunt
van onoverzichtelijke
wegen, maakt geen verschil
in de gelegenheid, het zijn
de keuzes waarmee de paden
zijn geplaveid, het had
niet anders gekund.

Metaforen
Herinneringen vergaren steden,
als men dat wil met gouden
tempels en porseleinen straten,
monumenten die voor altijd de
gedachtenis aan wie hier leefden
blijven bewaren, substraten
van dat verleden, veranderd
in afbraak, wanneer men ze
prijs zal geven, maalt puin tot
nieuw cement voor metaforen,
die nog niet zijn verkend.

Gewogen
De twijfel als volgende
schaduw over het pad,
het doel dat ik blauw
in de verte zag, lag
verscholen achter
luchtkastelen, die
blijven onbereikbaar.
Zorgeloos was ik
vertrokken, met handen
aan weerszijden, strijkend
langs het goudgeel koren
die bogen, werd ik
keurend afgewogen, ik
vertrouw de richting niet,
alles blijft onherkenbaar,
de hemel ook, die
blijkt te zijn gelogen.

Op het duin
Er stonden meisjes op het duin,
stil, in het laatste licht gevangen
van de ondergaande stralen,
gekleurde nagels op de lange
rokken, het avondrood smeert de
smetteloze wangen, de bleke lippen
tuiten zich in gene van een
groot verlangen, de sokken tot
de magere knieën opgetrokken,
de blonde lokken verleiden zich
en de zwoele avondwind, in
beeldspraak tot hun zwijgen,
maken ze hun fortuin eigen,
om die met zachte hand
te strelen en de toekomst te
borduren met gemanicuurde
steken en te delen met de
gepolijste parels van het
warme zand, om die aaneen
te rijgen tot stralen van
een vertrouwd bestand.
Twijfel doorprikken
Gevoel alsmaar te
zwerven, als ik de
duidelijkheid verkies,
over lege oceanen, waar
allang geen land meer
is en geen raadzaam
baken, langs de meeuwen
in de witte doktersjassen,
schreeuwen oordelen
uit de kelen, waarvoor
ik de neus gesloten hou,
die alleen maar twijfel
zaaien, wat achterblijft
op een afgewogen zeef,
zijn de nog door te prikken
blaren, om alle symbolieken
zelf te verklaren. Hoeveel
water er nog onder mijn
boeg zal stromen voordat ik
de zeilen reef, als ik aan de
de overzijde ben gekomen,
het lijkt me alleen nog
wat te vroeg.

Gebogen venster
Je vraagt je af wat is het
doel te zwemmen in kom,het
geeft niet in welke richting
die ik zwom, mijn kunstjes
voor een gebogen ruit, las hoe
vertekend de wereld was, na
meerdere borrels in dat glas,
verscholen onder de schubben
van een vis,die niet meer
weet hoe laat het is.
Uit: "De wijzer slaat door" (pama)

Parels voor de zwijnen
Waar heb ik het verloren, toen
ik omkeek en vele jaren ouder was,
vergeleek me toen ik werd geboren,
ben ik levend dood of begint het pas
een gedreven duel in een tweegevecht,
lijken beiden helften even echt,
waarvan de waarheid verder reikte
dan het toekomstig pad, zocht naar
de kwaal in het hof van Eden, maar
wist niet wat, waarschijnlijk lagen de
parels in het verleden, een omzichtig
verhaal langs doorluchtige zwijnen of
uit een vergeelde krant, geschreven
ooit met dezelfde verveelde hand.
 |